ECLI:NL:GHAMS:2026:894

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.346.198
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:16 AwbArt. 3:13 BWInvorderingswet 1990Wet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen onrechtmatig handelen gemeente bij incassomaatregelen toeslagenschulden

Appellanten, erkend als slachtoffers van de toeslagenaffaire, vorderden in hoger beroep een verklaring voor recht dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door het voortzetten van incassomaatregelen voor Tozo-gerelateerde schulden en gemeentelijke belastingen, alsmede een schadevergoeding en een verbod op verdere incassoacties.

De feiten betreffen onder meer kwijtschelding van gemeentelijke belastingen over 2013-2020, terugvorderingen van Tozo-uitkeringen en diverse dwangbevelen en beslagleggingen door de gemeente. Appellanten stelden dat de gemeente onrechtmatig handelde door invordering voort te zetten tijdens lopende bezwaar- en beroepsprocedures en door weigering van betalingsregelingen zonder behoorlijke motivering.

Het hof oordeelt dat de vorderingen onvoldoende concreet zijn toegelicht en dat slechts één lopende beroepsprocedure concreet is aangeduid. De gemeente heeft niet onrechtmatig gehandeld door invordering voort te zetten, mede omdat zij meerdere pogingen tot betalingsregeling heeft gedaan. De grief over strijd met het gelijkheidsbeginsel faalt wegens gebrek aan concrete onderbouwing. Het hof bekrachtigt het bestreden vonnis en veroordeelt appellanten in de proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vorderingen van appellanten af wegens onvoldoende concrete onderbouwing van onrechtmatig handelen door de gemeente.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel)
zaaknummer : 200.346.198/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10736061\ CV EXPL 23-6506
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 maart 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] ,

2. [appellant 2] ,
beiden wonend in [plaats] ,
appellanten,
advocaat: mr. A. Coskun te Heemskerk,
tegen
GEMEENTE HAARLEMMERMEER,
zetelend te Hoofddorp,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T. Barshini te Haarlem.
Partijen worden hierna [appellanten] (ieder apart: [appellant 1] en [appellant 2] ) en de Gemeente genoemd.

1.De zaak in het kort

Twee gedupeerden van de toeslagenaffaire hebben meerdere schulden bij de Gemeente. In deze zaak vorderen zij onder meer een verklaring voor recht dat de Gemeente met het treffen van diverse incassomaatregelen onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen, alsmede een schadevergoeding. Het hof is van oordeel dat de vorderingen niet kunnen worden toegewezen omdat, kort gezegd, deze onvoldoende concreet zijn toegelicht. Het hof bekrachtigt daarom het bestreden vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 23 mei 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 28 februari 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en de Gemeente als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord met producties;
- akte;
- antwoordakte.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2
[appellanten] zijn erkend slachtoffers van de toeslagenaffaire.
3.3
Bij besluit van 3 november 2021 heeft de Gemeente schulden van [appellanten] inzake gemeentelijke belastingen die betrekking hebben op de periode 2013 tot en met 2020 kwijtgescholden. Met betrekking tot de belastingaanslagen over het jaar 2021 en toekomstige jaren heeft de Gemeente meegedeeld dat deze niet in aanmerking komen voor kwijtschelding in het kader van de regeling voor gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire.
3.4
[appellanten] hebben tijdens de coronacrisis een aantal bedragen ontvangen op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (hierna: Tozo). Het gaat onder meer om:
- een Tozo-bedrijfskrediet van € 10.157,00 tegen 2% rente op jaarlijkse basis, ontvangen op 26 juni 2020 en af te lossen vanaf 1 juli 2022;
- een voorschot voor levensonderhoud voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 maart 2021 (Tozo-3);
- een voorschot voor levensonderhoud voor de periode van 1 april 2021 tot en met 30 juni 2021 (Tozo-4).
3.5
Bij aangetekende brief van 28 januari 2022 hebben [appellanten] een verzoek om kwijtschelding ingediend bij de Ontvanger van de Gemeente (hierna: het kwijtscheldingsverzoek van 28 januari 2022). De brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Verzoek tot Kwijtschelding
Betreft: Tozo terugvordering [appellant 1] & [appellant 2]
(…)
Als een gedupeerde heb ik aantal brieven van uw organisatie ontvangen dat alle overheidsschulden zijn kwijtgescholden en dat ik de schulden ontstaan in 2020-2021 niet hoef te betalen. Aan ons werd ingelicht dat zowel de overheid als gemeenten hebben de schulden kwijtgescholden. Wij hebben tevens van u vernomen dat enkele aanslagen zijn kwijtgescholden.
