ECLI:NL:GHAMS:2026:9

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
200.357.706/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van gezinshereniging en opvoedbehoeften

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 6 januari 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen [minderjarige 1] (11 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar). De rechtbank Noord-Holland had eerder op 15 mei 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 23 januari 2026, waartegen de moeder in hoger beroep ging. De moeder betoogde dat de verlenging onterecht was, omdat zij inmiddels stabieler was en in staat om voor de kinderen te zorgen. De GI en de vader steunden de bestreden beschikking, terwijl de pleegouders de kinderen een goede omgeving boden. Het hof oordeelde dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk bleef voor de verzorging en opvoeding van de kinderen, gezien de trauma's die zij hadden opgelopen en de onvolledige opvoedvaardigheden van de moeder. Het hof bekrachtigde de bestreden beschikking en verlengde de machtiging tot uithuisplaatsing tot 23 januari 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.357.706/01
zaaknummer rechtbank: C/15/363666 / JU RK 25-448
beschikking van de meervoudige kamer van 6 januari 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E. Stam te Heerhugowaard,
en
de gecertificeerde instelling
De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ,
- [de vader] , hierna: de vader, bijgestaan door mr. A.W. Hoogland, advocaat te Den Helder,
- de [pleegouders] , hierna: de pleegouders.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (11 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar) (hierna ook: de kinderen).
1.2
De rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) heeft in een beschikking van 15 mei 2025 (hierna: de bestreden beschikking) de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot
23 januari 2026. De moeder is het daarmee niet eens en wil dat het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog wordt afgewezen dan wel dat de maatregel wordt verkort. De GI is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 4 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
2.2
De GI heeft op 22 september 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in een brief laten weten wat zij van de zaak vinden. De voorzitter heeft de inhoud daarvan ter zitting zakelijk weergegeven.
2.4
De zitting heeft op 20 november 2025 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door A. Keijzer, tolk Engels,
- de pleegmoeder vergezeld van een kennis van haar, [naam] ,
- drie vertegenwoordigers van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De pleegvader was niet bij de zitting aanwezig.
De advocaat van de moeder heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van (onder meer):
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2014 te [plaats A] ;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2016 te [plaats A] .
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Zij oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
3.2
Verder is uit de relatie van de ouders geboren: [minderjarige 3] , [in] 2024 te [plaats C] . [minderjarige 3] woont bij de moeder. Deze zaak heeft geen betrekking op [minderjarige 3] .
3.3
Bij beschikking van 23 januari 2023 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht van de GI gesteld. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 23 januari 2026.
3.4
Bij beschikking van 25 juli 2023 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleegzorgvoorziening verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 23 januari 2026.
3.5
De kinderen wonen bij de pleegouders.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – bestreden beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleegzorgvoorziening verlengd tot
23 januari 2026.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking en uitvoerbaar bij voorraad, het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog af te wijzen dan wel de maatregel te verkorten.
4.3
De GI verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met een jaar kan verlengen.
De standpunten
5.2
De moeder betoogt dat de rechtbank ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing heeft verlengd. De gronden daarvoor ontbreken en de maatregel is niet noodzakelijk voor de kinderen en daarmee in strijd met het recht op eerbiediging van het gezinsleven zoals gewaarborgd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De moeder heeft nooit een eerlijke kans gekregen om te laten zien dat zij zelf voor de kinderen kan zorgen. De GI werkte ook voordat het perspectiefbesluit was genomen al niet aan terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. In dat kader is dan ook nooit hulp voor de moeder ingezet, ondanks dat zij daar wel om vroeg. De kinderen zijn destijds uithuisgeplaatst vanwege de verslavingsproblematiek van de moeder, maar inmiddels is daarvan geen sprake meer omdat de moeder daar hard aan heeft gewerkt. De situatie is nu stabiel en de ouders hebben goed contact met elkaar. Ook woont [minderjarige 3] , het jongste kind van de ouders, wel bij de moeder thuis en dat gaat goed. De moeder kan de zorg voor de oudere kinderen dragen. De omgang met de kinderen verloopt goed en zij willen zelf ook terug naar de moeder. Er is dan ook onterecht beslist dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt. De moeder is bang dat zij steeds verder van de kinderen af komt te staan, te meer nu de omgang in frequentie is beperkt en begeleid plaatsvindt. Er is onvoldoende onderzoek gedaan; de conclusies van Parlan zijn gedateerd en onvoldoende onderbouwd.
