Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:902

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.340.404
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BWArt. 3:37 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake onverschuldigde incassokosten lening Villa Tofu

In deze civiele zaak gaat het om een lening van €500.000 verstrekt door een vennootschap aan de zwager van de vennootschapsaandeelhouder, bestemd voor de Villa Tofu in Frankrijk. De lening was voor onbepaalde tijd en de rente zou pas bij verkoop van het vastgoed of aandelen opeisbaar zijn. Na het stranden van het huwelijk tussen de leningnemer en de zus van de aandeelhouder eiste de vennootschap opeising van de lening en legde beslag.

De leningnemer betaalde onder protest €82.000 aan incassokosten, die hij later terugvorderde. De rechtbank wees zijn vorderingen af, maar het hof oordeelt dat partijen stilzwijgend waren overeengekomen dat de rente pas bij verkoop betaald hoefde te worden, waardoor de lening nog niet opeisbaar was toen de vennootschap de incassomaatregelen nam.

Het hof concludeert dat de incassokosten onverschuldigd zijn betaald en veroordeelt de vennootschap tot terugbetaling met wettelijke rente vanaf 28 januari 2022. Tevens worden de proceskosten in beide instanties aan de zijde van de leningnemer toegewezen. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Het hof veroordeelt de vennootschap tot terugbetaling van €82.000 incassokosten met rente en proceskosten omdat de lening nog niet opeisbaar was.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.340.404/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/732864/HA ZA 23-405
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
[appellant],
die ten tijde van de dagvaarding in hoger beroep in [plaats] woonde en inmiddels in Frankrijk,
en die hoger beroep heeft ingesteld,
advocaat: mr. R.Q. Potter te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
die is gevestigd te Amsterdam,
advocaat: mr. M. de Wijs te Leiden.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[geïntimeerde] , een vennootschap van de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), heeft € 500.000 geleend aan de zwager van [naam 1] , [appellant] , ten behoeve van de “Villa Tofu” in Frankrijk. De vraag die het hof moet beantwoorden is of [geïntimeerde] ten onrechte € 82.000 aan invorderingskosten bij [appellant] in rekening heeft gebracht in verband met het leggen van beslagen en het vestigen van een gerechtelijke hypotheek naar Frans recht op de Villa Tofu ter invordering van deze lening, nadat het huwelijk van [appellant] met de zus van [naam 1] was gestrand. Het hof komt tot de conclusie dat deze kosten ten onrechte zijn gemaakt en dat [geïntimeerde] deze moet terugbetalen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 22 januari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 10 februari 2026 laten toelichten door hun advocaten, beiden aan de hand van overlegde spreekaantekeningen.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2.2.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en [geïntimeerde] zal veroordelen om binnen 2 werkdagen na betekening van het te wijzen arrest aan [appellant] , begrijpt het hof, te voldoen een bedrag van € 82.000 met wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente vanaf 28 januari 2022, subsidiair vanaf 26 januari 2023 (de dag van dagvaarding) tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding met nakosten en rente. [appellant] wil ook dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om hem terug te betalen wat hij ter voldoening aan het vonnis van de rechtbank aan [geïntimeerde] heeft betaald.

