Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:831

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
23-001139-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling deelname criminele organisatie en opzetheling motoren met vuurwapenbezit

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met het plegen van motordiefstallen en het helen van gestolen motoren. Hij fungeerde als tussenpersoon, onderhield contact met dieven en kopers en droeg zo bij aan de afzetmarkt van gestolen motoren.

Daarnaast werd bewezen verklaard dat de verdachte op 7 maart 2023 in Amsterdam een semi-automatisch pistool en munitie van categorie III in bezit had. De rechtbank had hem eerder veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Het hof vernietigde dit vonnis en legde een gevangenisstraf van 373 dagen op, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een taakstraf van 240 uur.

Het hof oordeelde dat de verdachte geen leidinggevende rol had, maar als tussenpersoon voldoende deelnam aan de criminele organisatie. De straf werd mede bepaald door recidive en het gevaar van het bezit van het vuurwapen. Het pistool werd onttrokken aan het verkeer, het in beslag genomen telefoontoestel werd teruggegeven.

De verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard voor het hoger beroep tegen twee deelvrijspraken. Het hof sprak hem vrij van overige tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. De straf weerspiegelt de ernst van de feiten en de maatschappelijke risico’s van de delicten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 373 dagen gevangenisstraf waarvan 360 dagen voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur wegens deelname aan criminele organisatie, opzetheling en vuurwapenbezit.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001139-24
datum uitspraak: 20 februari 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 mei 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-065628-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1991,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
6 februari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Omvang van het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van de onder 2 tenlastegelegde heling van een motor van het merk Honda, type CBR 1000 RR-8, gekentekend [kenteken 1] en van een motor van het merk KTM, type 1290 Super Duke GT, gekentekend [kenteken 2] . Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld, zodat de verdachte – gelet op het voorschrift van artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering – niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep voor zover dat is gericht tegen deze twee (deel)vrijspraken.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – tenlastegelegd dat:
1.
hij in de periode van 1 april 2021 tot en met 7 maart 2023 te Amsterdam en/of een of meer plaats(en) in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of een of meerdere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van
misdrijven, namelijk:
  • het (mede)plegen van (gekwalificeerde) diefstal(len) van motoren (art. 310 / 311 Sr) en/of
  • het (uit gewoonte) verwerven/overdragen/voorhanden hebben/te koop aanbieden/verkopen van motoren afkomstig van diefstal (opzetheling) (art. 416 Sr Pro / 417 Sr) en/of
  • het van een of meerdere motoren de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verbergen en/of verhullen dan wel verbergen en/of verhullen wie de rechthebbende(n) op die motor(en) was/waren (art. 420bis Sr);
2.
hij in of omstreeks de periode 21 mei 2021 tot en met 21 juli 2021 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere motoren, althans een motor, te weten
  • een BMW, type C400GT, gekentekend [kenteken 3] en/of
  • een BMW, type R1250 GS Adventure, gekentekend [kenteken 4] en/of
  • een MV Augusta, type Brutale 800, gekentekend [kenteken 5] en/of
  • een KTM, type 690 Duke, gekentekend [kenteken 6] ,
althans een of meer goederen heeft verworven, voorhanden heeft gehad, te koop heeft aangeboden en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed/deze goederen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
3.
hij op of omstreeks 7 maart 2023 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch pistool, van het merk CZ, type 27, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;
4.
hij op of omstreeks 7 maart 2023 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten een patroon of meerdere patronen (soort: volmantel rondneus) van het kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd, omdat het hof een andere bewezenverklaring, een andere bewijsconstructie en gedeeltelijk een andere kwalificatie hanteert dan de rechtbank. Daarnaast komt het hof tot een andere strafoplegging dan de rechtbank.

