Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:863

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
200.337.649/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep kinderalimentatie en zorgregeling na afwijzing verhuizing minderjarige

In deze zaak stond de vaststelling van kinderalimentatie centraal na het afwijzen van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor verhuizing met de minderjarige naar Griekenland. Het hof bepaalde dat de moeder en het kind in Nederland blijven wonen, waardoor de alimentatieverplichting van de vader opnieuw moest worden vastgesteld.

De ingangsdatum van de alimentatie werd vastgesteld op 12 mei 2023, de datum waarop de moeder haar zelfstandig verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie indiende. De behoefte van het kind werd vastgesteld op €690 per maand, exclusief kinderopvangkosten. Het hof besloot de netto kinderopvangkosten toe te voegen aan de behoefte, omdat de moeder deze kosten droeg terwijl de vader hiervan profiteerde.

De draagkracht van beide ouders werd uitgebreid geanalyseerd, waarbij rekening werd gehouden met loon, bonussen, RSU’s en fiscale voordelen zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting. De vader moest bijdragen volgens een draagkrachtvergelijking, waarbij ook een zorgkorting werd toegepast vanwege de zorgregeling tussen vader en kind.

Uiteindelijk bepaalde het hof de maandelijkse bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind op €381 vanaf 12 mei 2023, met aanpassingen voor de jaren 2024 tot en met 2026. De eerdere beschikking werd vernietigd en de nieuwe bijdrage werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vader moet kinderalimentatie betalen vanaf 12 mei 2023 met aangepaste bedragen tot 2026, rekening houdend met zorgregeling en kinderopvangkosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.337.649/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/736212 / FA RK 23/4454
Beschikking van de meervoudige kamer van 31 maart 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. H. Plantenga te Amsterdam.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in hoger beroep tot zover naar zijn beschikking van 9 december 2025 in de zaak met zaaknummers 200.337.646/01, 200.337.648/01 en 200.337.649/01. Bij die beschikking heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.337.649/01 iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van nadere financiële stukken. Partijen zijn daarnaast in de gelegenheid gesteld om een standpunt in te nemen over de gevolgen van de beslissing in de zaak met zaaknummer 200.337.648/01 (vervangende toestemming verhuizing) voor de beslissing in deze zaak (over de kinderalimentatie).
1.2
Bij het hof zijn vervolgens de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 18 november 2025 met bijlagen H85 t/m H96,
- een bericht van de zijde van de vader van 18 november 2025 met bijlagen 119 t/m 121,
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 december 2025 met bijlagen H97 t/m H100,
- een bericht van de zijde van de vader van 23 december 2025 met bijlagen 122 t/m 133,
- een bericht van de zijde van de moeder van 21 januari 2026,
- een bericht van de zijde van de moeder van 4 februari 2026 met bijlagen H101 t/m 108,
- een bericht van de zijde van de vader van 4 februari 2026 met bijlage 134.

2.De motivering van de beslissing

Inleiding
2.1
Bij de beschikking van 9 december 2025 heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.337.646/01 de beschikking waarvan beroep bekrachtigd voor zover het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te verlenen voor een verhuizing met [minderjarige] naar Griekenland is afgewezen. Die beslissing heeft tot gevolg dat de moeder en [minderjarige] in Nederland blijven wonen en dat voor die situatie een bedrag aan kinderalimentatie dient te worden bepaald, waarbij ook rekening wordt gehouden met de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader zoals gewijzigd in de beschikking van 9 december 2025 (in de zaak met zaaknummer 200.337.648/01).
Ingangsdatum
2.2
De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de vader te betalen kinderalimentatie bepaald op de datum van de beschikking (28 november 2023), omdat de vader sinds 1 juli 2023 een bijdrage van € 146,- per maand voldeed en de rechtbank ervan uitging dat de vader (tot 28 november 2023) met die bijdrage had voldaan aan zijn onderhoudsplicht.
De moeder is het met dat oordeel niet eens en heeft haar (destijds subsidiaire) verzoek om 12 mei 2023 als ingangsdatum te hanteren herhaald. Dat is de datum waarop zij een zelfstandig verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie heeft gedaan en met die datum was de vader kennelijk akkoord gezien zijn verweer op dat zelfstandig verzoek.
