ECLI:NL:GHAMS:2026:784

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.357.253/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 lid 1 BWArt. 1:402a BWArt. 130 RvArt. 283 RvArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over vaststelling en indexering kinderalimentatie na wijziging omstandigheden

De zaak betreft een geschil over de vaststelling en indexering van kinderalimentatie voor twee minderjarige kinderen na het uiteengaan van de ouders. De rechtbank had de alimentatie verhoogd en geïndexeerd, maar partijen waren het niet eens over de hoogte en de toepassing van de indexering.

In hoger beroep heeft het hof geoordeeld dat de wettelijke indexering van de afgesproken alimentatie van €147 per maand vanaf 1 april 2020 moet worden toegepast, ondanks het verweer van de man dat dit niet met terugwerkende kracht kan. Vervolgens heeft het hof de alimentatiebedragen voor beide kinderen per verschillende ingangsdata opnieuw vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met de draagkracht van de man en vrouw, de zorgkorting en gewijzigde omstandigheden zoals de geboorte van een derde kind en een inkomensdaling bij de vrouw.

De man moet vanaf 3 april 2024 €199 per maand betalen voor elk kind, met aanpassingen vanaf 9 juli 2025 en 1 september 2025. Voor de jongste kinderalimentatie is een indexering per 1 januari 2026 vastgesteld. Het hof wijst het verzoek van de vrouw af om betaling vóór de eerste van iedere maand te verplichten en compenseert de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof stelt de kinderalimentatiebedragen en de indexering opnieuw vast met ingang van diverse data en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.253/01
zaaknummer rechtbank: C/15/339110 / FA RK 23-1883
Beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna: de man,
advocaat: mr. P.G.M. Vlaar te Wognum,
en
[de vrouw] ,
wonende op een geheim adres,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vrouw,
advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Hoorn (NH).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] (12 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar). De rechtbank heeft de afspraak van partijen over de kinderalimentatie gewijzigd en bepaald dat de man een hogere kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De man en de vrouw zijn het allebei op een aantal punten niet eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 23 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2
De vrouw heeft op 4 september 2025 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De man heeft op 17 oktober 2025 een verweerschrift in incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft verder nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vrouw van 14 oktober 2025 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 19 december 2025 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de man van 9 januari 2026 met bijlagen.
2.5
De mondelinge behandeling heeft op 15 januari 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
- de man, bijgestaan door mr. C.M.J. Zillikens, waarnemend voor mr. Vlaar voornoemd;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

3.De feiten

3.1
De man en de vrouw hebben tot september 2019 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 (hierna: [minderjarige 1] ) en [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 (hierna: [minderjarige 2] ). De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk ook: de kinderen) erkend. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.
3.2
De man heeft nog een zoon uit een latere relatie: [minderjarige 3] , geboren [in] 2025 (hierna: [minderjarige 3] ).
3.3
Partijen zijn in 2020 overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna: kinderalimentatie) aan de vrouw moet betalen van € 147,- per maand.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover nu van belang, op verzoek van de vrouw bepaald dat:
  • de man aan de vrouw de indexering over de afgesproken kinderalimentatie van € 147,- per kind per maand dient te voldoen, met ingang van 1 april 2020;
  • met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde afspraak tussen partijen, de man aan de vrouw met ingang van 3 april 2024 € 199,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] dient te betalen, voor zover het nog niet verstreken termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
  • met wijziging in zoverre van de hierboven genoemde afspraak tussen partijen, de man aan de vrouw met ingang van 3 april 2024 € 199,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 2] dient te betalen en met ingang van 1 augustus 2024 € 397,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 2] dient te betalen, voor zover het nog niet verstreken termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen.
in principaal hoger beroep
4.2
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat
  • de man aan de vrouw de indexering over de afgesproken kinderalimentatie van € 147,- per maand aan de vrouw dient te betalen, met ingang van 1 april 2020;
  • de man met ingang van 1 augustus 2024 € 316,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 2] dient te betalen;
  • de man met ingang van 9 juli 2025 € 148,- per maand aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] dient te betalen en € 265,- per maand voor [minderjarige 2] ,
  • dan wel de kinderalimentatie in goede justitie vast te stellen, met ingang van een in goede justitie te bepalen datum, althans in goede justitie te bepalen zoals het hof juist acht, onder instandhouding van het overige door de rechtbank bepaalde.
