Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:830

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
23-002811-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 57 SrArt. 126nc SvArt. 126nd SvArt. 359a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep witwassen en diefstal: bewijsuitsluiting verworpen, gevangenisstraf opgelegd

In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam is de verdachte primair veroordeeld voor diefstal en witwassen van twee geldbedragen van in totaal ruim €9.000.

De verdediging voerde bewijsuitsluiting aan wegens een vermeend vormverzuim bij het verkrijgen van informatie van een medewerker van een geldwisselkantoor, maar het hof verwierp dit verweer. Het hof oordeelde dat de politie geen bijzondere opsporingsbevoegdheid nodig had voor de verkregen informatie en dat er geen sprake was van schending van het bankgeheim.

Het hof achtte bewezen dat de verdachte de geldbedragen voorhanden had en wist dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren, mede gelet op het ontbreken van legale inkomsten en het bezit van luxe goederen. De verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld werd onvoldoende concreet en verifieerbaar bevonden.

De rechtbank had een gevangenisstraf van 6 maanden opgelegd; het hof bepaalde de straf voor de diefstal op 5 maanden en voor het witwassen op 1 maand, met aftrek van voorarrest. Tevens werd een bedrag van €2,50 teruggegeven aan de verdachte.

De redelijke termijn in eerste aanleg was fors overschreden, maar in hoger beroep niet, waardoor het hof volstond met een constatering van het verzuim.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf voor diefstal en 1 maand voor witwassen met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002811-24
datum uitspraak: 20 februari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers
13-172602-19 (hierna:
zaak A) en 13-122944-21 (hierna:
zaak B) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Omvang van het hoger beroep

Blijkens de akte instellen hoger beroep van 5 december 2024 is namens de verdachte aanvankelijk
onbeperkthoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2024. Bij akte intrekking hoger beroep van 14 november 2025 is dit hoger beroep
beperkttot het in zaak B tenlastegelegde.
De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van het witwassen van één van de in de tenlastelegging in zaak B opgenomen geldbedragen, te weten het witwassen van een geldbedrag van € 4.512,50. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld voor wat betreft zaak B, zodat de verdachte – gelet op het voorschrift van artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) –
niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze (deel)vrijspraak.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
zaak B:
hij op of omstreeks 13 februari 2020, te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging
met een ander of anderen, althans alleen, (van) een of meerdere voorwerp(en), te weten
  • een geldbedrag van 4420 euro en/of
  • een geldbedrag van 4612,50 euro,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewijsconstructie en kwalificatie hanteert dan de rechtbank.

Standpunten van partijen

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde in zaak B, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde in zaak B moet worden vrijgesproken.
Primair is aangevoerd dat sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben zich gewend tot een medewerker van een geldwisselkantoor en hem gedwongen informatie te verstrekken over een (gepoogde) financiële transactie van de verdachte bij dat geldwisselkantoor, zijnde (ook) een bancaire instelling. Voor het inwinnen van dergelijke informatie is een vordering nodig ex artikel 126nc Sv of artikel 126nd Sv en daarvoor is ten minste vereist dat sprake is van een verdenking van een misdrijf. Hiervan was op dat moment geen sprake. Dit levert een schending op van (een van) deze voorschriften. Deze schending is ernstig, omdat de politie dit blijkens het proces-verbaal kennelijk vaker doet en op deze wijze stelselmatig inbreuk maakt op het bankgeheim, de privacy van personen en op hun financiële huishouding. Het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, is de schending van de privacy van de verdachte en de schending van het bankgeheim. Ten gevolge van de onrechtmatige bevraging van de medewerker door de verbalisanten is de aanhouding van de verdachte, die hierop volgde, eveneens onrechtmatig. Gelet op de ernst van het verzuim en het nadeel dat de verdachte daardoor heeft ondervonden, dient hieraan het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te worden verbonden, met als gevolg dat de verdachte, wegens onvoldoende ander bewijs, moet worden vrijgesproken van het in zaak B tenlastegelegde feit.
Subsidiair is aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de geldbedragen van € 4.420,00 en € 4.612,50 afkomstig waren uit enig misdrijf. In de eerste plaats betreft het geen wereldschokkende geldbedragen en houdt de omstandigheid dat de verdachte diverse auto’s op zijn naam heeft staan, waaronder een Volvo en een Maserati, geen verband met deze geldbedragen. In de tweede plaats heeft de verdachte een verklaring afgelegd over de herkomst van deze geldbedragen: het betreft deels geld van zijn familie, deels zijn spaargeld en er zijn stukken overgelegd die betrekking hebben op zijn onderneming in Italië. Het openbaar ministerie heeft deze verklaring van de verdachte ten onrechte niet onderzocht, zodat een legale herkomst van de tenlastegelegde geldbedragen niet kan worden uitgesloten.