3.Feiten

3.1.
De rechtbank heeft in rov. 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen de feiten neer op het volgende.
3.2.
[geïntimeerde] is de financiële holding van de heer [naam 1] . [appellant] was getrouwd met de zus van [naam 1] . In juni 2011 heeft [geïntimeerde] € 500.000 aan [appellant] geleend voor onbepaalde tijd zonder tussentijdse aflossing, voor het onderhoud en de exploitatiekosten van de Villa Tofu in Zuid Frankrijk. Villa Tofu was eigendom van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ), een rechtspersoon naar Frans recht. [appellant] was daarvan voor 99% aandeelhouder, de zus van [naam 1] voor 1 %. [geïntimeerde] en [appellant] zijn een rente overeengekomen van 5%, waarvan 3% jaarlijks voldaan moest worden. De resterende 2% zou worden bijgeschreven bij de lening, met 5% rente daarover, en in totaliteit pas worden voldaan bij algehele aflossing van de lening. [appellant] heeft de jaarlijkse rentebetalingen nooit voldaan.
3.3.
De geldlening (hierna: de overeenkomst) is notarieel vastgelegd in een akte van geldlening. In deze akte staat onder andere het volgende. De lening zal in beginsel niet –afgezien van het in artikel 8 van Pro de overeenkomst bepaalde – eerder worden afgelost dan bij verkoop door de schuldenaar en diens echtgenote van alle aandelen in [bedrijf] , dan wel in geval van verkoop of vervreemding van de Villa Tofu (aanhef van de akte). De lening is daarom aangegaan voor onbepaalde tijd (artikel 1) en is niet opeisbaar behalve zoals voorzien in artikel 8 (artikel 2). Artikel 8 bepaalt Pro dat de schuldeiser de geldlening in haar geheel zonder opzegtermijn of ingebrekestelling kan opeisen als de schuldenaar de verplichtingen op grond van de overeenkomst niet stipt nakomt of uit zijn gedragingen valt af te leiden dat hij in de nakoming daarvan zal tekortschieten of het voormelde registergoed zonder toestemming van de schuldeiser wordt vervreemd of bezwaard. Artikel 9 bepaalt Pro dat alle kosten met betrekking tot de geldlening en de invordering daarvan en de daarvoor te verlenen en in stand te houden zekerheden voor rekening van de schuldenaar komen. Artikel 12 bepaalt Pro dat als zekerheidsstelling [appellant] op eerste verzoek een pandrecht moet verlenen op een gedeelte van de geplaatste aandelen in [bedrijf] .
3.4.
In 2021 bleek dat het huwelijk tussen [appellant] en de zus van [naam 1] zou gaan eindigen en dat Villa Tofu verkocht zou worden. [geïntimeerde] heeft bij brief van 23 september 2021 de volledige lening en alle verschuldigde rentebedragen opgeëist. De vordering inclusief rente bedroeg op 30 september 2021 € 827.252,46.
3.5.
[appellant] betaalde niet en [geïntimeerde] heeft daarom op 19 oktober 2021 verlof verzocht en verkregen om beslag te mogen leggen. De deurwaarder heeft op 22 oktober 2021 beslag gelegd op de bankrekeningen van (onder andere) [appellant] . Op 5 november 2021 is een beschikking van het Gerechtshof te Draguignan (Frankrijk) betekend aan [appellant] waarin toestemming is verleend voor het vestigen van een hypotheek op de rechten van [bedrijf] , op, zo begrijpt het hof, de Villa Tofu, ter verzekering van betaling van € 990.0000. De hypotheek is ook daadwerkelijk gevestigd en ingeschreven.
3.6.
Op 28 januari 2022 heeft [appellant] een bedrag van € 841.050 ten behoeve van de aflossing van de lening en (onder protest) € 82.000 aan vergoeding voor door [geïntimeerde] gemaakte kosten overgemaakt naar [geïntimeerde] .

4.Eerste aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd om - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen om binnen 2 werkdagen na betekening van het te wijzen vonnis te betalen (i) € 132.000 met wettelijke rente vanaf 28 januari 2022, althans 20 oktober 2022, althans vanaf de dag van de dagvaarding, (ii) € 2.095 aan buitengerechtelijke incassokosten en (iii) proceskosten met nakosten en wettelijke rente.
4.2.
De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