Ik verzoek u vriendenlijk om mij alsnog te bevestigen dat het retante te betalen saldo reeds kwijtgescholden is of deze alsnog kan en zal worden kwijtgescholden zodat wij het leven verder kunnen opbouwen.
3.6
Bij brief van 8 februari 2022 heeft de Ontvanger van de Gemeente aan [appellanten] geantwoord:
Op 3 februari 2022 heb ik uw twee aangetekende brieven d.d. 28 januari 2022 inzake uw verzoek tot kwijtschelding Tozo terugvordering en Tozo lening ontvangen.
Gelet op de inhoud van uw brieven zijn deze bestemd voor de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Haarlemmermeer.
3.7
[appellanten] hebben over de jaren 2021 tot en met 2024 ieder diverse aanslagen ontvangen met betrekking tot gemeentelijke belastingen.
3.8
Bij brief van 19 mei 2022 hebben [appellanten] de Gemeente verzocht om te beslissen op hun verzoek om kwijtschelding. Daarnaast hebben zij de Gemeente verzocht om een betalingsregeling voor alle openstaande belastingaanslagen. Bij brief van 14 juli 2022, geadresseerd aan de Ontvanger van de Gemeente, hebben zij dit verzoek herhaald.
3.9
Bij besluiten van 6 mei 2022 en 19 december 2022 heeft de Gemeente de Tozo-4 respectievelijk de Tozo-3 uitkering herzien en beslist dat [appellanten] € 1.779,89 (Tozo-4) respectievelijk € 1.620,33 (Tozo-3) moeten terugbetalen. Het besluit van 19 december 2022 is onherroepelijk geworden.
3.1
Tegen het besluit van 6 mei 2022 (Tozo-4) hebben [appellanten] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 januari 2023 heeft de Gemeente dit bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft de Gemeente nog het volgende toegevoegd:
In uw brief van 28 januari 2022 heeft u verzocht om kwijtschelding van de schuld(en) omdat u slachtoffer bent van de toeslagenaffaire. (…) De terugvordering van Tozo 4 is ontstaan na 30 december 2020 en valt daarmee buiten de door u genoemde kwijtscheldingsregeling. Uw verzoek om kwijtschelding valt buiten de beoordeling van de bezwaarprocedure.
3.11
Bij brief van 28 april 2023 heeft de Gemeente aan [appellanten] medegedeeld dat zij heeft besloten om een Tozo-uitkering van € 100,00 over de periode 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 kwijt te schelden. Ten aanzien van de drie hiervoor in rov. 3.4 genoemde Tozo-gerelateerde schulden heeft de Gemeente geschreven dat deze op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen niet in aanmerking komen voor kwijtschelding. Ter toelichting heeft de Gemeente vermeld dat schulden die zijn ontstaan na 1 januari 2021 niet in aanmerking komen voor kwijtschelding.
3.12
Bij beroepschrift van 26 mei 2023 zijn [appellanten] bij de rechtbank Noord-Holland, Sector Bestuursrecht Algemeen, opgekomen tegen het niet tijdig beslissen op hun verzoek om kwijtschelding van Tozo-gerelateerde schulden en schulden inzake gemeentelijke belastingen en verzoeken zij om vernietiging van een aantal gemeentelijke belastingaanslagen en kwijtschelding van de genoemde schulden.
3.13
Op 12 juli 2023 heeft [appellant 2] een dwangbevel ontvangen van de Ontvanger van de Gemeente inzake een gemeentelijke belasting over het jaar 2023. Het openstaande bedrag bedraagt € 921,00.
3.14
Bij e-mail van 14 juli 2023 heeft [appellant 1] aan de Gemeente geschreven:
Hierbij bevestig ik de ontvangst van uw dwangbevel voor het aanslagnummer (…) d.d. 12.7.2023.