5.3
De vader sluit zich aan bij het standpunt van de moeder. De rechtbank heeft op onjuiste gronden de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd. De kinderen moeten opgroeien bij de moeder en terugplaatsing is in hun belang. De moeder heeft onvoldoende de kans gekregen om te laten zien dat zij voor de kinderen kan zorgen. [minderjarige 3] woont wel bij haar en dat gaat goed. De vader kan op afstand een rol spelen en de moeder ondersteunen waar nodig. Verder is de GI tekortgeschoten door de moeder pas na lange tijd aan te sporen om naar een afkickkliniek te gaan en heeft de GI onvoldoende onderzocht of het een mogelijkheid was om de kinderen tijdelijk bij de vader te plaatsen.
5.4
De pleegmoeder heeft ter zitting, ook namens de pleegvader, het volgende verklaard. Het gaat goed met de kinderen bij hen en zij ontwikkelen zich positief. Wel hebben de kinderen ernstige trauma’s, waarvoor zij intensieve hulp krijgen. Dat vraagt veel van de kinderen en de pleegouders begeleiden hen in dat proces. De band tussen de ouders en de kinderen wordt bemoeilijkt doordat de ouders geen emotionele toestemming geven voor het verblijf van de kinderen in het pleeggezin. De pleegouders gunnen het de kinderen om een goede band met de ouders te hebben en zullen zich blijven inzetten om contact met de ouders te stimuleren.
5.5
Volgens de GI heeft de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen terecht verlengd. De moeder kan de kinderen niet de opvoedomgeving bieden die zij nodig hebben. Zij kan sociaal-emotioneel onvoldoende aansluiten bij de kinderen, die trauma’s hebben opgelopen toen zij nog bij de moeder woonden. De verslaving van de moeder heeft daarbij een rol gespeeld maar is daarvan niet de enige oorzaak. De moeder heeft ook in praktische zin moeite om de zorg voor hen te organiseren. Zij is onvoldoende leerbaar gebleken ondanks de inzet van intensieve hulpverlening. De moeder blijft de strijd met de GI aangaan in plaats van constructief samen te werken. De kinderen hebben een traumasensitief opvoedklimaat nodig om hun verleden te verwerken en de moeder kan daarin niet voorzien. In het pleeggezin wordt dat wel geboden; de kinderen komen daar toe aan de verwerking van hun trauma’s. Verder heeft het feit dat [minderjarige 3] wel bij de moeder woont niet tot gevolg dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook bij haar kunnen opgroeien. De zorg voor drie kinderen vraagt meer dan die voor één kind. Er is intensieve hulp nodig om te zorgen dat [minderjarige 3] wel bij de moeder kan opgroeien. Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer specifieke zorg nodig dan [minderjarige 3] , omdat zij nog bij de moeder woonden toen het niet goed met haar ging. Zij hebben daardoor trauma opgelopen. Ten aanzien van de vader heeft de GI geprobeerd hulp in te zetten zodat de kinderen bij hem konden wonen, maar hij kon hun veiligheid niet waarborgen omdat hij de moeder bleef opzoeken. Een thuisplaatsing bij een van de ouders is dan ook niet haalbaar gebleken. De GI heeft daarom een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat de kinderen niet bij de ouders kunnen opgroeien.