4.3
De vrouw verzoekt het door de man verzochte af te wijzen en de man te veroordelen in de proceskosten.
in incidenteel hoger beroep
4.4
De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen
  • dat de man aan de vrouw de indexering over de afgesproken kinderalimentatie van € 147,- per maand dient te voldoen, met ingang van 1 april 2020;
  • dat de man voor de 1e van iedere maand de volgende bedragen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] aan de vrouw dient te betalen:
- met ingang van 3 april 2024 € 199,- per maand;
- met ingang van 9 juli 2025 € 157,62 per maand;
- met ingang van 1 september 2025 € 200,- per maand;
- dat de man voor de 1e van iedere maand de volgende bedragen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 2] aan de vrouw dient te betalen:
- met ingang van 3 april 2024 € 199,- per maand;
- met ingang van 1 augustus 2024 € 397,- per maand;
- met ingang van 9 juli 2025 € 368,49 per maand;
- met ingang van 1 september 2025 € 400,- per maand;
Verder verzoekt de vrouw de man te veroordelen in de proceskosten.
4.5
De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar verzochte (gedeeltelijk) af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Het hof zal de door partijen aangevoerde grieven in principaal en incidenteel hoger beroep, waar deze onderling samenhangen, gezamenlijk en per onderwerp bespreken. Het hof zal eerst ingaan op de indexering van de door partijen in 2020 afgesproken kinderalimentatie, waarna het hof de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie nader zal beoordelen.
Indexering afgesproken kinderalimentatie
5.2
Partijen hebben in 2020 afgesproken dat de man € 147,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zou betalen. De vrouw heeft in de procedure bij de rechtbank verzocht te bepalen dat de man de indexering over deze afgesproken bijdrage aan de vrouw dient te voldoen, met ingang van 1 april 2020. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen, met dien verstande dat in het dictum van de beschikking is bepaald dat de man de indexering van de afgesproken bijdrage van € 147,- per kind per maand dient te voldoen.
5.3
Beide partijen hebben in hoger beroep aangevoerd dat de afspraak was dat de man € 147,- per maand voor beide kinderen gezamenlijk aan de vrouw zou betalen, en dus niet per kind per maand zoals in het dictum van de bestreden beschikking is opgenomen. De man en de vrouw hebben in hun beroepschrift respectievelijk verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw de indexering van de bijdrage van € 147,- per maand aan de vrouw dient te betalen, met ingang van 1 april 2020.
De man heeft ter zitting in hoger beroep echter zijn standpunt gewijzigd. Hij voert aan dat met terugwerkende kracht vaststelling vragen van de in het verleden afgesproken kinderalimentatie met indexering niet kan en verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1165).
5.4
Het hof volgt de man niet in zijn stelling. Uit artikel 1:402a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt, voor zover nu van belang, dat bij overeenkomst vastgestelde bijdragen voor levensonderhoud van rechtswege jaarlijks worden geïndexeerd. De wettelijke indexering geldt dus ongeacht of hierop aanspraak is gemaakt. De wettelijke indexering kan wel bij overeenkomst worden uitgesloten op grond van het vijfde lid van voornoemd artikel, maar gesteld noch gebleken is dat dit in de onderhavige zaak het geval is. Partijen zijn het alimentatiebedrag in 2020 overeengekomen en van rechtswege geldt dan dus de wettelijke indexering met ingang van 1 januari 2021. De uitspraak van de Hoge Raad waarnaar de man verwijst maakt dat niet anders. Er is immers geen sprake van een nieuwe vaststelling of wijziging van het afgesproken alimentatiebedrag met ingang van een datum die is gelegen voor de datum van de bestreden beschikking, die tot gevolg heeft dat over een bepaalde periode geen indexering plaatsvindt. Er is dan ook geen sprake van indexeren met terugwerkende kracht, zoals de man betoogt.
Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en bepalen dat de man aan de vrouw de indexering van de afgesproken bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 147,- per maand dient te voldoen. De rechtbank heeft bepaald dat dit dient te geschieden met ingang van 1 april 2020. Tegen deze datum is op zichzelf niet gegriefd. Het hof overweegt voor de duidelijkheid dat dit betekent dat het bedrag van € 147,- voor het eerst per 1 januari 2021 moet worden geïndexeerd.
