Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:787

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
200.350.986/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 RvArt. 3:194 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvulling beschikking tot uitvoerbaar bij voorraad en toedeling Mercedes Pagode in echtscheidingszaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 17 maart 2026 een aanvulling gegeven op de beschikking van 25 november 2025. De aanvulling betreft het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, hetgeen abusievelijk was nagelaten. De man had dit verzocht in zijn beroepschrift en een aanvullend verzoek, waarop de vrouw geen zelfstandig verweer voerde.

Het hof oordeelt dat de man terecht heeft gewezen op deze omissie en dat de bezwaren van de vrouw onvoldoende zijn om het verzoek af te wijzen. Vervolgens wijst het hof het verzoek van de man toe om de beschikking aan te vullen met een uitvoerbaar bij voorraadverklaring.

Daarnaast vernietigt het hof de bestreden beschikking voor zover het gaat om de afwijzing van het verzoek van de man omtrent onttrekkingen door de vrouw en de toedeling van de Mercedes Pagode. Het hof bepaalt dat de vrouw haar aandeel in bepaalde overboekingen aan de man heeft verbeurd en veroordeelt haar tot betaling van €27.000,-. De Mercedes Pagode wordt voor de helft aan de man toegewezen onder de verplichting tot betaling van €11.250,- aan de vrouw. Verder worden diverse kosten aan de vrouw opgelegd. De rest van de beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en de kosten worden ieder voor eigen rekening gedragen.

Uitkomst: Het hof verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, wijst verzoeken tot financiële verrekening en toedeling van de Mercedes Pagode toe en bekrachtigt de rest van de beschikking.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civielrecht recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.350.986/01
zaaknummer rechtbank: C/13/749058 / FA RK 24-2362
beschikking van de meervoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak van
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.
1. Het verzoek tot aanvulling ex artikel 32 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering
1.1 Het hof heeft in deze zaak op 25 november 2025 een beschikking gegeven.
1.2 Het hof heeft kennis genomen van een verzoek bij brief van 16 december 2025, waarin mr. Ruijgrok namens de man verzoekt de beschikking van 25 november 2025 aan te vullen, omdat daarin is verzuimd om, zoals in het beroepschrift was verzocht, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.3 Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld zich over dit verzoek uit te laten. Bij brief van 6 januari 2026 heeft mr. Du Bois namens de vrouw bezwaar gemaakt tegen inwilliging van het verzoek.

2.De beoordeling

2.1
Het hof is van oordeel dat de man terecht heeft gewezen op de omissie in de beschikking van 25 november 2025. De man heeft in het petitum van zijn beroepschrift van 10 februari 2025 verzocht om de door het hof te geven beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vrouw heeft hiertegen in hoger beroep geen afzonderlijk verweer gevoerd.
2.2
De vrouw heeft betoogd dat de man ten aanzien van zijn aanvullende verzoeken in zijn brief van 14 juli 2025 niet expliciet heeft verzocht om een uitvoerbaar bij voorraadverklaring. Dat betekent echter niet dat ten aanzien van deze verzoeken, voor zover zij zijn toegewezen, de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet mogelijk is. In de brief van 14 juli 2025 heeft de man immers uitdrukkelijk vermeld dat de aanvullende verzoeken een nadere invulling vormen van zijn eerste grief, ten aanzien waarvan in het beroepschrift van de man uitdrukkelijk is verzocht om gegrondverklaring/toewijzing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
2.3
De overige bezwaren van de zijde van de vrouw vormen evenmin een beletsel om de beschikking van 25 november 2025 uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.4
In het licht van het voorgaande zal het hof het verzoek van de man om de beschikking van 25 november 2025 op grond van artikel 32 Rv Pro aan te vullen, toewijzen.

3.De beslissing

Het hof
wijst toe het verzoek van de man tot aanvulling van de beschikking van 25 november 2025 op het onderdeel uitvoerbaar bij voorraad;
vult de beschikking van 25 november 2025 in deze zin aan, zodat het dictum als volgt komt te luiden:
in principaal en incidenteel appel:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de volgende beslissingen betreft:
- de afwijzing van het verzoek van de man omtrent onttrekkingen van de vrouw in zes maanden voorafgaand aan 10 juli 2023,
- de toedeling van de Mercedes Pagode aan de man;
en in zoverre - alsmede in aanvulling op de bestreden beschikking - opnieuw recht doende:
bepaalt dat de vrouw, gelet op het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW Pro, haar aandeel in de door haar overgeboekte bedragen op 22 mei 2023 tot een bedrag van € 14.000,- en op 8 juli 2023 tot een bedrag van € 13.000,- aan de man heeft verbeurd, en veroordeelt de vrouw tot betaling van € 27.000,- aan de man wegens overboekingen van haar bankrekening;
bepaalt dat de Mercedes Pagode SL 230 voor de onverdeelde helft tot het te verdelen vermogen behoort en deelt deze onverdeelde helft voor een waarde van € 22.500,- aan de man toe onder de verplichting een bedrag van € 11.250,- aan de vrouw te voldoen;
veroordeelt de vrouw tot betaling van € 2.880,05 aan de man vanwege kosten voor de Mercedes Benz GLK;
veroordeelt de vrouw tot betaling van € 2.510,35 aan de man vanwege kosten voor de Porsche;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. T.M. Subelack en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 17 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.