Bewijsoverweging inzake feit 1

Standpunt van partijen
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tenlastegelegde deelname van de verdachte aan een criminele organisatie kan worden bewezenverklaard.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat, zo begrijpt het hof, het onder 1 tenlastegelegde
weliswaar kan worden bewezenverklaard, maar dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen
sprake is van een leidinggevende rol van de verdachte. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat er geen verklaringen zijn van de medeverdachten of andere personen waaruit blijkt wat ieders taken en verantwoordelijkheden waren. De structuur van de organisatie is niet in kaart gebracht en andere verdachten die voorkomen in dit dossier zijn niet aangehouden. De verdachte heeft zijn rol in het geheel zelf omschreven als een ‘tussenpersoon’.
Oordeel van het hof
Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Wat betreft de criminele organisatie en de rol van de verdachte daarin overweegt het hof als volgt.
Met het woord ‘organisatie’ heeft de wetgever tot uitdrukking willen brengen dat er geen formele vereisten of juridische grondslag aan het bestaan van het samenwerkingsverband mag worden gesteld. Bepalend is of er een samenwerkingsverband heeft bestaan tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Gemeenschappelijk optreden tegenover derden kan een indicatie zijn voor het bestaan van een organisatie, maar is daarvoor niet noodzakelijk. Voor de vereiste structuur is hiërarchie ook geen vereiste. Tevens is niet vereist dat binnen die groep gemeenschappelijke regels en een gemeenschappelijke doelstelling hebben bestaan, waaraan individuele leden gebonden waren.
Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat in de periode van 20 april 2021 tot en met de aanhouding van de verdachte op 14 augustus 2021 een groot aantal (gekwalificeerde) motordiefstallen heeft plaatsgevonden. De verdachte komt hierbij, op basis van de in zijn telefoons aangetroffen chatberichten, veelvuldig in beeld als de persoon die zich bezighield met nog te stelen motoren en/of het (na de diefstal) verwerven, overdragen, voorhanden hebben, te koop aanbieden en/of verkopen van die motoren. De verdachte heeft zijn betrokkenheid hierbij ter terechtzitting in hoger beroep ook bevestigd; zoals hiervoor reeds overwogen, heeft hij zijn rol als die van ‘tussenpersoon’ gekwalificeerd. De wijze van opereren van de deelnemers omvatte onder andere het doen van voorverkenningen waarbij foto’s werden gemaakt van de te stelen motoren, het huren van bestelbusjes om de gestolen motoren te vervoeren en naar andere locaties te brengen, het ‘koud zetten’ van de motoren, en het via vaste afzetkanalen verkopen van de motoren, waarbij de eerder gemaakte foto’s werden gebruikt en sprake was van versluierd taalgebruik. Het hof is van oordeel dat het op deze wijze en op deze (grote) schaal stelen en vervolgens helen van motoren, goede onderlinge afstemming en een zekere mate van organisatie tussen de deelnemers vereist. Gelet op het voorgaande en gezien het feit dat het samenwerkingsverband hierin gedurende een aantal maanden ‘succesvol’ was, leidt het hof af dat sprake was van een zekere duurzaamheid en structuur en, dus, van een organisatie in de zin van artikel 140, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dat de precieze onderlinge taakverdeling van de deelnemers niet geheel inzichtelijk is geworden, zoals de raadsvrouw heeft betoogd, doet aan het voorgaande niet af. Het hof acht aannemelijk dat de verdachte, zoals hij zelf ter terechtzitting heeft verklaard, binnen de organisatie de rol vervulde van tussenpersoon – en dus niet de rol van leider, zoals de rechtbank heeft overwogen. Ook de rol van tussenpersoon is echter voldoende om van deelname aan een criminele organisatie te kunnen spreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 20 april 2021 tot en met 14 augustus 2021 te Amsterdam en meer plaatsen in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten hem, verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en/of een of meerdere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
  • het (mede)plegen van (gekwalificeerde) diefstallen van motoren en
  • het (uit gewoonte) verwerven/overdragen/voorhanden hebben/te koop aanbieden/verkopen van motoren afkomstig van diefstal (opzetheling);
2.
hij in de periode 21 mei 2021 tot en met 21 juli 2021 in Nederland meerdere motoren, te weten
  • een BMW, type C400GT, gekentekend [kenteken 3] en
  • een BMW, type R1250 GS Adventure, gekentekend [kenteken 4] en
  • een MV Augusta, type Brutale 800, gekentekend [kenteken 5] en
  • een KTM, type 690 Duke, gekentekend [kenteken 6] ,
voorhanden heeft gehad en/of te koop heeft aangeboden, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;
