Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:883

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
23-002602-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38v SrArt. 38w SrArt. 45 SrArt. 287 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag na driemaal steken slachtoffer met mes

Op 21 november 2023 heeft de verdachte in de woning van zijn ex-echtgenote te Hoorn het slachtoffer driemaal met een mes gestoken, wat heeft geleid tot ernstig, potentieel levensbedreigend letsel, waaronder een klaplong en slagaderlijke bloeding. De verdachte werd primair ten laste gelegd van poging tot doodslag, subsidiair van zwaar lichamelijk letsel en mishandeling.

De verdediging voerde vrijspraak aan wegens gebrek aan opzet en stelde noodweerexces als verweer, maar het hof verwierp deze verweren op basis van verklaringen van het slachtoffer, een getuige en een getapt telefoongesprek. Het hof stelde vast dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, waarmee sprake is van voorwaardelijk opzet.

Het hof veroordeelde de verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaren met aftrek van voorarrest en legde een contactverbod van twee jaar op. Tevens werd een schadevergoeding van €15.495 toegewezen, bestaande uit €495 materiële schade en €15.000 immateriële schade. De vordering voor toekomstige materiële schade werd niet-ontvankelijk verklaard. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en twee jaar contactverbod wegens poging tot doodslag na driemaal steken slachtoffer met mes.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002602-24
datum uitspraak: 31 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 oktober 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-308750-23 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedag 1] 1983,
thans gedetineerd in [detentieadres] .

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
17 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primairhij, op of omstreeks 21 november 2023 te Hoorn , althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, verdachte, met dat opzet, meermaals met een mes, althans een puntig voorwerp, heeft (in)gestoken in de richting van en/of op en/of tegen de (linker)schouder en/of (boven)buik(streek) en/of de borst(streek) en/of de rug (ter hoogte van de long en/of welk letsel onder andere een klaplong en/of longbloeding heeft veroorzaakt), althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiairhij, op of omstreeks 21 november 2023 te Hoorn , althans in Nederland aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten tenminste een klaplong en/of een longbloeding, heeft toegebracht door meermaals met een mes, althans een puntig voorwerp, (in) te steken op en/of tegen en/of in de (linker)schouder en/of (boven)buik(streek) en/of de borst(streek) en/of de rug (ter hoogte van de long), althans het lichaam, van die [slachtoffer] ;
meer subsidiairhij op of omstreeks 21 november 2023 te Hoorn , althans in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door meermaals met een mes, althans een puntig voorwerp, (in) te steken in de richting van en/of op en/of tegen en/of in de (linker)schouder en/of (boven)buik(streek) en/of de borst(streek) en/of de rug (ter hoogte van de long), althans het lichaam van die [slachtoffer] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten tenminste een klaplong en/of longbloeding ten gevolge heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