2.3
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Het is niet ongebruikelijk om voor de ingangsdatum van een te betalen kinderalimentatie aan te sluiten bij de datum waarop het inleidend processtuk is ingediend, omdat in ieder geval vanaf die datum rekening kan worden gehouden met een bepaalde betalingsverplichting of wijziging hiervan. Om die reden acht het hof het in dit geval redelijk om 12 mei 2023 als ingangsdatum te hanteren. De vader heeft (in ieder geval) vanaf die datum, toen de moeder haar zelfstandig verzoek indiende, rekening kunnen houden met een wijziging van de bijdrage van € 146,- per maand.
De vader heeft nog aangevoerd dat de moeder een beperkt belang heeft bij een eerdere ingangsdatum omdat het verschil tussen de bijdrage van € 146,- per maand en de door het hof te bepalen bijdrage mogelijk relatief klein is, maar dit argument is eveneens door de moeder gebruikt: een mogelijk relatief beperkte extra betalingsverplichting voor de vader maakt nu juist dat hij weinig belang heeft bij een latere ingangsdatum.
Behoefte [minderjarige]
2.4
De rechtbank heeft de behoefte van [minderjarige] in de bestreden beschikking bepaald op € 690,- per maand. Deze behoefte is niet in geschil. Partijen zijn het echter oneens over de vraag of deze behoefte moet worden verhoogd met de kosten van kinderopvang van [minderjarige] en zo ja, tot welke hoogte.
Kosten kinderopvang
2.5
Op grond van de aanbevelingen van het Tremarapport kan de behoefte van een kind worden verhoogd met de netto kosten van kinderopvang, wanneer sprake is van dermate hoge kosten dat deze niet (volledig) gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten. Naar het oordeel van het hof is daarvan in dit geval sprake. Bij dit oordeel laat het hof ook meewegen dat de moeder onweersproken heeft gesteld dat zij de opvangkosten steeds voor haar rekening heeft genomen terwijl de vader van de opvang profiteerde aangezien [minderjarige] naar de opvang ging op de dagen dat de vader de zorg voor hem droeg; door de kosten bij de behoefte op te tellen, draagt de vader daaraan alsnog bij.
2.6
Vervolgens moet de vraag worden beantwoord met welk bedrag aan opvangkosten rekening moet worden gehouden.
De moeder heeft bij haar bericht van 18 november 2025 een jaaropgave van de kosten van de kinderopvang in 2023 overgelegd. Daaruit blijkt dat [minderjarige] tot en met september 2023 twee dagen per week naar de opvang ging (de bruto kosten bedroegen toen afgerond € 966,- per maand) en vanaf oktober 2023 één dag per week (€ 483,- bruto per maand). In totaal bedroegen de kosten dat jaar € 10.141,-. Uit het door de moeder in het geding gebrachte bericht van de Belastingdienst van 6 september 2024 over haar toeslagen blijkt een totale door haar ontvangen kinderopvangtoeslag van € 7.336,- in 2023. Gemiddeld bedroegen de netto opvangkosten dat jaar dus (€ 10.141,- minus € 7.336,- gedeeld door 12 =) € 234,- per maand. Naar het oordeel van het hof is het verschil tussen dat bedrag en het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van € 214,- netto per maand te gering om nieuwe berekeningen te maken met ingang van 12 mei 2023 en 1 oktober 2023.
Per 1 januari 2024 zal het hof wel een nieuwe berekening maken, waarbij de behoefte van [minderjarige] van € 690,- per maand wordt geïndexeerd (naar € 733,-) en rekening wordt gehouden met de kosten van kinderopvang.
2.7
Vanaf 1 juli 2024 ging [minderjarige] weer twee dagen per week naar de opvang, zo blijkt uit de gewijzigde overeenkomst van 28 mei 2024. Het hof zal niet voor iedere (relatief beperkte) wijziging een nieuwe berekening maken en vooral kijken naar de bestendige lijn. Daarom houdt het hof rekening met de gemiddelde opvangkosten in 2024. Uit de hiervoor genoemde overeenkomst blijken totale kosten van € 9.559,- per jaar en uit het bericht van de Belastingdienst van 8 augustus 2024 volgt een kinderopvangtoeslag van € 6.562,- in 2024. De gemiddelde netto kosten bedroegen derhalve afgerond € 250,- per maand in 2024.