1. Aangezien ineens betaling niet mogelijk is wens ik deze in 3 termijnen te betalen.2. Ik verzoek tevens om de kosten van het dwangbevel te verwijderen nu wij verkeren in financiële moeilijkheden en deze onnodig en hoge kosten (EUR 74,00) zullen de betalingen noch moeilijker maken.Na uw akkoord zal ik overgaan tot de eerste betaling.
3.15
Bij e-mail van 19 juli 2023 hebben [appellanten] aan de Gemeente onder meer geschreven:
Wij hebben op 14.7.2023 telefonisch gesproken en ik zou hedenmiddag om 14:00 uur bellen en terugkoppelen. Dit gaat mij helaas niet lukken (…)
DWANGBEVELEN
U gaf aan dat u voornemens was om dwangbevelen inzake aanslagen Tozo3 en Tozo 4 uit te vaardigen. Daarvoor nam u een positieve stap om even met mij te spreken wat de bedoeling is? Ik waardeer uw vriendelijk contact ten zeerste. (…) Sinds 26.5.2023 loopt echter een beroepsprocedure tegen deze twee aanslagen en bedragen o.a.. Ik heb een afschrift van mijn beroepschrift eveneens naar jullie (…) verzonden. (…) Wij menen dat onze verzoeken van kwijtschelding legitiem en rechtmatig is en toegewezen zal worden.
Om deze redenen zijn wij niet overgegaan tot de betaling of betalingsregeling, nu er loopt beroep tegen deze aanslagen en kosten. Tijdens een beroepsprocedure is het niet rechtmatig om dwangbevelen uit te vaardigen.
3.16
Bij e-mail van 20 juli 2023 heeft de Gemeente aan [appellant 1] onder meer geantwoord:
Dank voor uw mail. Gezien de inhoud van uw mail heb ik het vermoeden dat er een aantal zaken door elkaar loopt. Graag zou ik telefonisch contact met u hebben, zodat ik het een en ander kan toelichten en u eventueel verder kan helpen. Kunt u aangeven wanneer het u schikt (…)?
3.17
Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft [appellant 1] de Gemeente onder meer geantwoord:
Het is mij bekend dat ons beroep betrekking heeft op twee verschillende rechtsafdelingen en rechtsgronden van belastingen en Tozo. (…) Een toelichting is derhalve niet nodig. Wij hebben eerder veel gediscussieerd over deze zaken met uw collega’s, echter zonder resultaat. Ik heb maanden op een oplossing gewacht voordat het beroep is ingediend. Ondertussen blijven dwangbevelen komen en deurwaarder blijft op onze deur kloppen. Indien de gemeente, aan de hand van de lopende beroepen, bereid is om tegemoet te komen met onze verzoeken tot noodhulp, zullen wij dat zeer op prijs stellen en ook het beroep intrekken. Ik koos vorige keer schriftelijk te reageren (…) Indien er toch wat nuttigs te melden en te helpen is zie ik dat graag via de email.
3.18
Bij e-mail van 27 juli 2023 heeft de Gemeente [appellant 1] onder meer geantwoord:
“Op 14 juli 2023 heb ik telefonisch contact met u opgenomen over de Tozo 3 terugvordering (…) van € 1.620,33. (…) Dit bedrag is van u teruggevorderd bij beschikking van 19 december 2022. De reden dat ik contact met u heb opgenomen is om te onderzoeken of er een betalingsregeling mogelijk is ter voorkoming van het afgeven van een dwangbevel.
Ik kan nergens uit opmaken dat tegen het voornoemde besluit bezwaar is gemaakt bij de Cluster. De vordering blijft derhalve gehandhaafd.
Tegen de Tozo 4 vordering heeft u op 12 januari bezwaar gemaakt. Uw bezwaar is op 27 januari 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Wel is de terugvordering van Tozo 4 herzien middels het besluit van 6 mei 2022 en is de terugvordering verlaagd.
Graag wil ik u nogmaals in de gelegenheid stellen om een betalingsregeling af te spreken voor de Tozo 3 en Tozo 4 vordering. U mag zelf een betalingsvoorstel doen die voor u haalbaar is.
Uw voorstel zie ik graag uiterlijk 31 juli tegemoet. Indien u geen betalingsvoorstel doet, dan zijn wij genoodzaakt om een dwangbevel af te geven.
