Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:882

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
23-000484-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep onthouden van nodige zorg aan dieren en bedrijfsmatig fokken van honden

In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en heeft het hof een nieuwe bewezenverklaring gegeven voor het onthouden van de nodige verzorging aan dieren en het bedrijfsmatig fokken van honden zonder de vereiste vakbekwaamheid en registratie.

De feiten betreffen het houden van katten, honden en ara’s in onhygiënische omstandigheden met onvoldoende bewegingsruimte, verzorging en vaccinaties, en het fokken en verkopen van meer dan 20 pups per jaar zonder de vereiste erkenning en vakbekwaamheid. De verdachte heeft deze feiten opzettelijk gepleegd.

Het hof verwierp de verzoeken tot vrijspraak en het horen van de dierenarts als getuige, oordeelde dat de zorgplicht was geschonden en dat sprake was van bedrijfsmatig handelen. De verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, deels voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en een houdverbod voor dieren behalve de huidige vijf honden en vijf vogels.

Daarnaast werden de inbeslaggenomen dieren en dierenpaspoorten verbeurd verklaard. Het hof legde bijzondere voorwaarden op voor toezicht en controle op naleving van het houdverbod.

De strafrechtelijke kwalificatie betreft overtreding van artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren en overtreding van voorschriften uit het Besluit houders van dieren, met strafrechtelijke sancties passend bij de ernst en omstandigheden van de zaak.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uur, deels voorwaardelijk, met een houdverbod voor dieren behalve de huidige vijf honden en vijf vogels.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000484-25
datum uitspraak: 31 maart 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2025 in de strafzaak onder parketnummer 81-098972-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1961,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2019 tot en met 10 juni 2021 te Utrecht , althans in Nederland, als houder van honden en/of katten aan deze dieren de nodige verzorging heeft onthouden in zijn woning aan de [adres] immers:
- in een verblijf in de tuin had(den) 3, althans één of meer Ragdoll-kat(ten) beperkte ruimte voor bewegingsvrijheid en/of was de behuizing niet voldoende hygiënisch en/of was het te warm in dit verblijf en/of geen beschikking over vers drinkwater, en/of
- had(den) de hond(en) met de chipnummer(s) [nummer 1] en/of [nummer 2] en/of [nummer 3] en/of [nummer 4] en/of [nummer 5] en/of [nummer 6] en/of [nummer 7] en/of [nummer 8] en/of [nummer 9] en/of [nummer 10] en/of [nummer 11] en/of [nummer 12] en/of [nummer 13] en/of [nummer 14] en/of [nummer 15] weinig bespiering en/of veel tandsteen en/of lange nagels en/of een vieze vacht en/of onverzorgde wonden en/of ontstoken ogen, en/of
- in de keuken werd(en) één of twee rode ara(’s) in te kleine, sterk vervuilde vogelkooien zonder voer en/of zonder schoon drinkwater gehouden, en/of - heeft hij aan de hond(en) met de chipnummer(s) [nummer 1] en/of [nummer 3] en/of [nummer 2] niet de jaarlijkse vaccinaties laten geven;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 10 juni 2021, in elk geval in de kalenderjaren 2016 en 2018 te Utrecht , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk, honden, althans gezelschapsdieren heeft verkocht en/of heeft afgeleverd en/of ten verkoop in voorraad heeft gehouden en/of heeft gehouden ten behoeve van opvang en/of heeft gefokt ten behoeve van de verkoop en/of aflevering van nakomelingen, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van het Besluit houders van dieren, immers heeft hij en/of hebben zijn mededaders telkens:
- in strijd met artikel 3.7 Besluit houders van dieren van genoemd besluit honden gefokt ten behoeve van de verkoop en/of afgeleverd en/of opgevangen in (een) niet, overeenkomstig artikel 3.8 van het Besluit houders van dieren bij de minister van Economische Zaken, aangemelde inrichting, en/of
- in strijd met artikel 3.11 Besluit houders van dieren van genoemd besluit als beheerder activiteiten verricht in een inrichting zonder in het bezit te zijn van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht, zulks terwijl hij van het plegen van dit/deze feit(en) een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Bewijsoverweging

De advocaat generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide feiten. De motivering hiervan wordt hieronder – voor zover van belang – per feit weergegeven.
