Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:885

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
200.356.118/01 OK
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de OndernemingsradenECLI:NL:HR:2018:725
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep ondernemingsraad tegen reorganisatieonderzoeksgroep Biomedical Engineering Erasmus MC

De ondernemingsraad van Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (Erasmus MC) heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Raad van Bestuur (RvB) tot reorganisatie en opheffing van de onderzoeksgroep Biomedical Engineering (BME) binnen de afdeling Cardiologie. De OR betoogde dat Erasmus MC niet in redelijkheid tot dit besluit had kunnen komen, onder meer vanwege onvoldoende bedrijfseconomische noodzaak, gebrek aan een meerjarenplan, onvoldoende impactanalyse en onvoldoende onderzoek naar alternatieve scenario's.

De Ondernemingskamer heeft het besluit van Erasmus MC getoetst aan de marges van redelijkheid en beleidsvrijheid. Uit het dossier blijkt dat de afdeling Cardiologie sinds 2011 structureel verlies lijdt, met een negatieve reserve die in 2019 is kwijtgescholden onder de voorwaarde van resultaatsverbetering. Ondanks maatregelen bleef het tekort groot, en de RvB heeft terecht besloten dat het tekort vanaf 2026 niet langer geaccepteerd kan worden.

De Kamer oordeelt dat Erasmus MC voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van betrokkenen, waaronder medewerkers en promovendi, en dat de impactanalyse toereikend is. Alternatieve scenario's, zoals een fusie van BME met een andere onderzoeksgroep, zijn overwogen maar niet haalbaar gebleken. De OR heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit onredelijk is. Het beroep wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van de ondernemingsraad wordt afgewezen en het besluit tot opheffing van de onderzoeksgroep Biomedical Engineering wordt bevestigd.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.356.118/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 19 maart 2026
inzake
DE ONDERNEMINGSRAAD VAN ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
VERZOEKER,
advocaat:
mr. M.V.R. Grandjean Perrenod Comtesse, kantoorhoudende te Rotterdam,
t e g e n
de publiekrechtelijke rechtspersoon
ERASMUS UNIVERSITAIR MEDISCH CENTRUM ROTTERDAM,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERDER,
advocaat:
mr. T.B. Vandeginste, kantoorhoudende te Arnhem.
Hierna zal verzoeker worden aangeduid als de OR en verweerder als Erasmus MC.

1.Inleiding

1.1
Deze zaak gaat over een besluit tot reorganisatie binnen Erasmus MC, te weten de opheffing van de onderzoeksgroep
Biomedical Engineering(BME), onderdeel van het domein onderzoek en onderwijs (O&O) van de afdeling Cardiologie. Het besluit tot deze reorganisatie is genomen na een negatief advies van de OR. Volgens de OR heeft Erasmus MC niet in redelijkheid tot dit besluit kunnen komen. De OR beoogt met deze procedure op grond van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) dat het besluit wordt ingetrokken en de gevolgen daarvan ongedaan worden gemaakt. Erasmus MC bestrijdt het betoog van de OR.

2.Het verloop van het geding

2.1
De OR heeft bij verzoekschrift van 25 juni 2025 beroep ingesteld bij de Ondernemingskamer tegen een besluit van Erasmus MC dat op 27 mei 2025 aan de OR is meegedeeld. De OR heeft de Ondernemingskamer verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
a. te oordelen dat Erasmus MC bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen;
b. te gebieden dat Erasmus MC het besluit in te trekken en alle gevolgen van dat besluit ongedaan te maken;
c. Erasmus MC te verbieden handelingen te verrichten ter uitvoering van het besluit;
d. Erasmus MC te veroordelen in de kosten van deze procedure.
2.2
In zijn verweerschrift dat op 7 oktober 2025 is ingediend, heeft Erasmus MC geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
2.3
Het verzoek is behandeld tijdens de openbare zitting van de Ondernemingskamer van 30 oktober 2025. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Beide partijen hebben voorafgaand aan de zitting een of meer aanvullende producties aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.