5.Beoordeling

De omvang van het hoger beroep
5.1.
Bij de rechtbank heeft [appellant] € 132.000 gevorderd en de buitengerechtelijke incassokosten daarover. Dat bedrag bestond voor € 57.000 uit een gedeeltelijke terugvordering van een eerder aan [geïntimeerde] betaalde kostenvergoeding van € 82.000 en voor € 75.000 aan schadevergoeding voor door hemzelf gemaakte kosten. Tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van zijn schade heeft [appellant] geen grief gericht. Hij heeft zijn eis ook verminderd tot een bedrag van € 82.000, dat, zo begrijpt het hof, nu bestaat uit het gehele bedrag aan kostenvergoeding dat [appellant] aan [geïntimeerde] heeft betaald.
5.2.
Tegen de afwijzing van de door hem gevorderde buitengerechtelijke incassokosten door de rechtbank heeft [appellant] geen grieven gericht, ook niet waar het gaat om de incassokosten over zijn in hoger beroep gehandhaafde vordering tot terugbetaling van de aan [geïntimeerde] betaalde kostenvergoeding. Deze vordering komt ook niet meer voor in het petitum van de memorie van grieven of in het petitum van de dagvaarding in hoger beroep. Het hof gaat er daarom vanuit dat [appellant] zich bij de afwijzing van deze vordering heeft neergelegd.
Is er onverschuldigd betaald?
5.3.
[appellant] stelt in grief I aan de orde dat hij € 82.000 aan kosten ten onrechte aan [geïntimeerde] heeft betaald. Hij stelt daartoe het volgende. Het was voor beide partijen duidelijk dat ook het 3%-deel van de jaarlijkse rente niet betaald hoefde te worden. Tien jaar lang hebben partijen ingestemd met niet-betaling van deze rente. [geïntimeerde] heeft daar ook nooit aanspraak op gemaakt; dit deel van de rente is integendeel telkens door [geïntimeerde] bijgeboekt bij hetgeen zij van [appellant] te vorderen had. Het past dan niet dat het 10 jaar lang prima was om de rente niet te betalen, om dat vervolgens toch als opeisingsgrond te gebruiken. Dat is niet mogelijk, past niet in het karakter van een lening binnen de familie en dat de lening pas opeisbaar was bij verkoop. De lening (inclusief rentes) was daarom pas opeisbaar als Villa Tofu verkocht zou worden en was daarom nog niet opeisbaar toen [geïntimeerde] deze opeiste en daarvoor incassokosten is gaan maken. [geïntimeerde] kan deze incassokosten daarom niet ten laste brengen van [appellant] . Daarom zijn deze kosten onverschuldigd betaald.
5.4.
Het hof leest in deze klachten van [appellant] een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen bij [appellant] dat in afwijking van wat in de akte van geldlening stond, de afspraak was dat de jaarlijkse rente niet opeisbaar was maar in zijn geheel zou worden bijgeschreven en pas bij verkoop van de Villa Tofu opeisbaar zou zijn. In de memorie van grieven beroept [appellant] zich erop dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de lening opeisbaar was omdat de jaarlijkse rente niet betaald was, ondanks dat partijen tien jaar lang daar nooit iets mee gedaan hadden (nummer 2.2). [appellant] beroept zich er ook op partijen tien jaar lang hebben
ingestemdmet het niet betalen van de rente (nummer 2.10). Ook in eerste aanleg heeft [appellant] in zijn pleitnotities gezegd dat aan de stellingen van [geïntimeerde] dat de lening door de niet betaling van rente opeisbaar was voorbijgegaan kan worden omdat dit
niet was afgesprokenen dat [geïntimeerde] door bijschrijving van de rente daarin berust heeft (nummer 8). [appellant] creëert in zijn memorie van grieven verwarring doordat hij zijn eerste grief afsluit met een betoog dat [geïntimeerde] door tien jaar lang stil te zitten zijn recht heeft verwerkt. Het hof is echter van oordeel dat daarmee niet is bedoeld om in deze grief uitsluitend te klagen dat het beroep op rechtsverwerking niet is gehonoreerd en niet ook aan de orde te stellen Ten [geïntimeerde] een beroep doet op gerechtvaardigd vertrouwen dat in afwijking van de akte van geldlening de rente pas opeisbaar zou zijn bij verkoop van de Villa Tofu. [geïntimeerde] heeft dat blijkbaar ook zo gelezen, omdat zij in haar memorie van antwoord (nummer 2.10) op de stelling dat [geïntimeerde] zou hebben ingestemd met het niet betalen van de rente heeft gereageerd.
5.5.
