Uitspraak
gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
De juridische afsplitsing is dus noodzakelijk voor de continuïteit van de onderneming.”
Bij de stichting Holland Casino is het doel het exploiteren van casino’s in Nederland.
De doelstelling zoals voorzien in de concept statuten van Holland Casino NV verschilt niet wezenlijk van de bestaande doelstelling en is niet in strijd met de openbare orde.
De ondernemingsraad schrijft onder meer dat er geen enkele noodzaak of aanleiding vanuit de organisatie is om tot de voorgestelde besluitvorming over te gaan en er geen wettelijke of statutaire grondslag is voor het voorgenomen besluit de volledige zeggenschap en de economische gerechtigdheid van Holland Casino over te hevelen naar de Staat. Hij besluit met de opmerking:
De ondernemingskamer heeft in verband daarmee overwogen dat voor zover thans reeds voorbereidingen voor privatisering worden getroffen, Holland Casino in redelijkheid ervoor heeft kunnen kiezen deze niet bij de onderhavige besluitvorming te betrekken, en dat het gegeven dat de omvorming een eventuele privatisering vergemakkelijkt daartoe ook niet dwingt. Dit oordeel kan niet anders begrepen worden dan dat de ondernemingskamer van oordeel is dat de privatisering van Holland Casino zich nog in een pril stadium bevindt en dat Holland Casino de privatisering niet bij de adviesaanvraag behoefde te betrekken. Ook als Holland Casino in een eerder stadium de omvorming en de privatisering in samenhang heeft besproken, heeft zij nadien ervoor kunnen kiezen vooralsnog alleen de omvorming, op grond van de door haar genoemde redenen en onafhankelijk van een mogelijke toekomstige privatisering, uit te voeren en alleen daarover advies te vragen aan de ondernemingsraad. Opmerking verdient dat privatisering van Holland Casino te zijner tijd (uiteraard) afzonderlijke besluitvorming vereist. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het oordeel van de ondernemingskamer onbegrijpelijk is of onvoldoende gemotiveerd. Onderdeel 1 faalt daarom.
De ondernemer is gehouden om bij zijn besluitvormingsproces alle kenbare bij de onderneming betrokken gerechtvaardigde belangen te betrekken. Het betreft hier een door de ondernemingskamer te verrichten marginale toetsing van de besluitvorming van de ondernemer. De ondernemingskamer gaat slechts na of de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Zij laat daarbij aan de ondernemer beleidsvrijheid.
De ondernemingsraad heeft zich in de procedure ten overstaan van de ondernemingskamer niet beroepen op een uitzondering als hiervoor in 3.5.2 bedoeld, die rechtvaardigt dat de ondernemingsraad zijn bezwaar toch in de beroepsprocedure bij de ondernemingskamer naar voren brengt. Dat betekent dat de ondernemingskamer bij gegrondbevinding van de klachten van onderdeel 3 niet tot een ander oordeel zou kunnen komen, aangezien zij het aangevoerde bezwaar omtrent de strijdigheid van de omvorming met art. 2:18 BW Pro buiten beschouwing zou moeten laten. De ondernemingsraad mist derhalve belang bij de klachten van onderdeel 3, zodat deze niet tot cassatie kunnen leiden.
4.Beslissing
18 mei 2018.