Oordeel van het hof
Feit 1
De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat niet bewezen kan worden dat de door de verdachte verleende zorg aan de dieren onder het wettelijk vereiste minimum is gekomen. Artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren is een minimumnorm, zodat het feit dat het wellicht beter had gekund, niet zonder meer inhoudt dat de nodige zorg is onthouden. Voor een overtreding van dat artikel moet immers blijken dat de gezondheid en het welzijn van de dieren in het gedrang zijn gekomen en dat dit door de wijze van verzorging is ontstaan.
Eerste gedachtestreepje
Op 10 juni 2021 heeft de politie, samen met medewerkers van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, een huisbezoek gebracht aan het adres van de verdachte en daarbij drie ragdoll-katten aangetroffen in drie hokjes die boven elkaar stonden. Het geschatte vloeroppervlak van de drie verblijven boven elkaar was 4 m2. Dat was veel te klein. De katten hadden geen ruimte om te bewegen en hun eigen plek te zoeken. Er lagen veel haren verspreid in de hokken, de grond was niet schoon en was bezaaid met uitgelopen kattenbakkorrels en restjes voer. De kattenbak was direct naast de voerbak op de vloer geplaatst en er was geen schoon drinkwater. Daarnaast waren de verblijven veel te warm.
Net als de rechtbank en anders dan door de raadsman gesteld, kwalificeert het hof dit als het onthouden van de nodige verzorging aan de katten als bedoeld in artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren.
Tweede gedachtestreepje
De op 10 juni 2021 bij de verdachte aangetroffen 15 honden hadden weinig bespiering en/of veel tandsteen en/of lange nagels en/of een vieze vacht en/of onverzorgde wonden. In alle gevallen heeft de dierenarts vastgesteld dat aan de honden (veterinaire) zorg is onthouden. Net als de rechtbank kwalificeert het hof dit als het onthouden van de nodige verzorging aan de honden als bedoeld in artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren. De verdachte heeft de honden onvoldoende beweging gegeven, en/of de situatie laten ontstaan waarin de honden veel tandsteen en/of lange nagels en/of een vieze vacht en/of onverzorgde wonden hebben opgelopen dan wel gehouden. Uit het feit, dat de honden tandsteen en lange nagels hadden, vloeit voort dat dit gedurende een langere periode is ontstaan. Het hof stelt daarom vast dat het onthouden van de nodige zorg aan de honden in ieder geval heeft plaatsgevonden in de periode van 1 januari 2021 tot en met 10 juni 2021.
De raadsman heeft subsidiair ten aanzien van de door hem bepleite vrijspraak van de tenlastelegging onder het eerste en tweede gedachtestreepje het voorwaardelijk verzoek gedaan om – voor zover het hof het oordeel van de dierenarts dat aan de dieren de nodige zorg is onthouden voor het bewijs wil bezigen – de dierenarts als getuige te horen zodat deze gevraagd kan worden naar de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie hebben geleid. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de – overigens anonieme – dierenartsverklaringen niet zijn onderbouwd en dat de verdachte de daarin vervatte conclusies betwist. Het hof wijst dit verzoek af omdat onvoldoende is onderbouwd waarom het horen van de dierenarts noodzakelijk zou zijn. Uit de dierenartsverklaringen blijkt wat de honden mankeert en bij de algemene conclusies na het onderzoek is per dier ingevuld dat de nodige (veterinaire) zorg is onthouden. In veel gevallen is in aanvulling op deze algemene conclusie vermeld dat het gaat om vachtverzorging en hygiëne, gebitsbehandelingen en onvoldoende voer en/of kwaliteit van voeding. In samenhang met de bevindingen van de verbalisanten over hoe de honden zijn aangetroffen, ziet het hof geen aanleiding te twijfelen aan de conclusies van de dierenarts.
Derde gedachtestreepje
De raadsman heeft ten aanzien van dit gedachtestreepje aangevoerd dat aan de verdachte ten laste is gelegd dat ‘hij als houder van honden en/of katten aan deze dieren de nodige verzorging heeft onthouden’ en dat – hoewel de ara’s in het derde gedachtestreepje worden genoemd – de tenlastelegging onmiskenbaar enkel is toegesneden op honden en/of katten. De honden en/of katten zijn de dieren waaraan zorg is onthouden, dit vormt een te bewijzen bestanddeel. Enige zorgonthouding aan de ara’s
– voor zover al bewezen – kan daaraan niet bijdragen; aldus de raadsman. Het hof is van oordeel dat het, gelet op de wijze van redigeren van het derde gedachtestreepje mede in combinatie met de inhoud van het dossier, niet anders kan dan dat in de tenlastelegging ‘houder van honden en/of katten’ moet worden gelezen als ‘houder van honden en/of katten en/of ara’s’. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen. Het hof zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen en ook de ara’s bij het oordeel betrekken.