Het hof stelt het volgende voorop. De akte van geldlening voorziet in jaarlijkse betaling van rente. In afwijking daarop kunnen partijen iets anders overeenkomen. Daarvoor is wilsovereenstemming vereist of een gerechtvaardigd vertrouwen dat daarvan sprake is. Of dat het geval is moet worden beantwoord aan de hand van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Deze wilsovereenstemming of het gerechtvaardigd vertrouwen daarop kan zonder uitdrukkelijke verklaring – stilzwijgend – tot stand komen (artikel 3:37 BW Pro).
5.6.
Het hof oordeelt dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat tot aan de aflossing van de lening geen rente betaald hoefde te worden, om de volgende redenen. Ten eerste is van belang dat van aanvang af geen rente betaald is. Ten tweede is van belang dat [geïntimeerde] zelf er blijkbaar ook vanuit gegaan is dat de rente niet betaald hoefde te worden tot de aflossing. Zij heeft tegen de niet-betaling niet opgetreden en heeft de niet-betaalde rente ook, kennelijk op eigen initiatief, jaarlijks op dezelfde manier geadministreerd als de 2% rente die volgens de akte niet jaarlijks maar pas bij de volledige aflossing betaald hoefde te worden. Dat blijkt uit productie E van [geïntimeerde] bij de conclusie van antwoord. [geïntimeerde] had op grond van artikel 6 van Pro de overeenkomst ten tijde van de aflossing ook de wettelijke handelsrente met een minimum van 5% kunnen rekenen voor de te laat betaalde rente, maar heeft dat niet gedaan. Het hof leidt hieruit af dat [geïntimeerde] tot aan het stranden van het huwelijk tussen [appellant] en de zus van [naam 1] ervan uitging dat alle rente pas betaald zou worden bij verkoop van [bedrijf] of de Villa Tofu. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] ook verteld dat zijn boekhoudster, mevrouw [naam 2] , jaarlijks een overzicht van het uitstaande bedrag ter ondertekening aan [appellant] stuurde en dat [appellant] dat ondertekende. [appellant] heeft dat weliswaar betwist, maar hieruit blijkt wel dat [geïntimeerde] ( [naam 1] en [naam 2] ) ervan uitging dat de rente niet betaald zou worden en zij daar op dat tijdstip ook geen aanspraak op maakte. Ten slotte is relevant voor de verwachtingen die [appellant] aan deze manier van handelen door [geïntimeerde] mocht ontlenen, dat [naam 1] en [appellant] in een familierelatie tot elkaar stonden. Dat deze familierelatie zou verklaren waarom [geïntimeerde] niet eerder ingebrekestellingen heeft verstuurd, zoals [geïntimeerde] betoogt, doet niet af aan de verwachtingen die [geïntimeerde] met het geheel van de beschreven gedragingen bij [appellant] heeft gewekt.
5.7.
[geïntimeerde] betoogt dat de notariële akte waarin de overeenkomst is vastgelegd dwingend bewijs oplevert van wat daarin is vastgelegd. Dat leidt niet tot een andere conclusie, omdat dit niet afdoet aan de mogelijkheid dat in afwijking van de schriftelijke overeenkomst, stilzwijgend is afgesproken dat de rente niet betaald hoefde te worden. Dat een dergelijke essentiële afspraak door [appellant] bevestigd zou moeten zijn, volgt het hof niet. Dat mag niet verwacht worden in het licht van de familierelatie en ook niet in het licht van het feit dat partijen zich zo lang anders hebben gedragen dan wat schriftelijk was afgesproken
5.8.
[geïntimeerde] heeft nog betoogd dat [appellant] geen zekerheid heeft verstrekt toen [geïntimeerde] dat verzocht. Als [geïntimeerde] zich daarmee wil beroepen op een tekortschieten in de nakoming van de verbintenis om een pandrecht op de aandelen in [bedrijf] te vestigen, waardoor de lening opeisbaar is geworden, slaagt het niet. [geïntimeerde] heeft namelijk niet duidelijk gemaakt dat en wanneer zij heeft gevraagd aan [appellant] om dit pandrecht te vestigen. In de conclusie van antwoord verwijst [geïntimeerde] naar het verzoekschrift voor de Franse gerechtelijke hypotheek, maar zonder specifieke vindplaatsen daarin aan te geven. Zelfs als het hof daarin al een voldoende specifieke verwijzing naar een productie leest, vindt het hof in dat verzoekschrift geen verwijzing naar een verzoek om het pandrecht op de aandelen te vestigen.
5.9.