3.De feiten

3.1
Erasmus MC is een universitair medisch centrum, verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Erasmus MC richt zich op patiëntenzorg, wetenschappelijk onderzoek, het opleiden van medische professionals en valorisatie (het benutten van kennis uit onderzoek en innovaties). Binnen Erasmus MC bestaat er een onderscheid tussen enerzijds de zorgtaken en anderzijds O&O. Verder zijn de kernactiviteiten ondergebracht in zogeheten thema’s. Elk thema bestaat uit verschillende afdelingen. De afdeling Cardiologie maakt deel uit van het thema Thorax. Binnen de afdeling Cardiologie wordt patiëntenzorg geleverd, onderzoek gedaan, onderwijs gegeven en worden promotietrajecten begeleid. De O&O-activiteiten van de afdeling Cardiologie zijn ondergebracht in vier onderzoeksgroepen: (i) Experimentele Cardiologie (EC), (ii)
Biomedical Engineering(BME), (iii) Translationele electrofysiologie (TE) en (iv) Cardiovasculaire Epidemiologie (CE). Binnen BME zijn 39 personen werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met Erasmus MC, waarvan 16 met een vast dienstverband. Daarnaast werken er binnen BME 39 personen onbezoldigd op basis van gastvrijheidsovereenkomsten en stageovereenkomsten.
3.2
Het O&O-segment van de afdeling Cardiologie lijdt sinds 2011 verlies. Hierdoor is een negatieve reserve opgebouwd. In 2019 is de negatieve reserve (op dat moment bijna € 2 miljoen) kwijtgescholden onder de voorwaarde dat O&O Cardiologie een resultaatsverbetering zou realiseren. In september 2021 heeft de Raad van Bestuur van het Erasmus MC (de
RvB) aan het toenmalige afdelingshoofd Cardiologie toestemming gegeven voor een tekort in 2021 van € 800.000 onder de voorwaarde dat maatregelen zouden worden getroffen om dat tekort structureel te verkleinen. Op dat moment werd een tekort verwacht van € 1.200.000. Aan de afdeling Cardiologie werd de ruimte geboden om – het overschot aan – verliezen op eigen kracht om te buigen. Ook voor de jaren 2023 en 2024 werd afgesproken dat een tekort niet meer mocht bedragen dan € 800.000. De gerealiseerde O&O-cijfers van Thema Thorax en Afdeling Cardiologie als onderdeel daarvan geven over de jaren 2020-2024 het volgende beeld:
O&O
2020
2021
2022
2023
2024
Thema Thorax
- 491.000
- 1.046.000
- 1.091.000
- 147.000
- 510.000
Afdeling Cardiologie
- 463.000
- 898.000
- 1.070.000
- 676.000
- 929.000
3.3
In het voorjaar van 2024 heeft de RvB besloten om in te grijpen om de afdelingsresultaten van O&O Cardiologie te verbeteren. Op 14 maart 2024 heeft de RvB aan de afdeling O&O Cardiologie de opdracht gegeven om met ingang van 2026 een neutrale begroting te realiseren. Het afdelingshoofd Cardiologie heeft vervolgens overleg gevoerd met de leiders van de onderzoeksgroepen BME en EC, de onderzoeksgroepen die volledig drukken op het O&O-budget van de afdeling Cardiologie. In dit overleg zijn verschillende alternatieven besproken, te weten (a) een materiële kostenbesparing, (b) een kostenbesparing via natuurlijk verloop, (c) ingrijpen naar evenredigheid bij elke onderzoeksgroep (de ‘kaasschaaf’) en (d) het ingrijpen bij individuele onderzoeksgroepen. De opties (a) en (b) boden onvoldoende mogelijkheden om aan de besparingsopdracht te voldoen, ook in combinatie met de opties (c) en (d). Optie (c) zou volgens het afdelingshoofd en de groepsleiders leiden tot onderzoeksgroepen die te klein en daarmee op termijn niet levensvatbaar zouden zijn. Optie (d) zou alleen tot de gevraagde kostenreductie leiden bij opheffing van BME; opheffing van de kleinere onderzoeksgroep EC zou niet de gevraagde kostenreductie kunnen realiseren. De bevindingen uit dit overleg zijn besproken met de RvB.
3.4
Op 1 juli 2024 heeft de RvB aan het afdelingshoofd Cardiologie de opdracht gegeven om een reorganisatieplan op te stellen met als uitgangspunt de opheffing van de onderzoeksgroep BME (het
reorganisatieplan). Op 18 november 2024 heeft de RvB een voorgenomen besluit genomen tot reorganisatie van het O&O-segment van de afdeling Cardiologie overeenkomstig het reorganisatieplan.
3.5
Op 19 november 2024 heeft de RvB de OR in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen over het voorgenomen besluit. De toelichting van de RvB op het voorgenomen besluit luidt:

Voorblad ten behoeve van medezeggenschap en adviesgremia
(…)
De afdeling Cardiologie van het Erasmus MC staat voor een ingrijpende reorganisatie van haar onderzoeksactiviteiten. De afgelopen jaren (in wisselende omvang vanaf 2011) is het financiële tekort binnen het O&O-domein fors en steeds verder opgelopen, veroorzaakt door een combinatie van stijgende loonkosten, een niet-evenredig groeiende Rijksbijdrage, en een toename van vast personeelsbestand door acquisitie van incidentele externe gelden. Het is de afgelopen jaren onvoldoende gelukt om bij te sturen op dit tekort. Rekening houdend met de verwachte ontwikkelingen in de komende twee jaar, en om voldoende weerbaarheid te creëren in de begroting daarna, betekent dit dat er structureel € 1,6 miljoen moet worden bezuinigd.
Gezien de financiële realiteit is het enige scenario dat het tekort effectief vereffent en voldoende ruimte biedt om een stabiele toekomstgerichte situatie neer te zetten, het scenario waarbij de onderzoeksgroep Biomedical Engineering (BME) wordt opgeheven. Het reorganisatieplan en -proces richten zich daarom uitsluitend op de op te heffen onderzoeksgroep BME binnen de afdeling Cardiologie.
(…)
Managementsamenvatting
(…)
De kern van dit reorganisatieplan ligt in de noodzaak om financiële stabiliteit te bereiken. Dit zal leiden tot een ingrijpende wijziging, de opheffing van de afdeling Biomedical Engineering, wat een grote impact zal hebben op de afdeling Cardiologie en het Erasmus MC als geheel.
Als gevolg hiervan worden mogelijk 39 medewerkers boventallig waarvan er 16 een vast
dienstverband hebben. Bij deze 16 medewerkers is gekeken naar uitwisselbaarheid binnen het gehele reorganisatiegebied. Hiervan is echter geen sprake omdat de functies of zeer gespecialiseerd zijn of uniek binnen het reorganisatiegebied.
Financieel levert deze reorganisatie een structurele resultaatsverbetering op van € 1,35 mln. en € 0,25 mln. structurele ruimte om te investeren in het toekomst bestendig maken van het onderzoek binnen de afdeling Cardiologie. De te verwachten kosten van deze reorganisatie zullen worden opgenomen in de jaarrekening van 2024.