In de keuken zijn twee zeer kleine vogelkooien aangetroffen met in elke daarvan een rode ara. De raadsman heeft aangevoerd dat de ara’s goed in het verenkleed zaten en kerngezond waren, en hij heeft verwezen naar de toelichting van de verdachte dat hij de ara’s juist kleiner en apart had gehuisvest omdat het koppel dan minder aan verenpikken deed. Op zichzelf is met een aparte huisvestiging voor elke ara niets mis maar de kooien waren veel te klein en waren sterk vervuild. Eén van de kooien lag vol met ontlasting en beide kooien waren niet voorzien van voldoende voer en schoon drinkwater. Het wel aanwezige water was vervuild. Net als de rechtbank kwalificeert het hof dit als het onthouden van de nodige verzorging aan de ara’s als bedoeld in artikel 2.2 lid 8 van de Wet dieren. De verdachte heeft de ara’s niet voorzien van voldoende bewegingsruimte, hygiëne, voer en water.
Vierde gedachtestreepje
De honden met chipnummers eindigend op [nummer 1] en [nummer 2] , beide geboren op [geboortedag 2] 2019, hebben na drie vaccinaties in 2019 geen vaccinaties meer gekregen. De hond met chipnummer [nummer 3] , geboortedatum onbekend, heeft na twee vaccinaties in 2019 geen vaccinaties meer gekregen. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat hij al zijn dieren liet enten en als dieren niet gent waren, dit vermoedelijk was omdat zij nog te jong waren voor een bepaalde enting. Dit verweer wordt verworpen nu de dieren eerder vaccinaties hebben gehad en er geen sprake van is dat is daarvoor te jong waren.
Feit 2
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het aantal pups dat bij de verdachte is geboren, het hobbymatige niet overstijgt, waardoor reeds om die reden feit 2 niet aan de orde is.
In artikel 3.6 lid 1 van het Besluit houders van dieren is, op basis van artikel 2.1 van de Wet dieren, bepaald dat verboden is gezelschapsdieren te verkopen, ten verkoop in voorraad te houden, af te leveren, te houden ten behoeve van opvang, of te fokken ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, tenzij daarbij wordt voldaan aan paragraaf 2 van hoofdstuk 3. Lid 2 bepaalt dat deze paragraaf niet van toepassing is indien degene onder wiens verantwoordelijkheid gezelschapsdieren worden verkocht, ten verkoop in voorraad worden gehouden, afgeleverd, gehouden ten behoeve van opvang, of gefokt ten behoeve van de verkoop of aflevering van nakomelingen, aannemelijk maakt dat er bij de uitoefening van die activiteiten geen sprake is van bedrijfsmatig handelen.
De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij honden heeft gehouden, honden als hobby heeft gefokt, honden heeft verkocht en daartoe advertenties op [website] heeft geplaatst.
Uit pagina 97 van het dossier volgt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode in totaal 81 pups heeft aangebracht bij de dierenarts. De stelling van de raadsman dat niet duidelijk is of dit pups betreft die door de verdachte zelf zijn aangebracht, wordt verworpen omdat per persoon is weergegeven hoeveel pups zijn aangebracht. De stelling van de raadsman dat mogelijk sprake is van dubbeltellingen acht het hof mede in het licht hiervan onvoldoende onderbouwd en wordt daarom verworpen. Het hof is verder anders dan door de raadsman gesteld, van oordeel dat sprake is van bedrijfsmatig handelen. Uit het dossier blijkt dat in de jaren 2016 en 2018 meer dan 20 pups bij de dierenarts zijn aangebracht. Het hof stelt, net als de rechtbank, ook vast dat de verdachte honden fokte om deze te verkopen, daartoe advertenties plaatste, ruimtes had ingericht voor de opvang van honden en dat de verdachte deze activiteiten uitoefende (mede) om winst te maken. De verdachte was dus gehouden om zich aan de voorwaarden genoemd in paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van het besluit te houden.
Eén van de voorwaarden is dat hij in het bezit moest zijn van een door de Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dat bewijs niet had. Ook mogen de activiteiten alleen worden verricht in een bij de Minister aangemelde inrichting. De verdachte had de inrichting niet aangemeld.