Berekening kinderalimentatie
5.5
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW Pro en heeft de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie opnieuw vastgesteld. Daarbij heeft de rechtbank als ingangsdatum van de gewijzigde omstandigheden de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, 3 april 2024, tot uitgangspunt genomen. Dit is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof ook hiervan zal uitgaan.
De rechtbank heeft de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] berekend met ingang van 3 april 2024. Voor [minderjarige 2] is de kinderalimentatie berekend over twee periodes, te weten met ingang van 3 april 2024 tot 1 augustus 2024 en opnieuw met ingang van 1 augustus 2024. Hierna zal het hof nader op deze twee periodes ingaan. Vervolgens zal het hof ingaan op de periode vanaf 9 juli 2025 en op de periode vanaf 1 september 2025, welke twee periodes in de procedure in hoger beroep door partijen aan de orde zijn gesteld.
Periode vanaf 3 april 2024
5.6
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking bepaald dat de man met ingang van 3 april 2024 een bijdrage van € 199,- per maand voor [minderjarige 1] en een bijdrage van € 199,- per maand voor [minderjarige 2] dient te betalen. Partijen hebben hiertegen geen grieven gericht. Wel verzoekt de vrouw in incidenteel hoger beroep te bepalen dat de man met ingang van 3 april 2024 een bijdrage van € 199,- per maand voor [minderjarige 1] en van € 199,- per maand voor [minderjarige 2] dient te betalen. Omwille van de duidelijkheid zal het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, voornoemde bijdragen opnieuw vaststellen.
Periode vanaf 1 augustus 2024
5.7
In de bestreden beschikking is verder bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2024 een bijdrage van € 397,- per maand voor [minderjarige 2] dient te betalen. Vaststaat dat sindsdien geen uitvoering meer wordt gegeven aan de zorgregeling met de man. De rechtbank heeft daarom niet langer rekening gehouden met een zorgkorting van 35% zoals daarvoor het geval was, maar voor [minderjarige 2] geen zorgkorting meer toegepast.
5.8
De man heeft hiertegen gegriefd. Hij stelt dat er op dit moment weliswaar geen contact tussen hem en [minderjarige 2] is, maar dat hij ervan uitgaat dat contactherstel zal plaatsvinden voordat [minderjarige 2] achttien jaar is. De man meent dat daarnaast een financiële prikkel voor de vrouw nodig is om verandering in de huidige situatie te brengen. De man verzoekt rekening te houden met een zorgkorting van 15% en berekent de door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] op € 316,- per maand.
5.9
Het hof volgt de man niet in zijn betoog en is met de vrouw van oordeel dat de rechtbank vanaf 1 augustus 2024 terecht geen zorgkorting voor [minderjarige 2] heeft toegepast, omdat dit overeenstemt met de feitelijke situatie. Er vindt al ruim anderhalf jaar geen omgang tussen de man en [minderjarige 2] meer plaats en niet te verwachten is dat hierin op korte termijn verandering zal komen. De vrouw heeft gesteld dat zij haar best heeft gedaan om het contact tussen [minderjarige 2] en de man te herstellen, door onder andere het gesprek aan te gaan via de ouders van de man. Ook heeft zij voorgesteld om hulpverlening in te schakelen. De man heeft, ook ter zitting in hoger beroep, verklaard niet te geloven in hulpverlening. Hij is van mening dat hulpverlening geen zin heeft en gelooft dat het tussen hem en [minderjarige 2] vanzelf goed zal komen. Het is voor de man te hopen dat dat zo zal zijn, maar voor de thans te nemen beslissing is dat een toekomstige onzekere omstandigheid. Daarop loopt het hof niet vooruit.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de grief van de man faalt. Omwille van de duidelijkheid zal het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw vaststellen dat de man met ingang van 1 augustus 2024 een bijdrage van € 397,- per maand voor [minderjarige 2] dient te betalen.
Periode vanaf 9 juli 2025
5.1
De man stelt dat met ingang van 9 juli 2025 sprake is van gewijzigde omstandigheden in verband met de geboorte van zijn zoon [minderjarige 3] . Volgens de man dient zijn draagkracht daarom vanaf dat moment over drie kinderen te worden verdeeld in plaats van over twee kinderen. De vrouw heeft verklaard hiermee in te kunnen stemmen. Ook het hof is van oordeel dat met deze gewijzigde omstandigheid aan de zijde van de man rekening dient te worden gehouden. Gelet hierop zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 9 juli 2025 (opnieuw) berekenen.