3.Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

4.Bewijsoverweging

4.1.
Verweer van de verdediging
De verdediging heeft het hof verzocht om behoedzaam met het in het dossier opgenomen telefoongesprek tussen de verdachte en [persoon 1] om te gaan en op basis daarvan geen concrete vaststellingen te doen. De gang van zaken waar de raadsman vanuit gaat, is dat de verdachte en de aangever op elkaar zijn afgevlogen en in een vechtpartij terecht zijn gekomen waarin de verdachte het onderspit dreigde te delven, waarna de verdachte ergens een mes vandaan heeft gegrist (van de tafel, het aanrecht of de grond) en daarmee in de richting van de aangever heeft gestoken.
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte van het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Niet bewezen kan worden dat de verdachte willens en wetens de aangever wilde doden en dus ‘vol’ opzet had op het doden van de aangever. Ook is geen sprake van voorwaardelijk opzet: weliswaar is de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever gegeven, maar niet kan worden bewezen dat de verdachte deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard, noch dat hij deze
bewustheeft aanvaard. Zwaar lichamelijk letsel kan wel bewezen worden; de verdediging refereert zich dan ook aan het oordeel van het hof ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.
4.2.
Overwegingen van het hof
4.2.1.
Betrouwbaarheid van de verklaringen
Het hof gaat bij het vaststellen van de feiten en omstandigheden uit van de verklaringen die de aangever en de getuige [getuige] op onderscheidenlijk 22 november 2023 en 21 november 2023 hebben afgelegd, nu deze verklaringen kort na het feit zijn afgelegd, elkaar inhoudelijk op belangrijke onderdelen over en weer steunen en zijn afgelegd zonder dat de aangever en de getuige met elkaar overleg hebben kunnen voeren. Ook gaat het hof uit van de verklaring van de aangever van 30 november 2023, nu deze verklaring slechts een verduidelijking betreft van zijn eerder afgelegde verklaring en daarin geen sterk afwijkende onderdelen staan. De inhoud van het telefoongesprek dat de verdachte na het incident met [persoon 1] heeft gevoerd – en waarvan de nieuwste vertaling niet door de verdachte wordt betwist – past bovendien goed bij de gang van zaken in de verklaringen van de aangever en de getuige. Als gevolg hiervan zal het hof de gang van zaken die de verdediging heeft aangedragen als ongeloofwaardig terzijde schuiven.
4.2.2.
Feiten en omstandigheden
Op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen stelt het hof, voor zover van belang, de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 21 november 2023 heeft de verdachte de woning van zijn ex-echtgenote (getuige [getuige] ) betreden en trof daar de aangever aan, die op een stoel aan de eettafel zat. Na een woordenwisseling is de verdachte kwaad geworden en heeft hij een mes uit zijn jaszak gehaald en opengeklapt. Hij is met dit mes op de aangever afgestormd en heeft hem in totaal driemaal gestoken. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is niet gebleken dat de aangever voorafgaand aan dat steken op enig moment fysiek geweld tegen de verdachte heeft gebruikt, noch dat zij toen in een vechtpartij terecht zijn gekomen. De aangever is uit de woning gevlucht en is zelf naar het ziekenhuis gereden. Daar is gebleken dat de aangever in zijn rug (ter hoogte van het linker schouderblad), in de buik (net boven de navel) en in de okselregio is gestoken, waardoor een slagaderlijke bloeding is opgetreden en de aangever veel bloed heeft verloren. Ook heeft de aangever een klaplong en letsel bij de linkerlong opgelopen. De aangever heeft (onder meer) een bloedtransfusie gekregen, is door middel van een drain behandeld aan de klaplong en is operatief in de borstkas behandeld aan de slagaderlijke bloeding ter hoogte van de linker oksel.
4.2.3.
Voorwaardelijk opzet
Niet ter discussie staat dat er een aanmerkelijke kans was dat de aangever als gevolg van de drie aangebrachte steekwonden zou kunnen komen te overlijden. Dit volgt uit de bevindingen van de forensisch arts, die overweegt dat bij een open borstwond in algemene zin sprake is van levensbedreigend letsel en dat het letsel van de aangever omschreven kan worden als zeer ernstig (
very severe). Ook heeft de arts overwogen dat in de borst- en buikregio zich belangrijke structuren bevinden zoals organen, (slag)aders en zenuwen, zodat een scherpe krachtsinwerking, zoals contact met een scherprandig/scherppuntig voorwerp, daaraan potentieel levensbedreigend letsel kan veroorzaken.
Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof van oordeel dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van de aangever bewust heeft aanvaard. Dat zich in de borst- en buikregio de hiervoor genoemde belangrijke structuren bevinden is immers algemeen bekend. Door daar driemaal in te steken – kennelijk met voldoende kracht om ernstig letsel toe te brengen – heeft de verdachte deze kans, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen, op de koop toegenomen.
Naar het oordeel van het hof is dan ook sprake van voorwaardelijk opzet, zodat het primair tenlastegelegde bewezen zal worden verklaard. De verweren worden verworpen.

5.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het
primairtenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, op 21 november 2023 te Hoorn , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, verdachte, met dat opzet, meermaals met een mes heeft gestoken in de linkerschouder en bovenbuikstreek en de borststreek en/of de rug van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