Het advies van de raad
5.6
De raad adviseert om de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te bekrachtigen. De afgelopen jaren is er veel instabiliteit in het leven van de kinderen geweest en zij hebben nu rust nodig om dat, met ondersteuning van hulpverlening, te verwerken. De kinderen hebben door hun belaste verleden meer dan gemiddeld nodig van een opvoeder. De pleegouders kunnen de kinderen de extra zorg en begeleiding bieden die zij nodig hebben. Ondanks dat de moeder de afgelopen tijd hard heeft gewerkt en vooruitgang heeft geboekt, is dat niet voldoende om de kinderen bij haar te kunnen laten opgroeien. De opvoedvaardigheden van de moeder volstaan niet; zij is als gevolg van haar eigen problematiek onvoldoende in staat overzicht te houden en houdt zich niet altijd aan de gemaakte afspraken. Voor de kinderen is het van belang dat zij weten dat zij in het pleeggezin opgroeien. Dat geeft de kinderen de ruimte en stabiliteit om zich goed te ontwikkelen en verder te hechten aan de pleegouders. Het perspectiefbesluit neemt niet weg dat de ouders een belangrijke rol in het leven van de kinderen hebben en houden. Het is dan ook waardevol dat de omgang goed verloopt. Als de ouders hun rol accepteren zullen mogelijkheden ontstaan voor uitbreiding van de omgang.
De beoordeling door het hof
De machtiging tot uithuisplaatsing
5.7
Het hof is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
5.8
Uit de stukken in het dossier en op de zitting in hoger beroep is gebleken dat er al lang ernstige zorgen zijn over de opvoedomgeving bij de moeder. De zorgen zagen op onder meer de persoonlijke problematiek van de moeder, waaronder haar drugsverslaving (aan GHB), haar instabiliteit, haar opvoedvaardigheden en verwaarlozing van de kinderen. Ook bestonden er zorgen over de relatie tussen de ouders, die gepaard ging met spanningen en verbaal en fysiek geweld. Sinds 23 januari 2023 staan de kinderen daarom onder toezicht. Omdat het de ouders niet lukte om aan de voorwaarden van de hulpverlening te voldoen, zijn de kinderen in
juli 2023 met een spoedmachtiging uithuisgeplaatst. De kinderen zijn toen bij de pleegouders gaan wonen. Op dat moment was dat een crisispleeggezin en was het verblijf van de kinderen daar tijdelijk. Daarna zijn de kinderen in oktober 2023 in een gezinshuis geplaatst. Later, in maart 2024, zijn de kinderen weer teruggeplaatst bij de pleegouders, dit keer met de mogelijkheid tot een perspectiefbiedende plaatsing.
Vervolgens heeft Parlan in mei 2024 een vooronderzoek naar de haalbaarheid van een
Terug Naar Huis Onderzoek (hierna: TNHO) gedaan. Daarin werd geconcludeerd dat het starten van een TNHO niet haalbaar was, omdat er flinke inspanningen van de ouders zouden worden gevraagd met weinig kans van slagen. De GI heeft Parlan vervolgens verzocht een perspectiefonderzoek uit te voeren, om de rol van de ouders in het leven van de kinderen te onderzoeken. Dat onderzoek is afgerond in maart 2025 en naar aanleiding daarvan adviseerde Parlan om het contact van de kinderen met de ouders volledig begeleid te laten verlopen. Kort daarna heeft de GI op 28 maart 2025 een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat de GI niet langer zal toewerken naar een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder of de vader.
Voor het gezin is gedurende de beschermingsmaatregelen veel hulp ingezet. De moeder heeft enige tijd in een kliniek gezeten, waar zij is afgekickt van haar verslaving. Zij krijgt nu nog hulp bij de zorg voor [minderjarige 3] . Op dit moment krijgen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] traumatherapie.
Ten tijde van de zitting in hoger beroep vond één keer per twee weken een aantal uur omgang tussen de kinderen en beide ouders samen plaats. De GI heeft met een schriftelijke aanwijzing van 5 september 2025 aan de moeder laten weten de omgang tussen de kinderen en de ouders korter te laten duren, omdat bij de kinderen een negatieve gedragsverandering werd gezien na het contact.