Mocht u alsnog telefonisch contact willen, dan kunt u mij bereiken via het onderstaande telefoonnummer.”
3.19
Bij e-mail van 1 augustus 2023 heeft [appellant 1] aan de Gemeente onder meer geantwoord:
Ik zal op uw onderstaande email[hof: e-mail van de Gemeente van 27 juli 2023]
binnen een week reageren. Ik zie nu pas uw email en antwoorden binnen 2 dagen is niet mogelijk.(…)
3.2
Bij e-mail van 2 augustus 2023 heeft de Gemeente geantwoord:
“Uw afbetalingsvoorstel zien wij dan graag uiterlijk op 8 augustus 2023 tegemoet.”
3.21
Bij e-mail van 7 augustus 2023 hebben [appellanten] aan de Gemeente onder meer geschreven:
“Wij hebben financiële moeilijkheden anders zouden wij gewoon betalen of betalingsregeling treffen. Maar aangezien het niet lukt hebben wij op kwijtschelding beroepen waarop wij het recht hebben. (…) Ik heb niets te onderhandelen (…)”
3.22
Bij e-mail van 8 augustus 2023 heeft de Gemeente aan [appellant 1] onder meer geschreven:
U geeft aan dat er momenteel geen betalingsregeling mogelijk is, omdat de financiële middelen daartoe ontbreken. Kunt u ons voorzien van een overzicht van uw inkomsten en uw uitgaven op dit moment? Kunt u tevens aangeven welke schulden u momenteel heeft en of er lopende betalingsregelingen / beslagen zijn?
Aan de hand van deze gegevens kunnen wij beoordelen of er uitstel van betaling kan worden verleend.(…)
Zonder bovengenoemde gegevens, kunnen wij niet beoordelen of er uitstel van betaling kan worden verleend.
3.23
Op 6 september 2023 heeft de (Ontvanger van de) Gemeente met betrekking tot de terug te betalen Tozo-3 uitkering aan [appellant 2] een dwangbevel verzonden (terug te betalen Tozo-3 van € 1.620,33).
3.24
Op (onder meer) 12 juli 2023, 20 september 2023, 18 oktober 2023 en 26 juni 2024 zijn er dwangbevelen uitgevaardigd aan zowel [appellant 2] als [appellant 1] met betrekking tot gemeentelijke belastingen voor de jaren 2021 tot en met 2024.
3.25
Bij brief van 1 februari 2024 heeft de Gemeente aan [appellanten] geschreven dat zij naar aanleiding van het verzoek dat [appellanten] op 29 januari 2024 ter zitting bij de kantonrechter hebben gedaan, uitstel van betaling verleent van rente en aflossing van het Tozo-krediet (€ 10.462,54) van 1 januari 2024 tot 1 april 2024.
3.26
Bij brief van 9 september 2024 heeft [appellant 2] de Ontvanger van de Gemeente verzocht om uitstel van betaling en een betalingsregeling voor de op dat moment nog verschuldigde aanslagen gemeentelijke belastingen.
3.27
Bij besluit van 17 oktober 2024 heeft de Ontvanger van de Gemeente dit verzoek afgewezen. Ter toelichting heeft de Ontvanger geschreven:
- inzake deze aanslagbiljetten is u reeds eerder een betalingsregeling toegestaan welke u niet bent nagekomen.
- inzake deze aanslagbiljetten zijn reeds verre gaande executoriale maatregelen in voorbereiding.
3.28
Op 19 november 2024 heeft de Ontvanger van de Gemeente executoriaal beslag laten leggen op de woning van [appellant 2] vanwege de aanslagen voor de gemeentelijke belastingen van [appellant 2] over de jaren 2021-2024. Het invorderbare bedrag bedroeg € 2.806,36.
3.29
Op 20 november 2024 hebben [appellanten] de Ontvanger van de Gemeente gedagvaard in een kort geding procedure bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland. Hierin hebben zij onder meer een voorschot op schadevergoeding gevorderd vanwege het executoriale beslag op de woning van [appellant 2] alsmede een verbod om de dwangbevelen voor de aan hen gerichte belastingaanslagen 2021-2024 te executeren.