De door het hof gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken hiervan deel uit. Voor zover hierna bedragen worden genoemd, zal het hof deze telkens afronden, tenzij anders vermeld.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
5.11
De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vastgesteld op € 567,- per kind maand in 2024, bestaande uit een (basis)behoefte van € 542,- vermeerderd met € 25,- aan medische kosten. Deze behoefte is tussen partijen niet in geschil, zodat het hof hiervan ook zal uitgaan. Geïndexeerd per 1 januari 2025 bedraagt de (basis)behoefte € 577,- per kind per maand. Rekening houdend met de medische kosten van € 25,- per kind maand, bedraagt de totale behoefte van de kinderen € 602,- per kind per maand in 2025.
Draagkracht man
5.12
De man is directeur-grootaandeelhouder van [X] B.V. Uit de door de man overgelegde jaaropgave over 2024 blijkt dat zijn fiscaal loon in dat jaar € 80.863,- bedroeg. Het hof zal de draagkracht van de man op basis van dit inkomen berekenen, nu geen inkomensgegevens over 2025 bekend zijn en gesteld noch gebleken is dat het inkomen van de man in 2025 een relevante wijziging heeft ondergaan. Uit de berekening van het hof volgt een draagkracht van € 1.119,- per maand in 2025.
Bij gebrek aan aanwijzingen dat de behoefte van [minderjarige 3] afwijkt van die van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zal het hof de draagkracht van de man gelijkelijk over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verdelen. Dit betekent dat de man vanaf 9 juli 2025 € 746,- per maand beschikbaar heeft voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Draagkracht vrouw
5.13
De vrouw is werkzaam in loondienst bij Sportcentrum [plaats A] . Het hof zal haar draagkracht vaststellen aan de hand van de overgelegde salarisspecificaties over de maanden januari tot en met juni 2025, waaruit een salaris blijkt van € 2.018,- bruto per maand te vermeerderen met vakantiegeld. Dit leidt tot een draagkracht van € 523,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
5.14
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 746 + € 523 =) € 1.269,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van in totaal € 1.204,- per maand te voorzien. Om vast te kunnen stellen welk deel van de behoefte van de kinderen door de man dient te worden gedragen, wordt een draagkrachtvergelijking gemaakt. Het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen wordt berekend door zijn aandeel in de totale draagkracht te vermenigvuldigen met de behoefte van de kinderen. Hieruit volgt dat het aandeel van de man ((€ 746 / € 1.269) x € 602 =) € 354,- per kind per maand bedraagt.
Zorgkorting
5.15
De rechtbank heeft een zorgkorting voor [minderjarige 1] vastgesteld van 35%. Deze zorgkorting is in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof hiervan ook zal uitgaan. De zorgkorting wordt berekend over de basisbehoefte van de kinderen en dus niet over de aanvullende (medische) kosten. De zorgkorting voor [minderjarige 1] bedraagt dus (0,35 x € 577 =) € 202,- per maand.
Omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt de zorgkorting in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige 1] . De resterende draagkracht van de man voor een bijdrage voor [minderjarige 1] bedraagt (€ 354 -/- € 202 =) € 152,- per maand. Nu de man in zijn verweerschrift in incidenteel hoger beroep heeft ingestemd met het door de vrouw verzochte bijdrage van € 157,62 per maand, zal het hof de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] op dat bedrag vaststellen.
5.16
Zoals het hof hierboven onder r.o. 5.9 heeft overwogen zal ten aanzien van [minderjarige 2] geen zorgkorting worden toegepast. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] dan ook vaststellen op € 354,- per maand.
Periode vanaf 1 september 2025
5.17
De vrouw stelt dat ook met ingang van 1 september 2025 sprake is van gewijzigde omstandigheden, in verband met een daling van haar inkomen. De vrouw voert aan dat zij niet meer in staat was (en is) haar functie als horecamanager uit te voeren, omdat zij nu de volledige zorg voor [minderjarige 2] heeft. De vrouw is sinds 1 september 2025 werkzaam als horecamedewerker, waardoor zij minder inkomen heeft. De vrouw verzoekt dan ook de door de man te betalen alimentatie vanaf genoemde datum opnieuw vast te stellen, waarbij aan haar zijde rekening wordt gehouden een lagere draagkracht.
