ECLI:NL:GHAMS:2026:810

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
200.357.234/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 RvArt. 278 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken advocaat

Verzoeker is op 23 juli 2025 in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kantonrechter van 11 juli 2025. Het hof ontving meerdere brieven van verzoeker en diens curator, maar constateerde dat het beroepschrift niet door een advocaat was ingediend, wat volgens artikel 359 juncto Pro 278 Rv verplicht is.

Het hof heeft verzoeker meerdere malen in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen, onder meer door het geven van uitstel tot 5 december 2025. Verzoeker slaagde er echter niet in een advocaat te vinden en reageerde niet op de verzoeken van het hof om dit te corrigeren.

De curatoren van verzoeker gaven aan geen actieve hulp te hebben geboden bij het inschakelen van een advocaat, maar ook geen verzoeken daartoe te hebben geweigerd. Gezien het ontbreken van een beroepschrift via een advocaat en het niet herstellen van dit verzuim, verklaart het hof verzoeker niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens het ontbreken van een advocaat bij indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.234/01
zaaknummer rechtbank: 11671958 CB VERZ 25-34
beschikking van de meervoudige kamer van 24 maart 2026 in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: verzoeker.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- [zoon 1] , zoon en curator van de verzoeker (hierna: [zoon 1] );
- [zoon 2] , zoon en curator van de verzoeker (hierna: [zoon 2] ).

1.De procedure in hoger beroep

1.1
De verzoeker is op 23 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter) van 11 juli 2025.
1.2
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- een brief van de verzoeker van 5 november 2025;
- een brief van de verzoeker van 23 november 2025;
- een brief van curator [zoon 1] van 2 maart 2026.

2.De beoordeling van het hoger beroep

2.1
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van het bepaalde in artikel 359 juncto Pro 278 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moet een beroepschrift worden ondertekend en ingediend door een advocaat.
Het hof stelt vast dat de verzoeker op 23 juli 2025 zonder tussenkomst van een advocaat een brief aan de griffie van dit hof heeft gestuurd waarin hij te kennen geeft hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de kantonrechter van 11 juli 2025.
Bij brief van dit hof van 29 juli 2025 is de verzoeker erop gewezen dat indiening van een beroepschrift uitsluitend kan geschieden door een advocaat. Verzoeker is met die brief in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen. Hierop is door de verzoeker niet gereageerd. Bij brief van dit hof van 24 oktober 2025 is de verzoeker nogmaals in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen, uiterlijk op 7 november 2025.
Door de verzoeker is vervolgens op 6 november 2025 uitstel verzocht voor een maand omdat hij nog geen advocaat had gevonden. Het hof heeft daarop bij brief van 7 november 2025 nog eenmaal uitstel verleend, tot en met 5 december 2025. Uit een brief van de verzoeker van
23 november 2025, ingekomen bij het hof op 28 november 2025, volgt dat hij op dat moment nog geen advocaat had gevonden.
Het hof heeft vervolgens de curatoren van de verzoeker bij brief van 17 februari 2026 verzocht zich uit te laten over de vraag op welke wijze zij als curatoren omgaan met de kennelijke wens van de verzoeker om in hoger beroep te gaan tegen de beschikking van
11 juli 2025.
Bij brief van 2 maart 2026, ingekomen bij het hof op 4 maart 2026 heeft de curator [zoon 1] hierop een reactie gegeven, die kort gezegd inhoudt dat de curatoren de verzoeker niet actief hebben aangemoedigd of zelf hulp hebben aangeboden om een advocaat in te schakelen om in hoger beroep te gaan. Zij hebben evenwel geen verzoek van verzoeker om financiële middelen ter beschikking te stellen om een advocaat in te schakelen, geweigerd. Mocht de verzoeker hen hebben gevraagd om hulp, ook voor het inschakelen van een advocaat, dan hadden zij dit verzoek ingewilligd, aldus de curatoren.
Het hof is gelet op al het voorgaande van oordeel dat aan de eis dat een beroepschrift door tussenkomst van een advocaat wordt ingediend niet is voldaan.
2.2
Het voorgaande brengt met zich dat de verzoeker in zijn hoger beroep nietontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

3.De beslissing

Het hof:
verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. A.N. van de Beek en
mr. M.J. Vonk, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op
24 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.