Het voorgaande brengt mee dat de behoefte van [minderjarige] in 2024 in totaal (€ 733,- + € 250,- =) € 983,- per maand bedroeg.
2.8
Het hof neemt in 2025 een (geïndexeerde) behoefte van € 780,- per maand in aanmerking plus de kosten van kinderopvang van € 250,- per maand, ofwel in totaal € 1.030,- per maand. Het hof is als volgt tot dit bedrag gekomen. Uit de door de moeder in het geding gebrachte urenopgave van 2025 blijken opvangkosten van € 1.077,-. Zowel de moeder als de vader heeft een proefberekening van de kinderopvangtoeslag overgelegd. Nu de moeder in haar proefberekening uitgaat van een loon van € 80.000,-, dat dichterbij het loon op haar jaaropgave van 2025 ligt dan het door de vader gehanteerde loon van € 74.118,-, neemt het hof de in de proefberekening van de moeder berekende toeslag van € 827,- per maand over, resulterend in netto opvangkosten van € 250,- per maand.
2.9
Op 14 januari 2026 werd [minderjarige] vier jaar oud en startte hij met school. De moeder betoogt dat ook dan nog rekening moet worden gehouden met kosten van kinderopvang; wat haar betreft gaat [minderjarige] niet meteen vijf dagen per week naar school en bovendien zullen er kosten zijn voor buitenschoolse opvang.
Het hof acht niet aannemelijk dat [minderjarige] niet vijf dagen per week naar school zal gaan, zij het dat hij aanvankelijk zijn schooldagen zal opbouwen, zoals ook blijkt uit de door de vader overgelegde mailcorrespondentie van partijen met school. De moeder heeft ook niet uitgelegd waarom [minderjarige] nog een of twee dagen per week naar de opvang zou gaan. Wel aannemelijk is – met het oog op de banen van partijen – dat [minderjarige] (op enig moment) naar de buitenschoolse opvang zal gaan. Aangezien de kosten daarvan echter lager zijn dan van de kinderopvang tot het vierde jaar, kunnen deze worden geacht te zijn begrepen in de behoefte van [minderjarige] . Per januari 2026 houdt het hof dus geen rekening meer met de extra opvangkosten, maar (alleen) met de geïndexeerde behoefte van € 816,- per maand.
Draagkracht moeder
2.1
Zowel de moeder als de vader is werkzaam in loondienst bij Booking.com. Aan de zijde van de moeder is de rechtbank uitgegaan van een loon in 2023 van € 43.805,- bruto per jaar inclusief vakantiegeld, rekening houdend met ouderschapsverlof en de voor expats geldende 30%-regeling. Deze bedragen zijn gebaseerd op de door de moeder overgelegde loonstroken van maart en april 2023. De vader heeft aangevoerd dat die stukken geen volledig beeld geven van het jaarinkomen van de moeder in 2023 waarbij hij heeft gesteld dat het inkomen van de moeder onder meer bestaat uit een jaarlijkse bonus. Uit de door de moeder overgelegde stukken blijkt niet de hoogte van de bonus over het jaar 2023. Wel blijkt uit haar loonstrook van februari 2024 dat zij in 2024 een bonus ontving van € 9.252,- bruto. Bij gebrek aan gegevens over een eventuele bonus in 2023 gaat het hof ervan uit dat de moeder ook in dat jaar een bonus van € 9.252,- bruto heeft ontvangen.
2.11
In 2024 bedroeg het bruto loon van de moeder gezien haar jaaropgave € 73.692,-. Uit de door de moeder in het geding gebrachte loonstroken van 2024 maakt het hof op dat de bonus is inbegrepen in voornoemd loon, dat de moeder geen ouderschapsverlof meer opnam en dat de expatregeling vanaf 1 juli 2024 voor haar niet meer gold. Vanwege de expatregeling behoefde de moeder in de maanden januari t/m juni 2024 over 30% van haar bruto inkomen geen belasting te betalen. Hierdoor had de moeder in die maanden een bedrag van € 14.814,- extra aan netto inkomsten te besteden. In de als productie 104 overgelegde berekening van haar draagkracht heeft de moeder onder post 119a met voornoemd (extra) netto inkomen rekening gehouden. De vader heeft deze berekening niet weersproken zodat het hof die berekening voor het jaar 2024 zal volgen.