De verdachte heeft dit feit opzettelijk begaan, doordat hij opzettelijk heeft gehandeld bij het verrichten van de activiteiten. Hij heeft de honden bewust gehouden en gefokt, terwijl hij wist dat hij geen bewijs van vakbekwaamheid had en ook wist dat hij de inrichting niet had aangemeld.
Het hof acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 10 juni 2021 te Utrecht, als houder van honden en katten en ara’s aan deze dieren de nodige verzorging heeft onthouden in zijn woning aan de [adres] , immers:
- in een verblijf in de tuin hadden 3 Ragdoll-katten beperkte ruimte voor bewegingsvrijheid en was de behuizing niet voldoende hygiënisch en was het te warm in dit verblijf en geen beschikking over vers drinkwater, en
- hadden de honden met de chipnummers [nummer 1] en [nummer 2] en [nummer 3] en [nummer 4] en [nummer 5] en [nummer 6] en [nummer 7] en [nummer 8] en [nummer 9] en [nummer 10] en [nummer 11] en [nummer 12] en [nummer 13] en [nummer 14] en [nummer 15] weinig bespiering en/of veel tandsteen en/of lange nagels en/of een vieze vacht en/of onverzorgde wonden en/of ontstoken ogen, en/of
- in de keuken werden twee rode ara’s in te kleine, sterk vervuilde vogelkooien zonder voer en zonder schoon drinkwater gehouden, en
- heeft hij aan de honden met de chipnummers [nummer 1] en [nummer 3] en [nummer 2] niet de jaarlijkse vaccinaties laten geven.
2.
hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 10 juni 2021 te Utrecht opzettelijk, honden, althans gezelschapsdieren heeft verkocht en heeft afgeleverd en ten verkoop in voorraad heeft gehouden en heeft gehouden ten behoeve van opvang en heeft gefokt ten behoeve van de verkoop en aflevering van nakomelingen, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van het Besluit houders van dieren, immers heeft hij telkens:
- in strijd met artikel 3.7 Besluit houders van dieren van genoemd besluit honden gefokt ten behoeve van de verkoop en/of afgeleverd en/of opgevangen in (een) niet, overeenkomstig artikel 3.8 van het Besluit houders van dieren bij de minister van Economische Zaken, aangemelde inrichting, en
- in strijd met artikel 3.11 Besluit houders van dieren van genoemd besluit als beheerder activiteiten verricht in een inrichting zonder in het bezit te zijn van een door Onze Minister erkend bewijs van vakbekwaamheid voor de diergroep waarmee activiteiten in de inrichting worden verricht, zulks terwijl hij van het plegen deze feiten een gewoonte heeft gemaakt.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Ten aanzien van het onder feit 1, vierde gedachtestreepje overweegt het hof, net als de rechtbank, het volgende. In de tenlastegelegde periode luidde de tekst van artikel 8.3. eerste lid van de Regeling houder van dieren als volgt: “Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder een hond inenten tegen de volgende ziekten:
a. Panovirusinfectie
b. de ziekte van Carré en
c. Hepatitis Contagiosia Canis.”
Artikel 8.3, derde lid luidde in genoemde periode als volgt: “Voor zover een hond in een inrichting verblijft, laat de beheerder de inenting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. en de benodigde herhalingsentingen tegen de in het eerste lid bedoelde ziekten plaatsvinden.”
Artikel 8.3 richt zich uitdrukkelijk tot de beheerder van een inrichting en dat zijn om die reden strafbepalende omstandigheden, zoals ook blijkt uit de toelichting bij deze regeling. Alle bestanddelen van artikel 8.3. waaronder beheerder en inrichting, dienen dan ook in de tenlastelegging vermeld te worden, hetgeen in dit geval niet is geschied. Het bewezenverklaarde kan dan ook niet gekwalificeerd worden als het strafbare feit in artikel 8.3 van de Regeling houder van dieren in verband met artikel 3.15 van het Besluit houders van dieren. Overigens valt niet zonder meer in te zien op grond van welke andere wetsbepaling een jaarlijkse verplichting tot inenting zou gelden. Anders dan met betrekking tot de verplichte inentingen als bedoeld in artikel 8.3 van de Regeling houders van dieren, zouden niet-verplichte jaarlijkse vaccinaties wellicht onder de algemene zorgplicht van artikel 1.4 van de Wet dieren begrepen kunnen worden, en dus bij het uitblijven daarvan aangemerkt moeten worden als het onthouden van de nodige verzorging. Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat de aard en strekking van die algemene zorgplicht dan ondubbelzinnig uitgelegd had moeten worden in het proces-verbaal of in een deskundigenrapport, om het schenden daarvan als een strafbaar feit aan te kunnen merken.