1.Rationale

(…)
1.3.
Mogelijke oplossingen
Materiele kostenbesparing
Er is onderzocht of de afdeling middels het besparen op materiële kosten kan voldoen aan de opdracht. In de afgelopen jaren is gebleken dat ondanks de aanhoudende tekorten in de begroting het onvoldoende is gelukt om bij te sturen op de omvang van de jaarlijkse materiële kostencomponent.
Natuurlijk verloop
Er is onderzocht of de afdeling via natuurlijk verloop financieel gezond kan worden (…). Op basis van het huidige personeelsbestand en de aanstellingsgronden is hiervan een prognose gemaakt, waaruit blijkt dat dit niet binnen afzienbare termijn leidt tot een financieel gezonde situatie. Daarmee valt dit alternatief af.
“Kaasschaaf”
Bij Experimentele Cardiologie en bij Biomedical Engineering “proportioneel” ingrijpen. Bij dit scenario worden de groepen beide te klein en niet levensvatbaar op lange termijn. Een impactanalyse laat zien dat in dit scenario circa 60% van de medewerkers van deze groepen geraakt wordt. De kritische massa in de groepen wordt te klein om duurzaam hoogwaardige wetenschappelijke output te garanderen. De groepsleiders van zowel Experimentele Cardiologie als Biomedical Engineering beamen dit. Tevens kunnen toekomstige schommelingen niet of zeer moeizaam opgevangen worden, waarmee ook na de reorganisatie toekomstige tekorten dreigen.
Ingrijpen bij Experimentele Cardiologie
Financieel: Dit is een middelgrote groep. Echter, zelfs bij volledig wegbezuinigen van deze groep zullen de opbrengsten niet genoeg zijn om tot een structureel gezonde begroting te komen en zal er elders ook moeten worden gesaneerd.
Aansluiting bij de afdeling: Er zijn samenwerkingen met klinische collegae, maar een groot deel van het onderzoek is autonoom. Doordat de groep niet gegroeid is zijn de translationele ambities van de afdeling in de koelkast komen te staan. De potentie is hoog gezien de thematiek van de researchlijnen op o.a. de deelgebieden congenitale hartziekten, hartfalen, structureel hartlijden en cardio-oncologie, welke zouden kunnen profiteren van translationele ondersteuning.
Ingrijpen bij Biomedical Engineering
Financieel: Deze groep is de laatste jaren gegroeid door met het succesvol binnenhalen van grote onderzoeksbeurzen. Paradoxaal is hierdoor de formatie uit de pas gaan lopen met de financiële grondslag. Bij bezuinigingen op deze groep ligt er een scenario waarmee de opdracht is in te lossen.
Aansluiting bij de afdeling: Er zijn samenwerkingen met klinische collegae, maar een groot deel van het onderzoek is autonoom. Het echo-onderzoek in de klinische afdeling staat al jaren op een laag pitje. Onderzoek naar Cardiovasculaire infecties is in opkomst. De groep heeft een sterke samenwerking met de TU Delft, maar er is (helaas) geen structurele bijdrage vanuit de Convergence gelden. Ook is het onderzoek van deze groep niet gekwalificeerd als ‘flagship’. Dit was een open, peer reviewed call waar de hoogst scorende 10 groepen geld voor 5 jaar krijgen.
Ingrijpen bij Klinische epidemiologie
Financieel: Dit is een relatief kleine groep, en het grootste deel van de kosten wordt niet gedekt vanuit de eerste geldstroom begroting O&O. Het deel wat er wel op staat (trialbureau medewerkers) verdienen zichzelf terug, zodat dit onderaan de streep niet bijdraagt aan het tekort. De opbrengsten zijn hiermee zo laag dat het niet redelijkerwijs bijdraagt aan de gestelde opdracht. Bovendien leidt saneren in deze groep de facto tot opheffen van de groep, gezien de nu al zeer kleine kritische massa.
Aansluiting bij de afdeling: Veel dwarsverbanden, onder andere op gebied van congenitale en hartfalen, en interventie-onderzoek. Het trialbureau is essentieel voor al het klinische onderzoek. Hiernaast levert de klinische epidemiologie ook een aanzienlijke onderwijs inspanning.
Ingrijpen bij Translationele Electrofysiologie
Financieel: Dit is een relatief kleine groep die niet wordt gedekt vanuit de eerste geldstroom begroting O&O. Er is de laatste jaren een aanzienlijke groei in tijdelijk personeel door het succesvol binnenhalen van grote onderzoeksbeurzen. Bij bezuinigingen op deze groep is er echter geen effect op de eerste geldstroom in de O&O begroting.
Aansluiting bij de afdeling: De groep heeft een beperkt aantal samenwerkingen met de klinische cardiologie. In een separaat traject wordt hieraan gewerkt.
1.4
Oplossingsrichting
De opdracht van de Raad van Bestuur is primair financieel van aard.
Opheffen van de Experimentele Cardiologie (EC) zal niet leiden tot volledige inlossing van het tekort en zal een aanvullende bezuiniging noodzakelijk maken van circa € 0,5 miljoen bij Biomedical Engineering.
Gezien de financiële realiteit is het enige scenario dat het tekort effectief vereffent en voldoende ruimte biedt om een stabiele toekomstgerichte situatie neer te zetten, het scenario waarbij de Biomedical Engineering (BME) wordt opgeheven. Gezien de opbouw van de groep, met een aanzienlijk contingent aan mid-career UD’s en UHD’s is ook te verwachten dat hier de grootste stijging van kosten op middellange termijn zal ontstaan, wat het huidige financiële probleem zou verergeren. Bij het in stand houden van deze groep is er ook geen enkele ruimte voor andere O&O activiteiten/onderzoekslijnen.
Opheffen van andere (kleine) groepen (…) zal niet bijdragen aan de oplossing van het financiële probleem, omdat die op de andere geldstroom staan en ze veel kleiner zijn qua volume.
(…)
4 Personele consequenties
4.1
Generieke uitgangspunten
De personele consequenties kennen de volgende uitgangspunten:
1. Promovendi worden zo goed mogelijk begeleid om hun promotietraject af te ronden, ongeacht of zij extern of (deels) via de eerste geldstroom worden gefinancierd. Er zal worden afgestemd of en hoe de promotie af te ronden, met welke begeleiding en faciliteiten. Per individuele promovendus zal dit per brief worden bevestigd. Hiermee wil het Erasmus MC tegemoetkomen aan de verplichtingen ten aanzien van de opleidingstrajecten en subsidiegevers. Het merendeel van deze promotietrajecten wordt extern gefinancierd. Echter kan het Erasmus MC geen zekerheid geven of dit daadwerkelijk mogelijk is. Het betreft hier een inspanningsverplichting. Van de 17 promovendi, promoveren er volgens planning nog 10 voor de ingangsdatum van de reorganisatie.
2. Extern gefinancierde onderzoeksprojecten: Het uitgangspunt is dat extern gefinancierde onderzoeksprojecten indien mogelijk worden afgerond en niet tussentijds worden gestopt. Hiermee wordt indien mogelijk aan de verplichtingen richting de subsidiegevers voldaan.
Uit de inventarisatie die heeft plaats gevonden in juli 2024 komt naar voren dat 5 projecten volgens planning doorlopen na 1 januari 2026. Als vervolgstap hierop zal met de projectleiders van de lopende onderzoeksprojecten gesproken worden om de mogelijke gevolgen van de voorgenomen reorganisatie, en eventuele kansen en risico’s voor deze projecten in kaart te brengen. Afhankelijk van de uitkomsten hiervan zal worden besloten welke projecten kunnen worden afgemaakt en voor welke projecten eventueel een andere oplossing moet worden gevonden.
(…)
Overige functies
Voor de overige functies geldt dat voor de betreffende medewerkers een herplaatsingstraject gevolgd zal worden conform het SBK [Sociaal Beleidskader – OK].”
3.6
In het kader van de adviesaanvraag heeft de OR meermalen vragen gesteld aan de RvB en om aanvullende informatie gevraagd, waarop door de RvB is gereageerd. Ook is het reorganisatieplan besproken in de overlegvergadering van 4 maart 2025.
3.7
Bij e-mail van 12 maart 2025 heeft de OR aanvullende vragen gesteld. Daarin schrijft hij onder meer dat in 2023 is afgesproken om binnen twee jaar tot een budgetneutrale situatie te komen. Vervolgens zou een evaluatie plaatsvinden. De OR vraagt de RvB om het uitgewerkte meerjarenplan, de uitvoering daarvan en een evaluatie. Verder wijst de OR op een door de medewerkers aangedragen alternatief voor het reorganisatieplan. Dat plan komt kort gezegd erop neer dat een onderzoeksstrategie wordt bepaald op basis waarvan vervolgens kan worden vastgesteld welke onderzoekslijnen binnen BME en EC dienstig aan de strategie zijn en welke onderzoekslijnen zullen moeten verdwijnen; vervolgens kunnen BME en EC worden samengevoegd. Volgens de OR zou dit alternatieve plan eveneens tot kostenreductie kunnen leiden.
3.8
In een (ongedateerd) antwoord heeft de RvB geschreven dat er geen uitgewerkt meerjarenplan is maar wel een lijst met mogelijke maatregelen. Op basis van die lijst zijn in 2023 verschillende maatregelen getroffen, met een daling van het tekort tot gevolg. Volgens de RvB is het niet gelukt om de maatregelen voldoende effect te laten sorteren. Omdat er geen uitzicht bestond dat de beoogde besparingen zouden worden gehaald, heeft de RvB aan het afdelingshoofd de opdracht gegeven om in 2026 een 0-begroting in te dienen. Het alternatieve plan van de betrokken medewerkers is wel overwogen maar niet uitgewerkt. Volgens de RvB zouden de uitkomsten voor het personeel per saldo vergelijkbaar zijn. De raakvlakken tussen de onderzoeksgroepen BME en EC zijn beperkt. Een fusie tussen twee onderzoeksgroepen zou bovendien enkele jaren vergen, terwijl het tijdens de fusie lastig zal zijn subsidies aan te vragen zo lang niet kan worden gegarandeerd dat projecten ook werkelijk zullen worden uitgevoerd. Het tekort zou daarom gedurende het fusieproces snel oplopen, aldus de RvB.
3.9
De OR heeft op 3 april 2025 negatief geadviseerd. In het advies schrijft de OR onder meer:
“De ondernemingsraad begrijpt goed dat het Erasmus MC financieel gezond moet blijven en voldoende weerbaar moet zijn voor toekomstige financiële uitdagingen. Met het Reorganisatieplan en de nadien verstrekte informatie heeft u echter onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat financiële meerjarenverwachtingen (opbrengsten en uitgaven) voor het Erasmus MC zijn, wat de omvang is van de totale bezuiniging waartoe het Erasmus MC volgens u genoodzaakt is, binnen welke termijn die bezuiniging moet worden gerealiseerd, en welke maatregelen er allemaal overwogen zijn of beoogd worden om die bezuiniging te realiseren. Hierdoor heeft de ondernemingsraad niet kunnen vaststellen dat het op korte termijn opheffen van BME binnen dit grotere financiële kader daadwerkelijk nodig is en geen enkel minder ingrijpend alternatief kent. Kortom, de bedrijfseconomische noodzaak voor deze reorganisatie staat onvoldoende vast.
Daar komt bij dat u onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom het nu opeens noodzakelijk is dat het O&O-domein van de afdeling Cardiologie op zeer korte termijn een neutrale begroting realiseert. Als gezegd, is er volgens het Reorganisatieplan al sinds 2011 sprake van een financieel tekort binnen het O&O-domein. Uit de ontvangen documenten is af te leiden dat de Raad van Bestuur tot recente datum een begroot tekort heeft geaccepteerd. Uit de verslagen van de tertiaalgesprekken en control-adviezen is namelijk af te leiden de Raad van Bestuur voor de boekjaren 2021 tot en met 2024 een tekort toestond van € 800.000.
Op enig moment (…) heeft de Raad van Bestuur besloten dat het O&O-domein van de afdeling Cardiologie in een situatie moest worden gebracht waarin er structureel geen tekort meer zou bestaan. Zeker wanneer tekorten tot dan toe jarenlang waren toegestaan, mag van de Raad van Bestuur worden verwacht dat zij zorgt voor de totstandkoming van een goed uitgewerkt (meerjaren)plan met realistische tijdslijnen om dat doel te bereiken. Daarin is de Raad van Bestuur volgens de ondernemingsraad tekortgeschoten. U heeft ons immers desgevraagd op 13 maart 2025 gemeld dat zo'n plan niet is opgesteld, ook al wordt er in dossierstukken duidelijk gewag van gemaakt. Wel zouden er volgens u in maart 2023 een lijst met mogelijke maatregelen zijn besproken tussen [de CFO van de RvB] en het afdelingshoofd van Cardiologie, en zijn er volgens u in 2023 ook daadwerkelijk diverse maatregelen genomen om het tekort voor 2023 te beperken tot maximaal € 800.000. We lezen in uw antwoord van 13 maart 2025 terug dat die financiële doelstelling voor dat boekjaar min of meer is bereikt.