2.12
Het fiscaal loon van de moeder (naar het hof begrijpt inclusief bonus) bedroeg in 2025 € 83.142,- blijkens de loonstrook van december 2025. Nu dit inkomen niet in geschil is, zal het hof daarvan uitgaan.
2.13
Het hof zal de draagkracht van de moeder in 2026 berekenen aan de hand van de door haar overgelegde loonstrook van januari 2026. De vader heeft aangevoerd dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een bonus van € 12.179,-, zijnde de standaardbonus bij Booking.com ter hoogte van 15% van het jaarloon. De moeder heeft dit bedrag niet weersproken. Evenmin heeft zij inzicht verschaft in de hoogte van haar bonus na 2024. Uit de door haar in het geding gebrachte algemene informatie over de bonussen bij Booking.com kan het hof dat niet afleiden.
2.14
Naast de hiervoor vermelde inkomsten van de moeder zal het hof evenals de rechtbank rekening houden met een kindgebonden budget (van € 3.198,- in 2023, € 2.189,- in 2024, € 2.014,- in 2025 en € 1.156,- in 2026) en de toepasselijke heffingskortingen waaronder de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Wanneer het hof uitgaat van deze gegevens bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de moeder:
- € 5.440,- per maand in 2023,
- € 5.874,- per maand in 2024,
- € 4.988,- per maand in 2025 en
- € 5.334,- per maand in 2026.
2.15
Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachtformules. Op grond daarvan bedraagt de draagkracht van de moeder:
- € 1.843,- per maand in 2023,
- € 1.989,- per maand in 2024,
- € 1.527,- per maand in 2025 en
- € 1.658,- per maand in 2026.
Draagkracht vader
2.16
Zoals gezegd werkt ook de vader bij Booking.com. Hij heeft toegelicht dat hij als onderdeel van zijn salaris een variabele beloning krijgt in de vorm van Restricted Share Units (RSU’s) met een jaarlijkse nominale waarde van USD 20.000,-. Het aantal aandelen wordt bepaald door de beurskoers van Booking.com op de toekenningsdatum. Omdat de waarde zeer variabel is en geen verband houdt met zijn verdiencapaciteit (maar met koersontwikkelingen), stelt de vader primair dat bij de bepaling van zijn draagkracht geen rekening moet worden gehouden met de aandelen. Datzelfde geldt voor de bonus. Het hof volgt de vader niet in dit standpunt en zal zowel met de RSU’s als met de bonus van de vader rekening houden, zoals dat bij de moeder ook is gedaan met de bonus. Het mag zo zijn dat de hoogte van beide componenten varieert, maar nu deze wel een vast onderdeel vormen van zijn loon, dient daarmee rekening te worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de vader ten behoeve van een bijdrage voor [minderjarige] .
2.17
In zijn akte van 23 december 2025 is de vader, indien toch rekening wordt gehouden met RSU’s en bonus, uitgegaan van een inkomen zijnerzijds in 2023 van € 125.000,-, bestaande uit een vast loon, een bonus en de nominale waarde van zijn RSU’s waarvoor hij aansluiting heeft gezocht bij de Verklaring geregistreerd inkomen van 2023 van de Belastingdienst. De moeder is het met dit uitgangspunt eens. Ook het hof zal hiervan derhalve uitgaan.