Bewijsoverweging

Om vast te stellen of sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, zal het hof eerst de feitelijke gang van zaken, die het uit het dossier afleidt, weergeven.
Feiten en omstandigheden
Op 13 februari 2020 om 18.15 uur bevonden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich in burger gekleed en met een speciale actie belast, op het Damrak in Amsterdam. [verbalisant 1] zag twee mannen staan bij geldwisselkantoor Suri Change aan het [adres 2] . Eén van deze mannen bleek later de verdachte te zijn, de andere man was [medeverdachte] . [verbalisant 1] zag dat de verdachte en [medeverdachte] bij Suri Change in overleg waren met de medewerker aldaar. De verdachte droeg een buideltasje en zette deze op de balie neer. Hij vroeg iets aan de medewerker, de medewerker schudde met zijn hoofd ‘nee’ en de verdachte en [medeverdachte] liepen vervolgens weg. [verbalisant 1] liep vervolgens naar de medewerker, die hem kent als politieagent en weet dat hij vaker navraag doet naar gewisselde bedragen van personen. De medewerker vertelde op vrijwillige basis dat de verdachte en [medeverdachte] een geldbedrag van 5.000,00 Zwitserse franken wilden wisselen voor € 4.500,00. De medewerker vertrouwde de mannen en de rechtmatigheid van het geld niet en vroeg naar hun legitimatiebewijs. De verdachte en [medeverdachte] , die beiden Nederlands spraken, wilden dit niet geven, waarop de medewerker geen geld wilde inwisselen. [1]
Vervolgens zag [verbalisant 1] dat de verdachte en [medeverdachte] in de richting van de Dam liepen. Hij zag dat zij bij een ander geldwisselkantoor van Suri Change, aan het [adres 2] , naar binnen liepen. De verdachte en [medeverdachte] gingen voor het loket staan, waarop de verdachte vrijwel meteen een stapel met Zwitserse franken op de toonbank legde. De medewerker vroeg geen legitimatiebewijs, maar stopte het geld direct in de geldtelmachine. [verbalisant 1] zag dat [medeverdachte] naast de verdachte stond, meekeek naar de geldwisseling, om zich heen keek en de omgeving in de gaten hield. [verbalisant 1] stond naast het geldwisselkantoor. [verbalisant 1] zag dat de geldtelmachine op € 4.500,00 bleef staan. Hij zag dat de medewerker het geld in een witte envelop deed en aan de verdachte gaf. De verdachte deed dit in zijn buideltas. Hierop liepen de verdachte en [medeverdachte] snel weg in de richting van de Nieuwedijk. [2]
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen dat de verdachte en [medeverdachte] naar een witte Maserarti met kenteken [kenteken] liepen. Uit onderzoek blijkt deze auto op naam van de verdachte te staan; er werd een kentekenbewijs en verzekeringsbewijs op zijn naam aangetroffen. [3]
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben de verdachte en [medeverdachte] aangehouden voor witwassen. Tijdens de insluitingsfouillering trof [verbalisant 2] onder de verdachte twee witte enveloppen aan. In de envelop die [verbalisant 1] herkende als zijnde van Suri Change zat een geldbedrag van € 4.420,00 en in de envelop van geldwisselkantoor Pott Change zat een geldbedrag van € 4.612,50. [4]
Uit onderzoek naar het vermogen en inkomen van de verdachte is gebleken dat hij houder is van twee ABN AMRO rekeningen en één Rabobank rekening. De saldi van die rekeningen per 31 december 2018 variëren van nihil tot € 18,00. Ook blijkt uit dat onderzoek dat de verdachte houder is van een Volvo V40 met een handelswaarde van € 7.550,00. Het houden en berijden van een voertuig brengt vaste financiële kosten met zich mee. Verder blijkt dat de verdachte geen legale inkomsten heeft uit werk, uitkering of toeslagen. [5] Op de ABN AMRO rekening met nummer [iban 1] van de verdachte zijn geen transacties aangetroffen die duiden op loon/salaris uit werk. De ABN AMRO rekening met nummer [iban 2] is niet actief. [6]
Beoordeling van het hof
Ten aanzien van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting
Het hof zal eerst ingaan op de door de raadsman gestelde onrechtmatigheid van de wijze van informatievergaring door verbalisant [verbalisant 1] .
Op grond van artikel 126nc, eerste lid, Sv kan de opsporingsambtenaar in geval van verdenking van een misdrijf in het belang van het onderzoek van degene die daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komt en die anders dan ten behoeve van persoonlijk gebruik gegevens verwerkt, vorderen dat bepaalde opgeslagen of vastgelegde identificerende gegevens van een persoon worden verstrekt. Onder ‘identificerende gegevens’ wordt, ingevolge artikel 126nc, tweede lid, Sv, in dit geval verstaan: naam, adres, woonplaats, postadres, geboortedatum, geslacht en administratieve kenmerken.
Ingevolge artikel 126nd, eerste lid, Sv kan de officier van justitie in geval van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv in het belang van het onderzoek van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze te verstrekken.
Uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat de medewerker van Suri Change geen
opgeslagen of vastgelegde identificerendegegevens in de zin van het tweede lid van artikel 126nc Sv of
opgeslagen of vastgelegdegegevens in de zin van artikel 126nd Sv aan verbalisant [verbalisant 1] heeft verstrekt, maar slechts beperkte informatie over de feitelijke handelwijze van een bezoeker aan een geldwisselkantoor. Hiervoor is geen inzet van een bijzondere opsporingsbevoegdheid vereist. Dat betekent dat artikel 126nc Sv en artikel 126nd Sv in dit geval niet van toepassing zijn, zodat de vormen die hieraan zijn verbonden niet zijn verzuimd.
Voor zover de raadsman heeft aangevoerd dat de politie het ‘bankgeheim’ heeft geschonden, en om die reden sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv, volgt het hof dit niet, reeds omdat met de invoering van Richtlijn 2003/48/EG en Richtlijn 2014/48/EU niet zonder meer kan worden gesproken van het bestaan van een ‘bankgeheim’ in de lidstaten van de Europese Unie.
Het hof is aldus van oordeel dat geen sprake is van enig (onherstelbaar) vormverzuim in het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Het primaire verweer van de raadsman strekkende tot bewijsuitsluiting wordt om die reden verworpen.
Nu geen sprake is van een (tot bewijsuitsluiting strekkend) vormverzuim, zal het hof de resultaten van het gesprek tussen verbalisant [verbalisant 1] en de medewerker van geldwisselkantoor Suri Change bij het bewijs betrekken.
Ten aanzien van het bewijs
De verdachte heeft op 13 februari 2020 in Amsterdam contante geldbedragen van € 4.420,00 en € 4.612,50 voorhanden gehad. Er is geen direct bewijs dat deze twee geldbedragen afkomstig zijn uit een concreet gronddelict. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of op basis van feiten en omstandigheden het vermoeden gerechtvaardigd is dat deze geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
Van de verdachte zijn geen legale inkomsten bekend. Toch beschikt hij over een Maserati, zijnde een auto uit het luxe segment, en heeft hij grote hoeveelheden contant geld op zak, terwijl daarvoor geen noodzaak is gesteld of gebleken op grond van bedrijf of beroep en een legale economische verklaring voor het wisselen van buitenlandse valuta ontbreekt. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verdachte besloot geen geld te wisselen bij het geldwisselkantoor nadat hem werd gevraagd zich te legitimeren, hetgeen duidt op het niet traceerbaar willen zijn en daarmee op een heimelijk (illegaal) karakter van de transactie. Al het voorgaande tezamen maakt dat, ook bij – in de woorden van de raadsman – ‘niet wereldschokkende’ geldbedragen, het vermoeden van witwassen in deze zaak gerechtvaardigd is.
Dat betekent dat van de verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat een bedrag van € 4.000,00 inkomsten uit werk van hemzelf betreft en dat een bedrag van € 5.000,00 spaargeld van zijn familie is. Deze verklaring van de verdachte acht het hof niet concreet en niet verifieerbaar. Zo heeft de verdachte niet verklaard hoe hij het bedrag van € 4.000,00 heeft verdiend, bijvoorbeeld met welke werkzaamheden. Dit wilde de verdachte ‘privé’ houden. Verder heeft de verdachte, hoewel daarnaar gevraagd, niet verklaard van welke familieleden het bedrag van € 5.000,00 afkomstig is. Ook dit wilde hij ‘privé’ houden. Het door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft dan ook geen aanleiding tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Het door de verdediging op de terechtzitting in eerste aanleg van 7 november 2024 overgelegde stuk in de Italiaanse taal, dat een uittreksel uit het register van de Italiaanse Kamer van Koophandel zou zijn en waaruit zou blijken dat de verdachte aldaar een bedrijf heeft, maakt dit niet anders. Een enkele inschrijving bij de (Italiaanse) Kamer van Koophandel levert immers niet per definitie inkomsten op. Van de verdachte mag worden verlangd daar enige toelichting op te geven.
Het hof is bij deze stand van zaken van oordeel dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de twee tenlastegelegde geldbedragen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dat wist. Het subsidiaire verweer van de raadsman wordt om die reden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
zaak B:hij op 13 februari 2020, te Amsterdam, voorwerpen, te weten een geldbedrag van 4420 euro en een geldbedrag van 4612,50 euro, voorhanden heeft gehad en/of heeft omgezet, terwijl hij, verdachte, wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Hetgeen in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:
witwassen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

