Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 17 februari 2026 het vonnis van de rechtbank Amsterdam bekrachtigd waarbij appellant in staat van faillissement werd verklaard. Appellant was bestuurder van een failliet bedrijf en had zich persoonlijk verbonden als medeschuldenaar voor diverse overeenkomsten. Bidfood had een vordering ingediend en stelde dat appellant is opgehouden te betalen.
Appellant betwistte de vorderingen, onder meer vanwege onvoorziene omstandigheden zoals vertraging bij vergunningverlening en onduidelijkheid over contractuele verplichtingen. Ook voerde hij aan dat sommige vorderingen verjaard of voldaan zouden zijn. Het hof oordeelde echter dat summierlijk vaststond dat Bidfood een opeisbare vordering heeft en dat er sprake is van pluraliteit van schuldeisers, waaronder het Ministerie SZW en de curator van het faillissement van het bedrijf.
Daarnaast werd appellant geconfronteerd met een bestuurdersaansprakelijkheidsvordering wegens het niet voldoen aan administratieve verplichtingen, wat het hof als een ernstig verwijt kwalificeerde. Appellant kon dit niet weerleggen. Het hof concludeerde dat appellant meerdere schuldeisers onbetaald laat en in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen. Daarom werd het faillissementsvonnis bekrachtigd.