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, eerste, tweede en derde gedachtestreepjes en het onder 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet dieren, meermalen gepleegd.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.7, eerste lid, van de Wet dieren, opzettelijk begaan, terwijl hij daarvan een gewoonte heeft gemaakt

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 (met uitzondering van het vierde gedachtestreepje) en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden in het vonnis vervat.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen voor wat betreft de bewezenverklaring, de verdachte voor het vierde gedachtestreepje van feit 1 van alle rechtsvervolging zal ontslaan en voor het overige zal veroordelen tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarde van een houdverbod van dieren met uitzondering van de dieren die de verdachte nu in zijn bezit heeft.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het onthouden van de nodige zorg aan dieren. Hij heeft drie katten, achttien honden en twee papegaaien (ara’s) in onhygiënische en vervuilde omstandigheden gebracht en gelaten. De hokken en kooien waren vervuild en de dieren hadden veelal geen (schoon) drinkwater. Verder was er beperkte bewegingsruimte en hadden de honden een slechte lichamelijke conditie. Zo hadden vele honden weinig bespiering en/of tandsteen en/of lange nagels en/of een vieze vacht. Daarnaast heeft hij zich bezig gehouden met het bedrijfsmatig fokken van honden zonder dat hij het daarvoor vereiste bewijs van vakbekwaamheid had. Om een dergelijk bewijs te krijgen moet een fokker een opleiding volgen om op verantwoorde wijze te leren fokken. Ook moet een fokker zich registreren, zodat bij de instanties bekend is dat hij die activiteiten uitvoert en er controles kunnen plaatsvinden. Ook dit heeft de verdachte niet gedaan. De verdachte heeft met zijn handelen regels geschonden die in het leven zijn geroepen om het welzijn van dieren te beschermen.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 maart 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.
Beslag
De rechtbank heeft de inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen verbeurd verklaard.
De advocaat-generaal heeft verbeurdverklaring van die voorwerpen gevorderd.
De raadsman heeft – gelet op de bepleite vrijspraak – om teruggave verzocht.
Het onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de verdachte toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 2.2, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren en de artikelen 1.6, 1.7 en 3.6 van het Besluit houders van dieren.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar voor zover het ziet op feit 1, vierde gedachtestreepje en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.
Verklaart het overige onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot
40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
20 (twintig) dagenhechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen dieren houdt met uitzondering van de vijf honden en de vijf vogels die hij nu heeft. De veroordeelde dient binnen vier weken na onherroepelijk worden van deze veroordeling aan de advocaat-generaal de registratienummers van deze tien dieren door te geven, bij gebreke waarvan de uitzondering deze dieren te mogen houden komt te vervallen.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde meewerkt aan controle van het houdverbod onder meer door het verstrekken van gevraagde informatie en huisbezoeken door de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de politie. De veroordeelde verleent hiertoe toegang tot de woning, het erf, de tuin en de opstallen.
Deze controle kan maximaal zes keer per jaar plaatsvinden. Het hof geeft opdracht aan de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde.
Van rechtswege geldt hierbij als voorwaarde dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
6) 1 STK hond, goednummer 2837057;
7) 1 STK hond, goednummer 2837058;
8) 1 STK hond, goednummer 2837059;
9) 1 STK hond, goednummer 2837060;
10) 1 STK hond, goednummer 2837063;
11)1 STK hond, goednummer 2837064;
12) 1 STK hond, goednummer 2837065;
13) 1 STK hond, goednummer 2837066;
14) 1 STK hond, goednummer 2837078;
15) 1 STK hond, goednummer 2837079;
16) 1 STK hond, goednummer 2837081;
17) 1 STK hond, goednummer 2837083;
18) 1 STK hond, goednummer 2837086;
19) 1 STK hond, goednummer 2837090;
20) 1 STK hond, goednummer 2837093;
21) 1 STK hond, goednummer 2837095;
22) 24 STK goednummers 2837733 t/m 2842549 diverse dieren (het hof begrijpt: dierenpaspoorten).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. C. Beuze, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2026.
Mr. A.P.M. van Rijn en mr. C. Beuze zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.