5.18
De man voert verweer. Hij betoogt dat de vrouw niet-ontvankelijk is in haar verzoek, omdat de gewijzigde omstandigheid zich pas na de bestreden beschikking heeft voorgedaan. Door het verzoek alleen in hoger beroep te behandelen, wordt partijen een instantie ontnomen en is sprake van strijd met de goede procesorde. Daarnaast stelt de man dat de vrouw zelf heeft verzocht om een lagere functie. De functiewijziging houdt geen verband met omstandigheden aan de zijde van de werkgever of het functioneren van de vrouw. De inkomensdaling van de vrouw dient dan ook voor haar rekening en risico te komen, aldus de man.
5.19
Het hof gaat voorbij aan het bezwaar van de man tegen het verzoek van de vrouw. Gelet op artikel 362 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met de artikelen 283 Rv en 130 Rv is een verzoeker ook in hoger beroep bevoegd (de gronden van) het verzoek schriftelijk te veranderen of te vermeerderen. De verweerder kan hiertegen bezwaar maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de goede procesorde. Daarvan is naar het oordeel van het hof in dit geval geen sprake, aangezien de vrouw tijdig, namelijk in het verweerschrift tevens houdende incidenteel beroep, schriftelijk de gronden van haar verzoek heeft vermeerderd, zodat de man voldoende gelegenheid heeft gehad verweer te voeren. Dat dit onderdeel van het verzoek van de vrouw dan slechts in één feitelijke instantie wordt behandeld leidt evenmin tot strijd met de goede procesorde, omdat de vrouw gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheid. De vrouw kan dan ook in haar (aanvullende) verzoek worden ontvangen.
5.2
Het hof is van oordeel dat met de gewijzigde omstandigheden aan de zijde van de vrouw rekening dient te worden gehouden en overweegt hiertoe als volgt.
Volgens de vrouw was zij genoodzaakt op haar werk een stap terug te doen, omdat zij sinds 1 september 2025 de volledige zorg voor [minderjarige 2] draagt. Zij heeft aangevoerd dat zij in de horeca werkt en gelet daarop ook in de avonden en in het weekend moet werken. Zij had haar werk zo ingericht dat zij in de weken dat de kinderen bij de man waren een avond in de week en een dag in het weekend werkte. Omdat [minderjarige 2] niet langer naar de man gaat, moet zij nu steeds een oppas regelen voor de avonden en de weekenddagen dat zij moet werken. Dit lukt niet altijd, waardoor zij vaker afwezig is op haar werk en minder flexibel was. Dit ging niet samen met haar rol en taken als horecamanager, om welke reden haar functie is aangepast naar horecamedewerker. De stellingen van de vrouw worden ondersteund door de brief van de werkgever van de vrouw van 4 september 2025, waaruit volgt dat de functiewijziging heeft plaatsgevonden op basis van functioneringsgesprekken, minder flexibiliteit en privéomstandigheden.
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat geen sprake is van verwijtbaar en vermijdbaar inkomensverlies aan de zijde van de vrouw en dat bij de berekening van de door de man te betalen kinderalimentatie per 1 september 2025 met een lagere draagkracht aan de zijde van de vrouw rekening dient te worden gehouden,
5.21
Het hof zal de gewijzigde draagkracht van de vrouw vaststellen aan de hand van de overgelegde salarisspecificaties over de maanden september tot en met november 2025, waaruit een salaris blijkt van € 1.650,- bruto per maand te vermeerderen met vakantiegeld. Dit leidt tot een draagkracht van € 328,- per maand
5.22
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (€ 746 + € 328 =) € 1.074,- per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen van in totaal € 1.204,- per maand te voorzien. Gelet hierop kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven en dient de man zijn gehele beschikbare draagkracht van € 746,- per maand, oftewel € 373,- per kind per maand, aan te wenden om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
5.23
Hierop dient de zorgkorting voor [minderjarige 1] nog in mindering te worden gebracht. Omdat partijen gezamenlijk onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, wordt het tekort gelijkelijk tussen hen verdeeld en wordt het aan de man toerekenbare deel van dat tekort in mindering gebracht op de zorgkorting. Het restant van de zorgkorting wordt in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen.