Tegen deze achtergrond, waarbij tekorten in de begroting jarenlang zijn geaccepteerd en er in 2023 alleen maatregelen voor het boekjaar 2023 zijn genomen, die nota bene doeltreffend zijn geweest, en er nooit een (meerjaren)plan is ontwikkeld om toe te werken naar een structurele neutrale begroting voor het O&O-domein van de afdeling Cardiologie, is de ondernemingsraad van mening dat de Raad van Bestuur onvoldoende in het werk heeft gesteld om het tekort structureel bij te sturen. (…)
BME gaat volgens u financieel gebukt onder de gevolgen van haar eigen succes: door het succesvol binnenhalen van grote onderzoeksbeurzen is de formatie uit de pas gaan lopen met de financiële grondslag. Het is een wrange constatering en uit niets blijkt dat geprobeerd is deze situatie te voorkomen. Als je weet dat succes ertoe leidt dat mensen een vast dienstverband krijgen en dat dit op langere termijn een zodanig groot financieel probleem kan vormen dat de banen van medewerkers en zelfs het hele voortbestaan van BME op de tocht komt te staan, dan verwacht de ondernemingsraad dat tijdig beleid wordt ontwikkeld om deze situatie te voorkomen.
Verder heeft de ondernemingsraad van u begrepen dat er dertien afdelingen zijn die verlies leiden in het O&O domein en voor 2025 een negatief resultaat hebben begroot. Zij hebben plannen mogen indienen om uiterlijk in 2027 (dus niet al per 1 januari 2026) een neutrale begroting te bereiken. Deze mogelijkheid is niet geboden aan de afdeling Cardiologie omdat u vindt dat het financiële tekort daarvoor te groot is en al te lang bestaat, en omdat u er geen vertrouwen in heeft dat dit tekort kan worden ingelopen, anders dan door reorganisatie. De ondernemingsraad acht het onredelijk dat de afdeling Cardiologie hiermee in een uitzonderingspositie is gebracht. (…)
Het is niet gebleken dat de Raad van Bestuur alle van belang zijnde gevolgen van zijn voorgenomen reorganisatiebesluit duidelijk in kaart heeft gebracht en afgewogen. (…) Tijdens het adviestraject hebben wij u gevraagd om een volledige impactanalyse. Die impactanalyse hebben wij niet gekregen. (…)
De ondernemingsraad constateert dat u in hoofdstuk 1.3 van het Reorganisatieplan een aantal alternatieve scenario's vermeldt. De redenen waarmee u die alternatieven ongeschikt verklaart acht de ondernemingsraad onvoldoende toegelicht.”
3.1
Bij besluit van 19 mei – dat op 27 mei 2025 aan de OR is bekendgemaakt – heeft de RvB van het Erasmus MC besloten dat de afdeling Cardiologie van het Erasmus MC per 1 september 2025 zal worden gereorganiseerd op de wijze zoals beschreven in het voorgenomen besluit tot vaststelling van het reorganisatieplan van 18 november 2024. In de toelichting op het besluit staat onder meer het volgende:
“De OR is bekend met de Meerjarenbegroting Erasmus MC 2023-2050 ('MJB') en heeft
daar positief over geadviseerd. In de MJB wordt het (te) beperkte rendement van O&O op meerdere plaatsen benoemd, mede in het licht van de door het Erasmus MC benodigde investeringen. Een van de uitgangspunten in de MJB is een verbetering van de financiële marge van de O&O organisatie (…). De OR heeft in zijn positieve advies over de MJB aan de RvB geadviseerd om de maatregelen te treffen die noodzakelijk waren om het perspectief te bieden dat de MJB ook op langere termijn geborgd zou worden. Daarbij heeft de OR ook zijn zorg uitgesproken of haalbaar zou zijn dat de O&O organisatie zou ingroeien naar een langjarig resultaat van € 9 mln per jaar.
De RvB is van mening dat de OR, met het positieve advies over de MJB, de bedrijfseconomische noodzaak heeft onderkend om de financiële marge van de O&O organisatie te verbeteren. De OR heeft de RvB ook geadviseerd om de maatregelen te treffen die nodig waren om ervoor te zorgen dat de MJB ook meerjarig geborgd zou kunnen worden. Het voorgenomen besluit is in lijn is met de uitgangspunten van de MJB en de daarin genoemde bedrijfseconomische noodzaak om de financiële situatie van de O&O organisatie te verbeteren. Naar het oordeel van de RvB stelt de OR dan ook ten onrechte deze bedrijfseconomische noodzaak ter discussie. (…)
De afdeling Cardiologie wordt, anders dan de OR veronderstelt, met het voorgenomen
Besluit niet in een uitzonderingspositie gebracht. Bij een aantal van de in Tabel II opgenomen afdelingen zijn (ingrijpende) maatregelen getroffen om de negatieve financiële resultaten structureel te verbeteren. Bij de afdelingen met het hoogste negatieve resultaat zijn in januari 2025 reorganisaties doorgevoerd (Moleculaire Genetica), of is de afdeling opgeheven (Celbiologie en Biochemie). (…)
De verslagen van tertiaalgesprekken bevestigen dat de begroting Cardiologie O&O al lange tijd onderwerp is van gesprek, waarbij de noodzaak tot het nemen van maatregelen ook is besproken en er ook al maatregelen zijn genomen. (…) Het voorgaande bevestigt ook dat de RvB een structureel tekort bij de afdeling Cardiologie niet heeft geaccepteerd. (…) De RvB heeft met het afdelingshoofd meerdere jaren gesproken over de structurele tekorten en de noodzaak om deze om te buigen. Daarbij is de noodzaak van deze ombuiging in de loop der jaren steeds nadrukkelijker besproken. (…) Toen in 2024 duidelijk werd dat die verbetering met die maatregelen niet gerealiseerd werd en daarop ook geen perspectief geboden kon worden, heeft de RvB ingegrepen. De RvB is juist van mening dat aan de afdeling Cardiologie heel lang gelegenheid is geboden om het negatieve exploitatieresultaat om te buigen. Er is in de loop van de jaren veel begrip en geduld getoond. Het is echter – ook vanuit de MJB – niet acceptabel dat de structurele exploitatietekorten bij de afdeling cardiologie blijven bestaan. Een harde ingreep was en is daarmee onvermijdelijk. (…)