3.3
Bij e-mail van 29 november 2024 heeft [appellant 1] aan de Ontvanger van de Gemeente onder meer geschreven:
(…) uw cliënte heeft geweigerd om het beslag op te heffen ook na de eerste betaling van mogelijke betalingsregeling. De betaling van het volledig bedrag ineens is niet haalbaar. Zou uw cliënte bereid zijn om het beslag binnen 24 uur op te heffen als wij ½ van de vordering tegen mw. [appellant 2] zegge EUR 1.403,18 heden betalen? Het restant wordt dan op 29.12.204 betaald. Uiteraard onder voorbehoud aangezien deze bedragen reeds betwist zijn.
3.31
Bij e-mail van 2 december 2024 heeft de Ontvanger van de Gemeente aan [appellant 1] geantwoord:
In reactie op punt 1 in uw email van afgelopen vrijdag, deel ik u mee dat ik kan instemmen met uw voorstel tot afbetaling in 2 termijnen.
Zoals afgelopen donderdag in de zitting reeds besproken zal van opheffing van het beslag eerst sprake zijn op het moment van volledige betaling.
Ik kom derhalve niet tegemoet aan uw voorwaarde tot opheffing van het beslag (…)
3.32
Op 4 december 2024 is door de Ontvanger van de Gemeente een bedrag ontvangen van € 2.825,36 van [appellanten] welk bedrag betrekking heeft op de belastingschuld waarvoor de Ontvanger beslag op de woning had gelegd. Het beslag is op dezelfde dag doorgehaald.
3.33
Bij vonnis in kort geding van 12 december 2024 heeft de kantonrechter de door [appellanten] gevorderde voorlopige voorzieningen afgewezen.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1
[appellanten] hebben bij de kantonrechter gevorderd om de Gemeente te veroordelen tot betaling van:
a. a) € 3.000,00 aan schadevergoeding/nadeelcompensatie aan zowel [appellant 1] als [appellant 2] ;
b) € 8.000,00 aan zowel [appellant 1] als [appellant 2] in de vorm van een dwangsom zodra de eerste executiemaatregel is genomen gedurende deze zaak en gedurende de reeds lopende (hoger) beroepszaak tegen de in de dagvaarding vermelde aanslagen, dwangbevelen of vorderingen;
c) de proceskosten.
4.2
[appellanten] hebben hieraan ten grondslag gelegd, onder meer, dat de Gemeente onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door de invordering van de Tozo-gerelateerde schulden niet te staken terwijl er een beroepsprocedure over deze schulden (hof: bij de bestuursrechter) aanhangig is en door niet haar medewerking te verlenen aan een betalingsregeling, terwijl [appellanten] op dit moment niet kapitaalkrachtig zijn.
4.3
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten. Ten aanzien van de Tozo-gerelateerde schulden waarover een beroep bij de bestuursrechter loopt (het Tozo-bedrijfskrediet, Tozo-3 en Tozo-4) heeft de kantonrechter overwogen dat artikel 6:16 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat een bezwaar of beroep niet de werking van het besluit schorst waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. In de Invorderingswet 1990, waarnaar [appellanten] hebben verwezen, is niets bepaald over deze situatie en ook voor het overige hebben [appellanten] niets aangevoerd op grond waarvan de Gemeente verplicht is om uitstel van betaling te verlenen zolang de bestuursrechtelijke procedure nog loopt. De Gemeente handelt dus niet onrechtmatig door de invordering van de Tozo-gerelateerde schulden door te zetten hangende de beroepsprocedure, aldus de kantonrechter.
Ten aanzien van de overige schulden (naar het hof aanneemt: de belastingschulden bij de Gemeente) heeft de kantonrechter, kort gezegd, overwogen dat [appellanten] tegenover de betwisting door de Gemeente onvoldoende hebben onderbouwd dat de Gemeente zich onwelwillend heeft opgesteld wat betreft het meewerken aan een betalingsregeling. Ook in dit opzicht kan niet worden geconcludeerd dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, aldus de kantonrechter.

5.Vordering in hoger beroep

5.1
[appellanten] vorderen, met wijziging van hun eis, vernietiging van het bestreden vonnis en, uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) een verklaring voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] ;
b) veroordeling van de Gemeente tot betaling van een schadevergoeding van € 10.000,00 aan zowel [appellant 1] als aan [appellant 2] dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;
c) een verbod aan de Gemeente om verdere onrechtmatige incassomaatregelen te treffen, op straffe van een dwangsom;
d) veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding in beide instanties met rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het arrest.