Het tekort bedraagt (€ 1.204 -/- € 1.074 =) € 130,- waarvan de helft aan de man wordt toegerekend en in mindering wordt gebracht op de zorgkorting van € 202,- per maand. Er blijft dan nog een bedrag aan zorgkorting over van (€ 202 - € 65 =) € 137,- per maand, welk bedrag in mindering dient te worden gebracht op het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] . Het hof komt zo tot een door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] van (€ 373 -/- € 137 =) € 236,-
per maand.
De vrouw heeft in haar verzoek in incidenteel hoger beroep verzocht een bijdrage voor [minderjarige 1] vast te stellen van € 200,- per maand. Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] , gelet op de grenzen van de rechtsstrijd tussen partijen in hoger beroep, dan ook dat bedrag vaststellen.
5.24
Zoals het hof hierboven onder r.o. 5.9 heeft overwogen zal ten aanzien van [minderjarige 2] geen zorgkorting worden toegepast. Het hof zal de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] dan ook vaststellen op € 373,- per maand.
Indexering
5.25
Op grond van artikel 1:402a BW gaat de wettelijke indexering over de bijdrage die de man moet betalen per 1 september 2025 pas per 1 januari 2027 in. Het hof zal daarom ambtshalve de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 verhogen gelijk met het percentage dat van toepassing zou zijn als de wettelijke indexering wel zou gelden met ingang van 1 januari 2026 (ECLI:NL:HR:2025:1165). Geïndexeerd per 1 januari 2026 bedraagt de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] € 390,- per maand.
Het hof zal niet overgaan tot een ambtshalve indexering van de bijdrage voor [minderjarige 1] , omdat daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd wordt getreden. De vrouw heeft immers niet gevraagd om een hogere bijdrage vast te stellen dan € 200,- per maand.
Conclusie
5.26
Uit het bovenstaande volgt dat de man de volgende bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] dient te betalen:
- met ingang van 3 april 2024: € 199,- per maand;
- met ingang van 9 juli 2025: € 157,62 per maand;
- met ingang van 1 september 2025: € 200,- per maand.
En als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] dient de man te betalen:
- met ingang van 3 april 2024: € 199,- per maand;
- met ingang van 1 augustus 2024: € 397,- per maand;
- met ingang van 9 juli 2025: € 354,- per maand;
- met ingang van 1 september 2025: € 373,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 € 390,- per maand.
5.27
Het hof zal het verzoek van de vrouw te bepalen dat de man vóór de 1e dag van iedere maand de kinderalimentatie aan haar dient te betalen afwijzen. In de bestreden beschikking is bepaald dat de man de bijdrage bij vooruitbetaling dient te voldoen, voor zover het nog niet verstreken termijnen betreft. Het hof zal dit ook in het dictum van deze beschikking bepalen en ziet daarom geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de vrouw. De vrouw heeft onvoldoende toegelicht waarom de bestreden beschikking op dit punt onjuist is. Het moet voor de man duidelijk zijn dat “bij vooruitbetaling te voldoen” betekent, dat de bijdragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] telkens vóór de 1e van de desbetreffende maand aan de vrouw moeten zijn voldaan.
Proceskosten
5.28
Het hof ziet, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, geen aanleiding voor een veroordeling van de man in de proceskosten, zoals de vrouw heeft verzocht. Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden afgewezen.
5.29
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de indexering van de tussen partijen in 2020 afgesproken bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreft en voor zover daarbij een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is vastgesteld, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man aan de vrouw de indexering over de afgesproken bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 147,- per maand dient te voldoen, met ingang van 1 april 2020;
bepaalt, met wijziging van de tussen partijen in 2020 afgesproken bijdrage in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] :
  • met ingang van 3 april 2024 op € 199,- per maand;
  • met ingang van 9 juli 2025 op € 157,62 per maand, en
  • met ingang van 1 september 2025 op € 200,- per maand,
voor zover het de toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt, met wijziging van de tussen partijen in 2020 afgesproken bijdrage in zoverre, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 2] :
  • met ingang van 3 april 2024 op € 199,- per maand;
  • met ingang van 1 augustus 2024 op € 397,- per maand;
  • met ingang van 9 juli 2025 op € 354,- per maand;
  • met ingang van 1 september 2025 op € 373,- per maand, en
  • met ingang van 1 januari 2026 op € 390,- per maand,
voor zover het de toekomstige termijnen betreft telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. A.V.T. de Bie en mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.