[D]e RvB [heeft] met het afdelingshoofd Cardiologie medio 2023 intensief (…) gesproken over de tekorten bij de afdeling Cardiologie O&O en de noodzaak om die tekorten binnen 2 jaar om te buigen. Enkel uit coulance werd voor de jaren 2023 en 2024 nog een tekort van € 800.000,- geaccepteerd. De coulance vanuit de RvB voor de hoge tekorten bij cardiologie O&O was daarmee echter opgesoupeerd, zoals de RvB ook heeft meegedeeld aan het afdelingshoofd. De RvB heeft in de gesprekken met het afdelingshoofd ook expliciet de vrijheid voorbehouden om eerder in te grijpen bij de afdeling Cardiologie als het perspectief op een ombuiging van het exploitatieresultaat binnen die periode van 2 jaar niet zichtbaar zou worden. (…)
De RvB heeft in de loop van 2024, in overleg met het afdelingshoofd, moeten vaststellen dat met de op dat moment lopende maatregelen er geen perspectief bestond op een verbetering van het exploitatieresultaat in 2025 voor de afdeling Cardiologie. Laat staan een perspectief naar een neutrale begroting in 2025. Over 2024 realiseerde cardiologie O&O een resultaat van minus € 906.000,-. Het resultaat over 2024 was daarmee nog slechter dan voorzien. Van enige ombuiging van het resultaat was geen sprake. Het afdelingshoofd kon de RvB ook geen perspectief bieden dat dit resultaat zonder ingrijpende maatregelen wel naar een neutrale begroting omgebogen zou kunnen worden. Ook niet binnen de twee jaar die in het voorjaar 2023 was afgesproken. Daarmee kwamen de harde/stevige maatregelen, die ook door Finance & Control waren geadviseerd, in beeld. (…)
Het feit dat de RvB een aantal jaren een negatief exploitatieresultaat heeft geaccepteerd, betekende niet dat de RvB daarmee ook accepteerde dat dit negatieve exploitatieresultaat structureel zou blijven. Uit de hiervoor geciteerde passages blijkt dat de RvB al lange tijd aandringt op verbetering van het exploitatieresultaat. De RvB wijst erop dat het negatieve resultaat van cardiologie O&O ook al voor 2020 onderwerp van gesprek is geweest met de afdeling Cardiologie. Zoals ook uit het voorgenomen Besluit blijkt is er sinds ongeveer 2012 sprake van een mismatch tussen de kosten van Cardiologie O&O en de Rijksbijdrage als gevolg waarvan aanzienlijke negatieve reserve werd opgebouwd. In 2019 is besloten om die opgebouwde negatieve reserve eenmalig te vereffenen, met als voorwaarde dat de afdeling zich zou inzetten om negatieve resultaten te voorkomen c.q. te beperken. (…)
De afdeling Cardiologie heeft ook meerdere jaren de gelegenheid gekregen om met een
aantal maatregelen zelf te komen tot die verbetering. In het kader van die te nemen maatregelen heeft de RvB de afdeling Cardiologie ook destijds al gewezen op de noodzaak om te sturen op de bezetting en de vaste dienstverbanden. Het was de verantwoordelijkheid van de afdeling Cardiologie om de daarvoor passende maatregelen te treffen. De RvB kan enkel vaststellen dat de afdeling Cardiologie niet in staat is geweest om met de getroffen maatregelen de noodzakelijke ombuiging van het exploitatieresultaat te realiseren.
Toen in 2024 duidelijk werd dat die verbetering met die maatregelen niet gerealiseerd
werd en daarop ook geen perspectief geboden kon worden, heeft de RvB ingegrepen. (…) De RvB is op grond van het voorgaande ook van oordeel dat in redelijkheid niet van de RvB gevraagd kan worden om de afdeling Cardiologie opnieuw meerdere jaren de gelegenheid te bieden om naar een neutrale begroting te werken, zoals de OR adviseert. De afdeling Cardiologie heeft die gelegenheid reeds meerdere jaren gekregen. (…)
In tegenstelling tot wat de OR stelt in het Advies is er wel degelijk een impactanalyse uitgevoerd. Daarbij zijn de te verwachten gevolgen voor onderzoek en onderwijs in kaart gebracht. De RvB verwijst naar het antwoord op vraag 2 zoals opgenomen in het document “QA reorganisatie BME voor OR” en het document “Vragen en suggesties medewerkers reorganisatie Cardiologie”. Deze documenten zijn aan de OR verstrekt in het kader van de Adviesaanvraag. De uitgevoerde impactanalyse is minder uitgebreid dan de OR adviseert. De RvB is echter van oordeel dat de uitgevoerde impactanalyse voldoende is om in redelijkheid tot het Besluit te kunnen komen. (…)
In het voorgenomen Besluit zijn in paragraaf 1.3 mogelijke oplossingen geanalyseerd om te komen tot een neutrale begroting voor de afdeling cardiologie O&O. Feit is dat het grootste deel van de kosten is gelegen in personeelskosten. Zonder reductie in de personeelskosten is een neutrale begroting niet realiseerbaar. De afdeling Cardiologie heeft de afgelopen jaren maatregelen getroffen ten aanzien van de materiële kosten. Het afdelingshoofd heeft meegedeeld dat daarin inmiddels de ondergrens is bereikt, hetgeen ook wordt onderschreven door de medewerkers zelf (inclusief de medewerkers van de onderzoeksgroep BME). Daarmee is, ook naar het oordeel van de RvB, een personele ingreep onvermijdelijk geworden. (…)
De impactanalyse laat zien dat het voorgenomen besluit (scenario 1) inhoudelijk en strategisch de meest verantwoorde keuze is. De alternatieve scenario's, hoe sympathiek ook bedoeld, leiden in de praktijk tot grotere kwetsbaarheid, organisatorische versnippering en verlies aan wetenschappelijke kracht. (…) Voor de RvB is bij het voorgaande ook van belang dat het door de OR genoemde alternatieve scenario niet tot gevolg heeft dat de personele gevolgen worden beperkt. Die personele gevolgen, in de zin van medewerkers die boventallig zullen worden, zijn in de beide scenario's gelijk. Het door de OR genoemde alternatieve scenario heeft, voor wat betreft de personele consequenties, enkel tot gevolg dat andere medewerkers met die consequenties worden geconfronteerd.”