5.2
De Gemeente concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellanten] , met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6.Beoordeling

Dagvaarding van de juiste partij?
6.1
[appellanten] hebben in hun inleidende dagvaarding toegelicht dat zij weliswaar de Gemeente hebben gedagvaard, maar dat zij daaronder mede verstaan: de Ontvanger van belastingen als onderdeel van de Gemeente. De Gemeente heeft ter zitting in eerste aanleg aangevoerd dat, voor zover het gaat om de rechtmatigheid van de invordering van de gemeentelijke belastingen/aanslagen, [appellanten] de Ontvanger van de Gemeente (Cocensus) hadden moeten dagvaarden.
6.2
[appellanten] hebben in de inleidende dagvaarding de achtergrond van hun vorderingen onderbouwd met een lange aaneenschakeling van feitelijk handelen en beslissingen door de Gemeente dan wel de Ontvanger, zoals het uitvaardigen van belastingaanslagen, invorderingsbesluiten en dwangbevelen. Uit punt 10 van de inleidende dagvaarding blijkt echter uitdrukkelijk dat [appellanten] deze procedure niet hebben aangespannen om één of meer dwangbevelen te beoordelen (in de zin van artikel 17 van Pro de Invorderingswet).
6.3
Ook is er geen aanknopingspunt te vinden om de procedure aan te merken als zijnde gericht tegen één of meer specifieke besluiten van de Ontvanger (of uitblijven daarvan) aangaande verzoeken van [appellanten] om kwijtschelding of uitstel van betaling. Gelet hierop, alsmede op de wijze waarop [appellanten] hun vorderingen hebben onderbouwd, staat het feit dat [appellanten] in deze procedure niet de Ontvanger hebben gedagvaard maar de Gemeente niet in de weg aan de beoordeling van hun vorderingen.
Feitelijke grondslag van de vorderingen
6.4
[appellanten] hebben in hoger beroep hun vorderingen gewijzigd (zie rov. 5.1) en het door hen gestelde onrechtmatige handelen van de Gemeente aldus verduidelijkt dat zij de Gemeente verwijten dat zij:
- tijdens de lopende bezwaar- en beroepsprocedures agressieve invorderingsmaatregelen (dwangbevelen, aankondigingen van beslaglegging) voortzet;
- haar (overheids)macht misbruikt en disproportionele maatregelen neemt;
- [appellanten] wat betreft kwijtschelding ongelijk behandelt in vergelijking met andere gedupeerde inwoners in dezelfde omstandigheden;
- op onrechtmatige wijze betalingsregelingen weigert zonder behoorlijke motivering en zonder dat de financiële draagkracht en sociale omstandigheden van [appellanten] in ogenschouw zijn genomen;
- door het hierboven genoemde onrechtmatige handelen (im)materiële schade heeft veroorzaakt.
6.5
[appellanten] hebben vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis die hierna (deels gezamenlijk) zullen worden behandeld.
De grieven 1, 2 en 5
6.6
Met grief 1 hebben [appellanten] betoogd dat de Gemeente op grond van de (analoge) toepasselijkheid van de Invorderingswet 1990, het zorgvuldigheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel in beginsel de uitkomst van lopende (rechts)middelen behoort af te wachten. [appellanten] zijn van mening dat zij recht hebben op kwijtschelding van de Tozo-gerelateerde schulden. Zij vinden dat de Gemeente daarom nog niet tot invordering van deze schulden kan overgaan. In grief 2 voegen zij daaraan toe dat ‘uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de Gemeente misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden in de zin van artikel 3:13 BW Pro door op onevenredige wijze incassomaatregelen in te zetten’. Met grief 5 betogen [appellanten] dat de Gemeente, in strijd met artikel 3:13 BW Pro, herhaaldelijk onterecht betalingsregelingen heeft geweigerd.