Inleiding
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg in zaak A primair bewezenverklaarde diefstal en het in zaak B bewezenverklaarde witwassen van twee geldbedragen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, voor zover het betreft het in zaak B tenlastegelegde. Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in zaak B tenlastegelegde, zal het hof – naast het opleggen van een straf voor het in zaak B bewezenverklaarde – overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, vierde lid, Sv de straf ten aanzien van het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde in zaak A moeten bepalen. Dit houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de door de rechtbank opgelegde straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd voor het primair bewezenverklaarde in zaak A.
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de te bepalen straf voor het in zaak A primair bewezenverklaarde feit zal zijn een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.
De raadsman heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt in zaak B, verzocht voor beide feiten
een werkstraf op te leggen voor de duur van 180 uren in combinatie met een voorwaardelijke
gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Als het hof meent dat een deel van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf vast zou staan, dan heeft de raadsman verzocht voor het in zaak A primair bewezenverklaarde de straf te bepalen op een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden en voor zaak B een werkstraf op te leggen, subsidiair een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat in zaak A is overwogen dat het merk en de waarde van het horloge niet konden worden vastgesteld en dat de verdachte is vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid bij de diefstal, te weten (de bedreiging met) geweld. Daar komt bij dat de redelijke termijn in eerste aanleg fors is overschreden.
Oordeel van het hof
Het hof bepaalt de sanctie ten aanzien van het door de rechtbank in zaak A primair bewezenverklaarde, gelet op de door de rechtbank gebezigde strafmotivering, op een gevangenisstraf voor de duur van
5 maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf voor het in zaak B bewezenverklaarde feit bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van twee geldbedragen van in totaal ruim € 9.000,00. Witwassen is een ernstig feit dat bijdraagt aan de instandhouding van criminaliteit en ondermijning in de samenleving. Hiermee worden de opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken en wordt het vertrouwen in het economische verkeer geschaad. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof is van oordeel dat gezien de ernst van de in zaak B bewezenverklaarde witwasfeiten niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
1 maand.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden in eerste aanleg is overschreden met ongeveer 2 jaren en 9 maanden, uitgaande van het bevel tot inverzekeringstelling van de verdachte op 14 februari 2020 en de datum van het vonnis op 21 november 2024. In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen met de appelakte op 5 december 2024 en geëindigd met dit arrest op
20 februari 2026 en is derhalve geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn van 2 jaren.
Het hof volstaat, gezien de beperkte omvang van de opgelegde sanctie, waarbij een vermindering met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn, uitgedrukt in weken en met afronding naar beneden, op nihil zou uitkomen, met de constatering van het verzuim. [7]

Beslag

Het hof is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 2,50 aan de verdachte toebehoort en aan hem moet worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de (deel)vrijspraak van het in zaak B tenlastegelegde witwassen van een geldbedrag van € 4.512,50.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak A primair bewezenverklaarde op een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) maanden.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 2,50 EUR; IBGN 13-2-2020 (Omschrijving: 5882981; restbedrag).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting
hadden mr. M. Senden, mr. M.T.C. de Vries en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van
mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 februari 2026.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.Een proces-verbaal van 13 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 1042-1052, meer specifiek: pagina’s 1042-1043).
2.Een proces-verbaal van 13 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 1042-1052, meer specifiek: pagina’s 1044-1045).
3.Een proces-verbaal van 13 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 1042-1052, meer specifiek: pagina 1045).
4.Een proces-verbaal van 13 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (doorgenummerde pagina’s 1042-1052, meer specifiek: pagina’s 1047-1048).
5.Een proces-verbaal van 14 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 1027-1036) (inclusief bijlage).
6.Een proces-verbaal van 19 februari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar (doorgenummerde pagina’s 1038-1039).
7.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.