2.18
De vader heeft in zijn akte van 23 december 2025 gesteld dat zijn inkomen in 2024 € 132.560,- bedroeg, bestaande uit zijn vaste loon, een nominale RSU-waarde van € 18.000,- en een bonus van € 17.087,-. De moeder is het eens met de laatste twee bedragen, maar zij betoogt dat geen rekening moet worden gehouden met de vermindering van het vaste loon van de vader. De vader is per juli 2024 90% gaan werken in verband met de zorg voor [minderjarige] . Volgens de moeder moet die inkomensvermindering voor rekening van de vader blijven aangezien zij en de vader een gelijk aandeel dragen in de zorg voor [minderjarige] en de moeder ook 100% werkt. Het hof is dat met de moeder eens en zal daarom bij de verdeling van de kosten van [minderjarige] tussen partijen uitgaan van een jaarinkomen van de vader van € 143.390,- in 2024. Om die reden neemt het hof ook de berekening van de moeder van het inkomen van de vader ad € 150.642,- in 2025 over. Het hof acht het niet redelijk dat de moeder een groter aandeel in de kosten van [minderjarige] zou moeten dragen vanwege de keuze van de vader om minder te werken terwijl partijen [minderjarige] ieder de helft van de tijd bij zich hebben.
2.19
Partijen zijn het erover eens dat de vader pas per 15 januari 2024, toen de zorgregeling tussen hem en [minderjarige] is uitgebreid, aanspraak kan maken op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het hof houdt ook rekening met de overige toepasselijke heffingskortingen.
2.2
Wanneer het hof uitgaat van deze gegevens bedraagt het NBI van de vader:
- € 6.026,- per maand in 2023,
- € 7.069,- per maand in 2024,
- € 7.411,- per maand in 2025 en
- € 7.431,- per maand in 2026.
Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachtformules. Op grond daarvan bedraagt de draagkracht van de vader:
- € 2.130,- per maand in 2023,
- € 2.575,- per maand in 2024,
- € 2.714,- per maand in 2025 en
- € 2.686,- per maand in 2026.
2.21
De ouders hebben samen een draagkracht van:
- (€ 1.843,- + € 2.130,- =) € 3.973,- per maand in 2023,
- (€ 1.989,- + € 2.575,- =) € 4.564,- per maand in 2024,
- (€ 1.527,- + € 2.714,- =) € 4.241,- per maand in 2025 en
- (€ 1.658,- + € 2.686,- =) € 4.344,- per maand in 2026.
Deze gezamenlijke draagkracht is ruimschoots voldoende om alle kosten van [minderjarige] mee te betalen, want die zijn van 2023 tot en met 2026 achtereenvolgens vast te stellen op € 904,- per maand, € 983,- per maand, € 1.030,- per maand en € 816,- per maand. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken om te berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. De verdeling van de kosten van [minderjarige] over partijen wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Volgens deze formule zal de vader respectievelijk moeten bijdragen € 485,- per maand, € 555,- per maand, € 659,- per maand en € 505,- per maand.
Zorgkorting
2.22
Tussen de vader en [minderjarige] is een zorgregeling vastgesteld. Dat betekent dat de vader voor een deel rechtstreeks in zijn onderhoudsverplichting jegens [minderjarige] voorziet. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Tussen partijen is niet in geschil dat de zorgkorting in 2023 15% bedroeg en vanaf 1 januari 2024 35%. Dit komt neer op een bedrag van respectievelijk € 104,- per maand, € 257,- per maand, € 273,- per maand en € 286,- per maand.
Conclusie
2.23
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de moeder moet betalen van:
- € 381,- per maand met ingang van 12 mei 2023,
- € 298,- per maand met ingang van 1 januari 2024,
- € 386,- per maand met ingang van 1 januari 2025 en
- € 219,- per maand met ingang van 1 januari 2026.
Nu het hof de bijdrage op hogere bedragen bepaalt dan de rechtbank heeft gedaan, hoeft het zich niet uit te laten over een eventuele terugbetalingsverplichting.
2.24
Het hof heeft berekeningen gemaakt van het NBI en de draagkracht van partijen. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.25
Dit leidt tot de volgende beslissing.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:
bepaalt de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] op:
- € 381,- ( DRIEHONDERD EENENTACHTIG EURO) per maand met ingang van 12 mei 2023,
- € 298,- ( TWEEHONDERD ACHTENNEGENTIG EURO) per maand met ingang van 1 januari 2024,
- € 386,- ( DRIEHONDERD ZESENTACHTIG EURO) per maand met ingang van 1 januari 2025 en
- € 219,- ( TWEEHONDERD NEGENTIEN EURO) per maand met ingang van 1 januari 2026,
bij vooruitbetaling te voldoen,
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. P.F.E. Geerlings en mr. F. Kleefmann, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.