6.7
Deze drie grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling omdat zij elkaar deels overlappen, slagen niet. [appellanten] hebben slechts één lopende beroepsprocedure concreet toegelicht en dus niet toegelicht welke ‘diverse bezwaarschriften en beroepschriften ingediend’ zijn, zoals zij in punt 2.2. van de memorie van grieven stellen. De (enige) lopende beroepsprocedure die zij wel concreet hebben aangeduid is het door hen bij de bestuursrechter ingestelde beroep van 26 mei 2023 (zie rov. 3.12) tegen, onder meer, het niet tijdig beslissen op hun verzoek om kwijtschelding. Uit de door [appellanten] overgelegde stukken blijkt niet dat er andere (voor deze zaak relevante) bezwaar- en beroepsprocedures lopen, noch wat betreft de Tozo-gerelateerde schulden, noch wat betreft de belastingaanslagen. De stellingen van [appellanten] missen in zoverre feitelijke grondslag.
Verder verzet noch artikel 6:16 Awb Pro noch de Invorderingswet 1990 noch enige andere rechtsregel zich ertegen dat de Gemeente overgaat tot invordering van de schulden waarop de door [appellanten] aangespannen bestuursrechtelijke procedure ziet. Dit wordt niet anders door het feit dat die procedure ziet op het niet tijdig nemen van een besluit (op het verzoek om kwijtschelding).
6.8
[appellanten] hebben voorts, in het licht van de betwistingen door de Gemeente, niet (voldoende) toegelicht waarom het door hen verweten optreden van de Gemeente inzake de invordering van de desbetreffende schulden in strijd met het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is of getuigt van machtsmisbruik. De door [appellanten] genoemde verwijten betreffen enkel feitelijke handelingen van de Gemeente in de betrekkingen met [appellanten] aangaande de desbetreffende schulden. In hun onderbouwing blijven [appellanten] echter steken in algemene kwalificaties, zoals ‘agressieve invorderingsmaatregelen’ en ‘intimiderende koers’ van de Gemeente en ‘rigoreuze incassoprocedures’. Zij leggen op geen enkele wijze een duidelijke concrete koppeling tussen bepaalde feiten en de verwijten die zij de Gemeente maken, waaronder die inzake machtsmisbruik en strijd met het evenredigheidsbeginsel. Weliswaar hebben [appellanten] in het algemeen gesteld dat zij grote moeite hebben met de dwangbevelen en aanmaningen die de Gemeente heeft verzonden, maar zij gaan daarbij niet in op een concreet dwangbevel of een concrete aanmaning of invorderingsmaatregel. Ook hebben zij niet toegelicht welke ‘mildere’ alternatieve maatregelen beschikbaar waren, anders dan de door hen gewenste kwijtschelding, waartoe zij een verzoek hebben ingediend (zie daarover rov. 6.3). Aldus hebben zij niet toegelicht waarom de door de Gemeente genomen maatregelen getuigen van machtsmisbruik als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro of onevenredigheid.
6.9
Het hof voegt hier wat betreft het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel nog het volgende aan toe. De uitvoerige aaneenschakeling van feiten zoals die tussen partijen vaststaat (zie rov. 3.1-3.34), wekt geenszins de indruk dat de Gemeente op een agressieve of intimiderende wijze te werk is gegaan bij de invordering, integendeel. Zo ziet de eerste door [appellanten] genoemde invorderingsmaatregel (het dwangbevel van de Gemeente van 12 juli 2023, zie rov. 3.13) niet op de schulden die voorwerp zijn van hun verzoek om kwijtschelding van 28 januari 2022, maar op een gemeentelijke belasting over het jaar 2023. Bovendien heeft de Gemeente tussen 14 juli 2023 en 8 augustus 2023 veelvuldig contact gehad met [appellanten] , telefonisch en per mail, om te onderzoeken of een betalingsregeling voor diverse schulden van [appellanten] mogelijk is om zo het afgeven van een dwangbevel te voorkomen (zie rov. 3.16, 3.18, 3.20 en 3.22). De feiten tonen aan dat de Gemeente juist op meerdere momenten heeft willen meewerken aan een betalingsregeling en dat die pogingen zijn gestrand doordat [appellanten] het op enig moment lieten afweten, zoals bijvoorbeeld in hun e-mail van 7 augustus 2023 (rov. 3.21). [appellanten] hebben ook niet betwist dat zij aan de laatste uitnodiging van de Gemeente van 8 augustus 2023 om de benodigde gegevens te verschaffen (zie rov. 3.22) geen gehoor