4.De gronden van de beslissing

4.1
De OR heeft aan zijn beroep ten grondslag gelegd dat het Erasmus MC bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De gronden betreffen – kort gezegd – de volgende onderwerpen:
a.
Bedrijfseconomische noodzaak. Volgens de OR is de bedrijfseconomische oorzaak onvoldoende gebleken. De afdeling Cardiologie als geheel heeft een structureel overschot waarmee het O&O-tekort kan worden opgevangen. Erasmus MC als geheel heeft bovendien een positief resultaat geboekt, terwijl de omzetmarge van Erasmus MC in lijn is met de meerjarenbegroting. Diezelfde meerjarenbegroting geeft geen inzicht in de bezuinigingsopdracht. De OR wijst er verder op dat bij andere O&O-domeinen met grote tekorten niet wordt ingegrepen, terwijl niet inzichtelijk wordt gemaakt waarom de tekorten bij andere O&O-domeinen kennelijk wel acceptabel zijn.
b.
Ongelijke behandeling. Naar eigen zeggen heeft Erasmus MC dertien O&O-afdelingen met een negatief begroot resultaat in 2025 verzocht plannen in te dienen voor een neutrale begroting in 2027. De afdeling Cardiologie moet dat resultaat al per 2026 behalen, waarmee deze afdeling zonder rechtvaardiging ongelijk wordt behandeld, dit terwijl verschillende andere O&O-afdelingen ook al jarenlang verlies maken.
c.
Geen meerjarenverbeterplan/noodzaak tot personeelsreductie.Van de RvB mocht worden verwacht dat hij zorgt voor een goed meerjarenplan met realistische tijdslijnen. In oktober 2022 is volgens de OR afgesproken dat in de eerste helft van 2023 een meerjarenplan zou worden vastgesteld. Afgezien van maatregelen voor het boekjaar 2023 is dit plan nooit opgesteld, terwijl ook de afgesproken evaluatie is uitgebleven.
Verder vestigt de OR er de aandacht op dat de formatie van BME door het binnenhalen van grote onderzoeksbeurzen uit de pas is gaan lopen met de financiële grondslag. Het werkelijke probleem is dat het financieringsmodel van Erasmus MC niet overweg kan met het succes van BME.
d.
Onvoldoende inzichtelijk hoe reorganisatie past binnen strategie Erasmus MC. De OR vestigt er de aandacht op dat Erasmus MC zijn strategie iedere vijf jaar vastlegt in een visiedocument. Onder verwijzing naar verschillende passages uit het visiedocument 2024-2048 en uit de onderzoeksstrategie 2023-2029 betoogt de OR dat BME goed past binnen die strategische kaders. De multidisciplinaire onderzoeksgroep BME begeeft zich op het snijvlak van natuurkunde, technologie, biologie en geneeskunde en werkt daarbij samen met TU Delft. De onderzoeksgroep ontwikkelt technologie die inzicht geeft in hart- en vaatziekten en die de diagnose en behandeling ervan verbetert. BME is productief, kwalitatief succesvol en geniet internationaal een uitstekende reputatie, zo betoogt de OR onder overlegging van een groot aantal adhesieverklaringen van onderzoekers uit binnen- en buitenland. Erasmus MC heeft hier niets tegenovergesteld, anders dan dat de opdracht van de RvB financieel van aard is. Volgens de OR is onvoldoende inzichtelijk hoe de reorganisatie past binnen de visie en het strategische beleid van Erasmus MC.
e.
Impactanalyse (belangenafweging) ontbreekt. Volgens de OR is onvoldoende inzichtelijk hoe het besluit zich verhoudt tot het belang van behoud van technologische kennis en innovatiekracht. De opheffing van BME zal wel degelijk gevolgen hebben, intern en voor de samenwerking met TU Delft en andere externe partners. Deze gevolgen zijn onvoldoende meegewogen. Ook wijst de OR op aansprakelijkheids- en reputatierisico’s. De belangen van werknemers zijn onvoldoende meegewogen. Daartoe behoren in het bijzonder die van promovendi die mogelijk niet allen hun onderzoek zullen kunnen voltooien.
f.
Alternatieve scenario’s onvoldoende onderzocht. De OR wijst op het aangedragen alternatief om MBE en EC in afgeslankte vorm samen te voegen (door de OR aangeduid als het fusieplan). Verder wijst de OR op het plan om (een deel van) de reorganisatievoorziening van € 5,4 miljoen te gebruiken om BME om te vormen tot een aparte afdeling met een kleiner budget uit de eerste geldstroom, aangevuld met zelf te genereren gelden (het verzelfstandigingsplan). Beide alternatieven zijn nooit serieus onderzocht, terwijl het verzelfstandigingsplan ten onrechte is beschouwd als de kaasschaafmethode.
4.2
Het Erasmus MC heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Ondernemingskamer zal hieronder waar nodig op dit verweer ingaan.
4.3
Bij de beoordeling van het verzoek stelt de Ondernemingskamer voorop dat Erasmus MC is gehouden om bij zijn besluitvormingsproces alle kenbare betrokken gerechtvaardigde belangen te betrekken. De OR kan uitsluitend beroep tegen het besluit instellen op de grond dat Erasmus MC bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen. Het betreft hier een door de Ondernemingskamer te verrichten ‘marginale’ toetsing van de besluitvorming. De Ondernemingskamer gaat slechts na of Erasmus MC bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Zij laat daarbij aan Erasmus MC beleidsvrijheid (vgl. ECLI:NL:HR:2018:725,
Holland Casino).
4.4
In het besluit is Erasmus MC uitvoerig ingegaan op de bedrijfseconomische noodzaak om na vele jaren te komen tot een sluitende begroting van O&O Cardiologie. Daarbij is toegelicht dat O&O Cardiologie sinds 2011 verlies lijdt en dat de hierdoor gevormde negatieve reserve in 2019 is kwijtgescholden onder de voorwaarde dat O&O Cardiologie een resultaatsverbetering zou realiseren. Uit het stellen van die voorwaarde volgt dan ook dat Erasmus MC de tekorten bij O&O Cardiologie niet heeft geaccepteerd. Uit de gerealiseerde cijfers sinds 2020 blijkt dat die voorwaarde niet is vervuld: in de jaren 2020-2022 bestond het tekort van O&O Thorax grotendeels uit het tekort van O&O Cardiologie, terwijl het tekort van O&O Cardiologie in 2023 en 2024 zelfs groter was dan dat van O&O Thorax als geheel (3.2). De afspraak dat het tekort in 2023 en 2024 niet meer dan € 800.000 mocht bedragen werd in 2024 niet gehaald: het tekort bedroeg toen € 906.000 (€ 929.000 indien compensatie voor stagiaires wordt meegerekend).
4.5