6.Bewijsmiddelen

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de navolgende bewijsmiddelen zijn vervat.
De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van17 maart 2026.Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het is juist dat ik in de avond van 21 november 2023 in de woning van mijn ex-vrouw in Hoorn ben geweest, waar ik [slachtoffer] heb gestoken, die drie steekwonden heeft opgelopen.
Een proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 88-89.Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de bevindingen van de verbalisanten, dan wel een van hen:
Op 22 november 2023 waren wij, verbalisanten, ter plaatse in het ziekenhuis bij de heer [slachtoffer] . Ik, verbalisant, vroeg aan [slachtoffer] hoe het met hem ging en ik hoorde hem het volgende verklaren: “Ik ben gestoken bij mijn linkerschouder, in mijn buik en in mijn borst, waarbij mijn long doorboord is. Zij, mijn collega, woont daar en het is haar huis. Ik zat daar gewoon. Ik had eten gehaald en ineens komt hij binnen. Hij vroeg wie ik was. Hij liep toen naar boven. Toen hij daarna terugkwam, werd hij heel boos op mij. Hij begon te schreeuwen en ruzie te maken. Ineens zie ik dat hij een mes openklapt en op mij in gaat steken. Ik heb nog met een stoel geprobeerd hem af te weren. Ik voelde dat hij mij stak met dat mes. Ik ben dat huis uitgerend en naar het ziekenhuis gereden.
Een proces-verbaal van aangifte van 30 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 36-38.Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
Ik doe aangifte van een feit gepleegd op 21 november 2023 tussen 19.00 uur en 19.15 uur. Ik heb een steekwond in mijn buik en onder mijn linker oksel en ik ben een keer in mijn rug gestoken. Kort nadat ik bij [getuige] was aangekomen kwam hij naar binnen. Hij vroeg wie ik was. Toen hoorde ik hem zeggen: “niet bij mijn kinderen” of zo. Toen liep hij naar boven. Toen kwam hij naar beneden. Ik zag dat hij een zwart mes uit zijn jaszak pakte en open klapte. Ik denk dat het lemmet ongeveer zo lang was als een pen. Ik zat nog steeds op dat moment. Toen begon hij op mij in te steken. Ik ben opgestaan. Met de stoel heb ik me verdedigd. Ik kon wonderbaarlijk naar het ziekenhuis gaan. Ik ben zelf naar het ziekenhuis gereden. Ik heb twee liter bloed verloren.
Een geschrift, te weten een medische verklaring, opgemaakt door forensisch arts [persoon 2] van 6 december 2023, doorgenummerde pagina’s 45-50.Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
U heeft mij gevraagd om medische gegevens te beoordelen van dhr. [slachtoffer] , geboren
[geboortedag 2] -1987. Er is medische informatie opgevraagd bij het [geboorteplaats 2] ziekenhuis, locatie Hoorn , met toestemming van meneer zelf. Hieronder een weergave van de relevante informatie van de correspondentie.
Meneer is op 21-11-2023 in het ziekenhuis opgenomen in verband met drie steekverwondingen.
Aard van het letsel:
Er was sprake van drie steekverwondingen aan de romp. Bij de steekwonden aan de rug (ter hoogte van het linker schouderblad) en buik (net boven de navel) was sprake van huidbeschadiging. Bij de steekwond in de okselregio was sprake van een (slagaderlijke) bloeding. Er was sprake van een klaplong links en letsel aan de linker long (kneuzing en/ of bloeding).
Bij een open borstwond is er in algemene zin sprake van levensbedreigend letsel. Na berekening van de ernst van het letsel van meneer aan de hand van de Injury Severity Score (ISS) (internationale schaal voor weergave van de ernst van letsel) was er bij het letsel van meneer was er sprake van “very severe”: ISS score 26 van 75 punten. Een scherpe krachtsinwerking, zoals contact met een scherprandig/scherppuntig voorwerp, aan de borst­en buikregio kan potentieel levensbedreigend letsel veroorzaken. In de borst- en buikregio bevinden zich belangrijke structuren zoals organen, (slag)aders en zenuwen.
De volgende behandelingen hebben plaatsgevonden:
Bloedtransfusies en vocht via het infuus; pijnstillende medicatie; behandeling van de klaplong door middel van een drain (slangetje door de borstkas waardoor lucht en/of vocht de borstkas uit kan, zodat de long ontplooit). De drain is na twee dagen verwijderd; operatieve behandeling van de (slagaderlijke) bloeding in de borstkas ter hoogte van de linker oksel, bestaande uit onderbinden van de bloedende aders.
Een proces-verbaal van verhoor getuige van 21 november 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, doorgenummerde pagina’s 117-119.Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige] :
Ik woon op de [adres] . [verdachte] en ik hebben een relatie gehad. Op 11 november 2023 rond 19.00 uur was ik boven in mijn woning en kwam [verdachte] naar boven lopen. Hij zei: kom naar beneden nu. Ik zag dat hij boos was. Ik hoorde het ook aan de toon van zijn stem. Ik vroeg [verdachte] wat er was, hij zei: kom naar beneden. Ik ben toen samen met [verdachte] naar beneden gelopen. Ik zag dat [slachtoffer] aan tafel zat. Ik zag dat [verdachte] boos was en hij verhief zijn stem. Ik zag dat [verdachte] op [slachtoffer] af stormde. [slachtoffer] zat op dat moment op de stoel. [verdachte] stond. [slachtoffer] heeft toen snel een stoel gepakt en daarmee heeft hij zich verweerd. om [verdachte] van zich af te weren. Ik zag dat [verdachte] hem dus te lijf ging. Ik ben toen snel naar boven gegaan.
Een geschrift, ingekomen bij het hof op 26 mei 2025.Dit geschrift houdt in een vertaling van een getapt telefoongesprek van 21 november 2023 om 22.25 uur met sessienummer 4, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Spreker 1: Ik heb die dochter van die hoer tien keer gezegd ‘kerel, je loopt dingen uit te vreten. Of je gaat trouwen of wat je ook gaat uitvreten; maar neem hem niet mee naar mijn kinderen’. ‘Ok, ik neem hem niet mee. Hij heeft geen contact met de kinderen. Hij ziet je kinderen niet’. Dit en dat. Ik zei ‘doe lekker wat je wil, zolang je hem maar niet bij mijn kinderen brengt’. Broer, ik ging toen naar huis en ik had zo’n voorgevoel hè. (…) Ik kwam daar en een hoerenkind zat daar gewoon te eten. Zie je, toen draaide ik verdomme helemaal door en heb ik hem in elkaar geslagen. Toen heb ik het mes vastgepakt en heb ik hem verneukt. Ik heb hem gewoon overal gestoken. Toen (…) is hij weggerend.
Aanvullende overweging:Het hof overweegt dat uit de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 22 november 2023, doorgenummerde dossierpagina’s 84-85, volgt dat ‘spreker 1’ de verdachte betreft.