5.9
Gebleken is dat de moeder hard heeft gewerkt om haar situatie te verbeteren. Zij is afgekickt en heeft haar leven meer op de rit gekregen. Het lukt haar om, met de nodige ondersteuning, de zorg voor [minderjarige 3] te dragen. De gebeurtenissen uit het verleden hebben nog altijd een grote impact op [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij hebben in hun jonge levens veel meegemaakt en hebben daardoor trauma’s opgelopen. Het verwerken van die trauma’s vraagt veel van de kinderen en zij hebben daardoor een meer dan gemiddelde zorg- en opvoedbehoefte. Het hof ziet dat, ondanks dat de moeder haar best doet, zij de kinderen niet die extra zorg kan bieden. De GI ervaart dat de moeder moeite heeft met het organiseren van praktische zaken en het sociaal-emotioneel aansluiten bij de kinderen. De moeder heeft bij de zorg voor [minderjarige 3] al haar tijd en aandacht hard nodig, terwijl [minderjarige 1] en [minderjarige 2] extra ondersteuning nodig hebben. De opvoedvaardigheden van de moeder zijn ondanks aansturing van de hulpverlening niet verbeterd. Het lukt de moeder niet om de adviezen van de hulpverlening structureel op te volgen en zij komt afspraken niet na. Ook blijft de moeder een strijd met de GI voeren, terwijl het voor de kinderen nodig is dat zij met de GI samenwerkt. Al met al heeft de moeder dan ook onvoldoende draagkracht om in de opvoedvraag van de kinderen te voorzien. Op dit moment krijgen de kinderen hulp voor hun traumaverwerking en zij hebben daarbij ook een opvoedomgeving met structuur, stabiliteit en veiligheid nodig. De pleegouders kunnen dat bieden en de kinderen ontwikkelen zich positief bij hen. De kinderen hebben in hun brieven aan het hof ook aangegeven dat zij in het pleeggezin willen blijven. Het hof acht het van belang dat de kinderen zich op deze positieve manier verder ontwikkelen en daarvoor is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
5.1
Voor zover de moeder zich beroept op artikel 8 EVRM, overweegt het hof als volgt. Uit het voorgaande zijn voldoende omstandigheden gebleken die een inbreuk op het familie- en gezinsleven van de moeder en de kinderen, zoals wordt beschermd door artikel 8 EVRM, rechtvaardigen. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk ter bescherming van de ontwikkeling van de kinderen.
5.11
Het hof komt tot de conclusie dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verlengd tot 23 januari 2026. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de maatregel in duur te bekorten, zoals door de moeder is verzocht
.Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Perspectiefbesluit
5.12
Het hof zal ook het perspectiefbesluit bij zijn beoordeling betrekken. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de rechter een perspectiefbesluit kan beoordelen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. De GI heeft het standpunt ingenomen dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de ouders ligt. De moeder is het daarmee niet eens.
5.13
Zoals overwogen acht het hof de moeder onvoldoende in staat om de kinderen de traumasensitieve opvoedomgeving te bieden die zij nodig hebben. In het kader van de beoordeling van het perspectiefbesluit is het hof van oordeel dat ook een plaatsing bij de vader niet aan de orde is. Het hof ziet met de rechtbank dat de vader niet heeft laten blijken dat hij zelfstandig de zorg voor de kinderen wil en kan dragen. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat hij wil dat de kinderen bij de moeder opgroeien. Naar het oordeel van het hof heeft de vader in het verleden onvoldoende inzicht getoond in de belangen van de kinderen, doordat hij steeds achter de moeder is blijven staan, ook toen het heel slecht met haar ging en zij niet in staat was de kinderen te verzorgen en op te voeden. Daarin is onvoldoende verandering gekomen. Onder de huidige omstandigheden onderschrijft het hof – evenals de rechtbank – de visie van de GI, die inhoudt dat de kinderen bij de pleegouders zullen opgroeien en niet meer aan terugplaatsing bij de ouders wordt gewerkt.
5.14
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. D.H. Steenmetser-Bakker en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
6 januari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.