Het behoort tot de beleidsvrijheid van Erasmus MC om de structurele verliezen van O&O Cardiologie met ingang van 2026 niet langer te accepteren. Dat wordt niet anders indien in aanmerking wordt genomen dat ook op andere O&O-afdelingen verliezen worden geleden, dat de afdeling Cardiologie als geheel een overschot genereert of dat Erasmus MC als geheel in de pas loopt met de meerjarenbegroting. Ook de omstandigheid dat BME kwalitatief uitstekend onderzoek verricht dat past in de strategie van Erasmus MC (waaronder de samenwerking met TU Delft) en dat in binnen- en buitenland erkenning verdient kan niet afdoen aan de beleidsvrijheid van Erasmus MC. Hetzelfde geldt voor het op zichzelf wrange gegeven dat juist het behalen van onderzoeksbeurzen en -subsidies heeft bijgedragen aan de tekorten doordat tijdelijk aangestelde onderzoekers na verloop van tijd een vaste aanstelling kregen. Daarbij moet worden bedacht dat, zoals Erasmus MC heeft aangevoerd, meermalen is gesproken over maatregelen om dit gevolg te voorkomen. Zo is in het kader van de begroting van 2023 aan de afdelingshoofden als richtlijn meegegeven dat vooralsnog geen contracten mochten worden verlengd die zouden leiden tot een vast dienstverband.
De stelling van de OR dat de RvB heeft verzuimd een goed meerjarenplan met realistische tijdslijnen op te stellen om het negatieve resultaat van het O&O-segment van de afdeling cardiologie om te buigen, sluit niet aan bij de geldende verdeling van taken en bevoegdheden binnen Erasmus MC. Voor het opstellen van een dergelijk plan is niet de RvB, maar het afdelingshoofd verantwoordelijk. De RvB heeft daarover ook geen misverstand laten bestaan en heeft het afdelingshoofd ook in de gelegenheid gesteld een dergelijk plan op te stellen (zie 3.2-3.4). Anders dan de OR meent, kan ook niet worden gezegd dat de RvB er onvoldoende op heeft toegezien dat een plan voor het ombuigen van het negatieve resultaat tot stand zou komen.
Na de lange voorgeschiedenis mocht het Erasmus MC in redelijkheid van O&O Cardiologie vergen het tekort in 2026 weg te werken met een neutrale begroting. Erasmus MC heeft uiteengezet dat de strategie erop is gericht te investeren in een nieuwe researchtoren ten behoeve van het O&O-segment en dat daaraan (financiële) prioriteit moet worden gegeven. Ook indien wordt meegewogen dat de activiteiten van BME op zichzelf eveneens stroken met de strategie van Erasmus MC, valt het besluit van Erasmus MC dat het tekort in 2026 moet worden weggewerkt, binnen zijn beleidsvrijheid.
4.6
Op het voorgaande stuiten de beroepsgronden
a,
b,
c, en
daf.
4.7
Blijkens het besluit heeft de RvB de impact van verschillende aspecten van de reorganisatie in zijn afweging betrokken. Zo is onderkend dat de onderzoeksgroep BME op zichzelf goed onderzoek verricht en een goede reputatie geniet en dat het functioneren van de groep op zichzelf geen reden voor opheffing is. Weliswaar is BME verweven met het Erasmus MC in de breedte (de klinische afdeling), maar de onderzoeksgroep opereert autonomer dan andere onderzoeksgroepen. Ook is meegewogen dat de opheffing van de onderzoeksgroep gevolgen zal hebben voor de samenwerking met externe partners, waaronder TU Delft, maar dat van aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico’s niet is gebleken.
In het besluit worden de ingrijpende gevolgen van de reorganisatie voor BME-medewerkers onderkend. Erasmus MC zet zich in om zoveel mogelijk medewerkers te herplaatsen conform de verplichtingen uit het Sociaal Beleidskader. De ingrijpende gevolgen strekken zich mede uit tot promovendi. In het besluit is bijzondere aandacht uitgegaan naar zes promovendi die na 1 januari 2026 nog een tijdelijke aanstelling hebben en waarvan er vijf onderzoek verrichten op basis van extern gefinancierde projecten. Erasmus MC zal zich inspannen om te komen tot afspraken over voortzetting van deze projecten, zo wordt toegezegd in het besluit. Daarin wordt ook verwezen naar een eerdere reorganisatie bij Biomedische Wetenschappen waar alle promotietrajecten konden worden afgerond, dit terwijl het bij Biomedische Wetenschappen ging om een groter aantal promovendi. Ook op zitting is de positie van promovendi besproken. Namens Erasmus MC heeft de CFO van de RvB toegelicht dat maatwerkafspraken met promovendi en begeleiders zullen worden gemaakt op dezelfde wijze als bij deze eerdere reorganisatie is gedaan. Namens Erasmus MC heeft mr. Vandeginste verklaard dat de bereidheid bestaat om de datum van boventalligheid te verschuiven om de begeleiding af te ronden. Omdat de afspraken over promovendi maatwerk vereisen, konden daarover op zitting geen algemene afspraken worden gemaakt. In aanmerking genomen de bereidheid van Erasmus MC om te komen tot maatwerkafspraken voor promovendi, is de Ondernemingskamer van oordeel dat de belangen van de betrokken werknemers voldoende zijn meegewogen, evenals de overige gevolgen van het besluit. Beroepsgrond
efaalt eveneens.
4.8
In het besluit wordt verwezen naar alternatieve scenario’s die onder ogen zijn gezien en die uiteindelijk zijn verworpen. Daarin wordt ook gewag gemaakt van een scenario dat lijkt op het fusieplan: een door medewerkers van BME geopperd idee om BME samen te voegen met EC – waarbij de personeelsreductie over beide groepen zou worden verdeeld. In het besluit wordt toegelicht dat dit alternatief niet wordt gedragen door het afdelingshoofd en evenmin door de groepsleider van onderzoeksgroep EC. Dit fusieplan leidt er niet zozeer toe dat
mindermedewerkers boventallig zullen worden, als wel dat
anderemedewerkers hun positie zullen verliezen. Erasmus MC heeft in redelijkheid kunnen besluiten niet voor deze route te kiezen. Het verzelfstandigingsplan is in het advies niet aan de orde gesteld en kan reeds daarom niet leiden tot gegrondbevinding van het beroep. Daarmee faalt ook beroepsgrond
f.
4.9
Voor zover in het beroepschrift nog andere (deel)gronden zijn aangevoerd die in het voorgaande niet afzonderlijk zijn beoordeeld, falen deze nu zij onvoldoende rekening houden met de beleidsvrijheid van de ondernemer en klaarblijkelijk berusten op de onjuiste premisse dat de Ondernemingskamer is gehouden tot een meer dan marginale toetsing van het besluit.
4.1
De slotsom is dat het beroep van de OR zal worden afgewezen.

5.De beslissing

De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Loesberg, voorzitter, mr. J.M. de Jongh en mr. A.P. Wessels, raadsheren, en prof. dr. mr. A.J.C.C.M. Loonen en drs. G. Eikelenboom AG, raden, in tegenwoordigheid van mr. G.M.C. van Breukelen, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. de Jongh op 19 maart 2026.