3.
hij op 7 maart 2023 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semi-automatisch pistool, van het merk CZ, type 27, kaliber 7.65mm, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
4.
hij op 7 maart 2023 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten patronen (soort: volmantel rondneus) van het kaliber 7.65mm voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzetheling, meermalen gepleegd.
Het onder 3 en 4 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en
munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 373 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 360 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van
2 jaren. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een taakstraf wordt opgelegd voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.
De raadsvrouw heeft verzocht aansluiting te zoeken bij de vordering van de advocaat-generaal, zodat de verdachte het onvoorwaardelijke deel van de op te leggen gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van vier motoren en hij heeft gedurende een periode van bijna 4 maanden deelgenomen aan een criminele organisatie die het plegen van motordiefstallen en het helen van gestolen motoren als oogmerk had. De verdachte fungeerde als tussenpersoon binnen deze organisatie. Zo onderhield hij contact met de uitvoerders van de diefstallen en met de kopers van nog te stelen of al gestolen motoren. De verdachte heeft op deze manier bewust bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen motoren. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij met deze delicten geen enkel respect heeft getoond voor de eigendommen van anderen. Hij heeft slechts aan zijn eigen financiële gewin gedacht. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De ervaring leert dat het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie kan leiden tot het gebruik daarvan. Het levert daarom een gevaar op voor de veiligheid van personen en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De verdachte moet begrijpen dat ook een ernstige bedreiging van zijn persoon de aanschaf en het gebruiksklaar voorhanden hebben van een (vuur)wapen niet rechtvaardigt.
Uit het strafblad van de verdachte van 20 januari 2026 blijkt dat hij eerder ter zake van het medeplegen van (gekwalificeerde) diefstal van een motor onherroepelijk is veroordeeld. Het hof weegt dit in het nadeel van de verdachte mee.
De verdachte lijkt zijn leven inmiddels ten goede te hebben gekeerd. Hij heeft een gezin en ook werk, waar hij een inkomen mee genereert, en beschikt over een woning. Hij legt zichzelf beperkingen op om te voorkomen dat hij de verkeerde mensen tegenkomt.
Het feit dat sprake is van recidive en de ernst van de feiten rechtvaardigen zonder meer de oplegging van een gevangenisstraf. Gelet echter op de hiervoor beschreven positieve ontwikkelingen, acht het hof het onwenselijk het onvoorwaardelijk deel daarvan langer te laten duren dan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal daarom, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van de verdachte, een taakstraf van de maximale duur én ook een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen als stok achter de deur.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf en een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Beslag

Het onder 3 bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het pistool dat in beslag is genomen en nog niet is teruggegeven. Het zal aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Het inbeslaggenomen telefoontoestel zal aan de verdachte worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 55, 57, 63, 140 en 416 Sr en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de (deel)vrijspraken van de onder 2 tenlastegelegde heling van een motor van het merk Honda, type CBR 1000 RR-8, gekentekend [kenteken 1] en van een motor van het merk KTM, type 1290 Super Duke GT, gekentekend [kenteken 2] .
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en
verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
373 (driehonderddrieënzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
360 (driehonderdzestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt de
onttrekking aan het verkeervan het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2021165684-G6310566, zwart, merk: Pistole27).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2021165684-G6310575, Zwart, merk: Apple).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. M.T.C. de Vries en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van
mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
20 februari 2026.
=========================================================================
[…]