[geïntimeerde] heeft ook betoogd dat zij zorgen had over de terugbetaling van de lening, ook in het licht van de echtscheiding. [geïntimeerde] heeft in haar procestukken in deze procedure echter onvoldoende onderbouwd dat en waarom deze zorgen zodanig waren dat ze een grond boden om de lening eerder op te eisen. Enkel het tussen [appellant] , [geïntimeerde] en de zus van [naam 1] bestaande wantrouwen is daarvoor niet zonder meer voldoende.
5.10.
Nu het hof oordeelt dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de jaarlijkse rente niet betaald hoefde te worden was [appellant] niet in verzuim ten aanzien van de rentebetalingen. [geïntimeerde] heeft er geen beroep op gedaan – of in ieder geval een dergelijk beroep onvoldoende onderbouwd – dat uit gedragingen van [appellant] af te leiden was dat hij in de nakoming van zijn (gewijzigde) verbintenissen tekort zou schieten of dat hij de Villa Tofu zonder toestemming van [geïntimeerde] zou vervreemden of bezwaren. De lening en de rente waren dus nog niet opeisbaar. Zowel de hoofdsom als de gekapitaliseerde rente was volgens de overeenkomst immers pas opeisbaar bij aflossing van de lening, dat wil zeggen bij verkoop van alle geplaatste aandelen in [bedrijf] of van de Villa Tofu (artikel 13 van Pro de overeenkomst).
5.11.
Nu de lening en de rente nog niet opeisbaar waren, waren de beslagen en invorderingsmaatregelen die [geïntimeerde] heeft genomen niet terecht. Onbetwist is dat [appellant] onder protest € 82.000 heeft betaald in aanvulling op de aflossing van de lening en de opgelopen rente, ter dekking van de kosten van [geïntimeerde] . Nu daarvoor geen grondslag bestaat is dat bedrag onverschuldigd betaald.
De gevorderde wettelijke (handels)rente
5.12.
[appellant] heeft wettelijke handelsrente gevorderd vanaf 28 januari 2022, althans vanaf de dag van dagvaarding. Nu [appellant] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd dat sprake is van onverschuldigde betaling, is er geen grondslag voor het vorderen van wettelijke handelsrente.
5.13.
Ten aanzien van de wettelijke rente geldt het volgende. Nu [geïntimeerde] daartegen geen verweer heeft gevoerd, zal het hof de door [appellant] gevorderde rente toewijzen vanaf de (primair) gevorderde ingangsdatum 28 januari 2022.
Bewijsaanbiedingen van [geïntimeerde]
5.14.
Het hof passeert de bewijsaanbiedingen van [geïntimeerde] in eerste aanleg, omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die tot een andere conclusie kunnen leiden. In hoger beroep heeft [geïntimeerde] geen bewijs aangeboden.
Conclusie
5.15.
Grief I slaagt. Bij de behandeling van grief II heeft [appellant] geen belang meer. Grief III ziet op de proceskosten en wordt hieronder behandeld. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en de vordering van [appellant] zal worden toegewezen, zoals hierboven uiteengezet.
5.16.
[geïntimeerde] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties. Het hof zal deze kosten toewijzen over het toegewezen bedrag en stelt deze kosten als volgt vast:
Proceskosten tot aan de uitspraak van de rechtbank:
- explootkosten € 132,29
- griffierecht € 2.277,00
- salaris advocaat € 2.366,00 (tarief IV, 2 punten x € 1.183)
Totaal € 4.775,29
Proceskosten tot aan de uitspraak van het hof:
- explootkosten € 138,82
- griffierecht € 2.053,00
- salaris advocaat € 4.704,00 (tarief IV, 2 punten x € 2.352)
Totaal € 6.895,82.
Beslagkosten zijn niet gevorderd.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht als hieronder bepaald;
6.2.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 82.000 met wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW Pro vanaf 28 januari 2022 tot aan de dag van algehele voldoening;
6.3.
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen wat [appellant] aan haar heeft betaald ter uitvoering van het vonnis van de rechtbank, met wettelijke rente vanaf de dag der voldoening tot aan de dag van algehele terugbetaling;
6.4.
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] vastgesteld op:
- € 4.775,29 voor de eerste aanleg,
- € 6.895.82 voor het hoger beroep,
- € 131,- voor nasalaris, en € 199,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. M.S.A. van Dam, mr. J.M. van den Berg en mr. R.D. Vriesendorp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.