7.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.

8.Strafbaarheid van de verdachte

8.1.
Verweer van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij een gerechtvaardigd beroep kan doen op noodweerexces. De verdachte en de (veel sterkere) aangever zijn in een vechtpartij terechtgekomen waarin de verdachte het onderspit dreigde te delven, waardoor sprake was van een onmiddellijke, wederrechtelijke aanranding (of van de dreiging daarvan). De reactie daarop van de verdachte staat niet in redelijke verhouding tot de ernst van die aanranding, maar dat was het gevolg van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door die aanranding.
8.2.
Oordeel van het hof
Het hof overweegt dat alleen een geslaagd beroep op noodweerexces kan worden gedaan indien sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van (in dit geval) het lijf van de verdachte. Zoals hiervoor in 4.2. is overwogen en uit de bewijsmiddelen is gebleken, is het hof van oordeel dat van een dergelijke aanranding niet is gebleken. Het was immers de verdachte die op de aangever af is gestormd en hem toen met het mes meermalen heeft gestoken en niet is gebleken dat dit is voorafgegaan door (dreiging met) geweld door de aangever. Het beroep op noodweerexces kan daarmee niet slagen en het hof verwerpt het verweer. De verdachte is strafbaar, omdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

9.Oplegging van straf

9.1.
Inleiding
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van voorarrest.
De advocaat van de benadeelde partij heeft verzocht de verdachte met toepassing van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod met de aangever op te leggen.
De verdediging heeft het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zo is de verdachte al bijna tweeënhalf jaren niet betrokken bij de opvoeding van zijn kinderen. Het opleggen van een contactverbod met [getuige] is niet gepast; voor het overige staat de verdachte niet afwijzend tegenover bijzondere voorwaarden indien die helpen om hem in vrijheid te stellen. Ook heeft de verdediging het hof verzocht rekening te houden met de context waarin deze vechtpartij heeft plaatsgevonden en het tijdsverloop in deze zaak. Concluderend heeft de verdediging verzocht de verdachte een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
9.2.
Overwegingen van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag, door de aangever meermalen met een mes te steken. De verdachte kon het kennelijk niet verkroppen dat de aangever in contact kwam met de kinderen van de verdachte en zijn ex-partner en heeft hierop met grof geweld gereageerd. Hiermee heeft de verdachte een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de aangever. Er was sprake van potentieel levensbedreigend letsel. Bovendien is gebleken dat de aangever nog veel last ondervindt van het feit: hij kan nog altijd zijn linker arm niet goed bewegen, hij heeft pijn en er zijn zichtbare littekens. Een dergelijk ernstig feit kan naar het oordeel van het hof niet anders worden afgedaan dan met de oplegging van een jarenlange onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
In de persoonlijke omstandigheden die ter terechtzitting naar voren zijn gebracht en daarnaast in de (oude) reclasseringsrapporten zijn opgetekend en in hetgeen de verdediging verder naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om de straf te matigen. In het bijzonder overweegt het hof dat met een gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan.
Het hof heeft tot slot acht geslagen op de overschrijding van de redelijke termijn gedurende dit strafproces. De verdachte heeft namelijk op 7 november 2024 hoger beroep ingesteld, waardoor dit arrest 25 dagen na de verloop van de redelijke termijn van 16 maanden wordt gewezen. Hierdoor is artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Omdat in hoger beroep nader onderzoek heeft plaatsgevonden en de overschrijding zeer beperkt is, volstaat het hof evenwel met de enkele constatering daarvan.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Tot slot zal het hof de verdachte, ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten (en de advocaat van de benadeelde partij daarom heeft verzocht), een maatregel tot beperking van de vrijheid opleggen, te weten dat de verdachte wordt bevolen zich gedurende 2 jaren te onthouden van contact met de aangever.