meer hebben gegeven, zodat het hof hiervan uitgaat. Het valt de Gemeente dan ook niet te verwijten dat zij vervolgens op 6 september 2023 een nieuw dwangbevel hebben doen uitgaan door de Ontvanger (t.a.v. Tozo-gerelateerde uitkeringen, zie rov. 3.23) en later nog andere dwangbevelen inzake gemeentelijke belastingen (zie rov. 3.24). Ook blijkt uit het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg op 30 januari 2024 dat de Gemeente op die zitting heeft aangeboden voor de gemeentelijke belastingen een betalingsregeling te treffen en voor de Tozo-gerelateerde schulden bereid was om tot 1 april 2024 uitstel te verlenen. Tot slot is de Gemeente pas op 19 november 2024 overgegaan tot het leggen van executoriaal beslag op de woning van [appellant 2] voor de door haar verschuldigde gemeentelijke belastingen (zie rov. 3.28), eerst nadat daar al jarenlang dwangbevelen aan vooraf waren gegaan (zie rov. 3.24). Het is weliswaar een feit dat de Gemeente (dat wil zeggen: de Ontvanger) op dat moment éénmaal expliciet een betalingsregeling heeft geweigerd (zie rov. 3.27) maar die weigering was, anders dan [appellanten] stellen, wel degelijk gemotiveerd en kwam, gelet op de voorgeschiedenis, ook niet uit de lucht vallen. Het beroep van [appellanten] op het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel slaagt daarom niet.
Grief 3: Strijd met beginsel van gelijke behandeling?
6.1
Met grief 3 voeren [appellanten] aan dat de Gemeente in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel. Deze grief slaagt niet. [appellanten] hebben dit verwijt namelijk nauwelijks toegelicht. Zij stellen enkel, zonder nadere toelichting, dat ‘andere gedupeerden van de Toeslagenaffaire’ volledige of gedeeltelijke kwijtschelding ontvangen, zonder daarbij concreet te maken om wat voor kwijtschelding en schulden het in die gevallen gaat. Het beweerdelijke verschil in behandeling wordt dus op geen enkele wijze concreet gemaakt.
Omdat [appellanten] onvoldoende hebben gesteld, komt het hof niet toe aan het door [appellanten] in de akte gedane bewijsaanbod, waarin zij stellen dat er ‘concrete stukken [zijn] overgelegd en/of aangeboden waaruit blijkt dat in andere gemeenten gedupeerden wel (gedeeltelijk) kwijtschelding of uitstel kregen’. Het is immers niet duidelijk op welk verschil in behandeling [appellanten] doelen.
Tussenconclusie en grief 4
6.11
Het hof is van oordeel dat op basis van hetgeen door [appellanten] is aangevoerd niet kan worden geconcludeerd dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. Dit brengt met zich mee dat [appellanten] geen belang meer hebben bij de bespreking van grief 4, waarmee zij aanvoeren dat zij materiële en immateriële schade hebben geleden als gevolg van het handelen van de Gemeente.
Vermeerdering van eis: verbod om verdere onrechtmatige incassomaatregelen te treffen, op straffe van een dwangsom
6.12
[appellanten] hebben in hoger beroep voor het eerst gevorderd een verbod aan de Gemeente om verdere onrechtmatige incassomaatregelen te treffen, ‘terzake de onderhavige vorderingen’, op straffe van een dwangsom.
6.13
Zoals de Gemeente heeft betoogd is deze vordering onvoldoende bepaald. [appellanten] hebben niet duidelijk gemaakt welke incassomaatregelen zij bedoelen en op welke schulden deze zien. Gezien het complexe feitelijk kader waarin meerdere schulden van [appellanten] aan de orde zijn (zie rov. 3.1 tot en met 3.33) lag het op de weg van [appellanten] om precies aan te duiden om welke schulden/invordering het gaat. Reeds hierom komt deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking, daargelaten dat niet gebleken is van andere gronden voor dit verbod dan die welke hiervoor, bij de bespreking van de vijf grieven, reeds zijn verworpen.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.14
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 0,00
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 858,00 (tarief I, 1 punt)
Totaal € 1.656,00

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 1.656,00;
7.3
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
7.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. van Dijk, C.A.H.M. ten Dam en A. Snijders en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2026.