10.Beslag

Onder de verdachte zijn een jas en een telefoon in beslag genomen en nog niet aan hem teruggegeven. Deze voorwerpen dienen aan de verdachte te worden teruggegeven.

11.Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

11.1.
Omvang van de vordering
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.495,00, waarvan € 30.495 aan materiële schade en € 15.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van
€ 10.495,00 (€ 495,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade). De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd tot het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De vordering tot vergoeding van materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:
een trui (€ 60,00);
een t-shirt (€ 25,00);
een hemd (€ 10,00;
een motorbroek (€ 150,00);
Nike-schoenen (€ 150,00);
toekomstige materiële schade (€ 30.000,00).
11.2.
Standpunten van de partijen
De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht schadeposten a. tot en met e. geheel toe te wijzen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering ten aanzien van schadepost f. Ook is verzocht de vordering tot vergoeding van immateriële schade geheel toe te wijzen.
De verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering ten aanzien van posten a. t/m e. Deze schade is onvoldoende onderbouwd, omdat de bonnen van de kledingstukken ontbreken. Subsidiair is verzocht om de hoogte van de schadeposten onder d. en e. te matigen, nu onbekend is hoe oud deze kledingstukken zijn. De immateriële schade dient, gelet op de smartengeldgids en de [bedrijf 1] , begroot te worden op maximaal € 5.000,00.
11.3.
Oordeel van het hof
11.3.1.
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden. Doordat de benadeelde partij door de verdachte driemaal is gestoken, zijn de kledingstukken genoemd onder a. tot en met e. beschadigd geraakt, dan wel met bloed besmeurd. Nu voor de waarde van de kledingstukken geen nadere onderbouwing is gegeven, zal het hof gebruik maken van zijn schattingsbevoegdheid en de schade aan de kleding (posten a. t/m e.) begroten op een bedrag van
€ 495,00 (gelijk aan de vordering). De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Ten aanzien van de post f., de toekomstige schade, zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan de vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
11.3.2.
Immateriële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof eveneens voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde partij recht op vergoeding van immateriële schade indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van (ernstig) lichamelijk letsel – dat eerder in dit arrest reeds is genoemd – is in deze zaak ontegenzeggelijk sprake. Als gevolg daarvan lijdt de benadeelde partij nog altijd aan fysieke beperkingen: zo kan hij zijn linkerarm nog altijd niet helemaal gebruiken, lijdt hij aan pijnklachten in de steekwonden en heeft hij littekens op zijn lichaam. Ook is het hof van oordeel dat sprake is van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. Alhoewel het geestelijk letsel nauwelijks is onderbouwd, brengen de aard en ernst van de normschending mee dat ook zonder nadere onderbouwing een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Op grond van artikel 6:106 BW Pro heeft de benadeelde partij dan ook recht op een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding.
Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding van immateriële schade heeft het hof gelet op vergoedingen die in soortgelijke zaken door rechters worden toegewezen. Ook heeft het hof acht geslagen op de [bedrijf 1] (Raad voor de Rechtspraak,
[bedrijf 1], Den Haag: [bedrijf 2] 2025). Mede gelet daarop acht het hof een bedrag van € 15.000,00 billijk, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
11.3.3.
Schadevergoedingsmaatregel
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

13.BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
5 (vijf) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 3] 1987 in [geboorteplaats 3] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
  • Jas (omschrijving: PL1100-2023250705-1547972, grijs);
  • GSM (omschrijving: PL1100-2023250705-G1547987, wit, merk: Apple).
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 15.495,00 (vijftienduizend vierhonderdvijfennegentig euro) bestaande uit € 495,00 (vierhonderdvijfennegentig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.495,00 (vijftienduizend vierhonderdvijfennegentig euro) bestaande uit € 495,00 (vierhonderdvijfennegentig euro) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 102 (honderdtwee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op
21 november 2023.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de (tenuitvoerlegging van de) straf.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.E. Kleene-Krom, mr. A.R.O. Mooy en mr. A.M.M.E. Doekes - Beijnes, in tegenwoordigheid van mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 31 maart 2026.
Mr. Mooy en mr. Doekes - Beijnes zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.
=========================================================================
[…]