Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:905

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.344.884/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 BWArt. 6:258 BWArt. 2:24b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging licentieovereenkomst Draculatanden niet rechtsgeldig; opzegging faalt

Partijen, Continental Sweets Belgium N.V. (CSB) en Copar B.V., zijn al decennialang betrokken bij de verkoop van het snoepgoed Draculatanden in respectievelijk België/Luxemburg en Nederland. In 2012 droeg Copar de merkrechten over aan CSB en verleende CSB een licentie aan Copar voor het gebruik van de merken in Nederland. In 2023 zegde CSB de licentieovereenkomst op, stellende dat een wijziging van zeggenschap bij Copar een opzeggingsgrond vormde en dat de overeenkomst op grond van redelijkheid en billijkheid tussentijds kon worden beëindigd.

De rechtbank oordeelde dat CSB de licentieovereenkomst niet mocht opzeggen en dat de opzegging geen effect had. Het hof bevestigt dit oordeel. Het hof stelt vast dat de zogenoemde 'change of control'-bepaling in de overeenkomst niet van toepassing is omdat de nieuwe aandeelhouders van Copar geen directe concurrenten zijn. Daarnaast is de licentieovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar, mede gelet op de formulering van een eeuwigdurende licentie gekoppeld aan de duur van de merkregistraties.

CSB voerde verder aan dat gewijzigde marktomstandigheden en het verval van bepaalde merken een zwaarwegende grond voor opzegging vormden. Het hof oordeelt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn onderbouwd en dat de gewijzigde marktsituatie en verkoopcijfers geen onaanvaardbare instandhouding van de overeenkomst rechtvaardigen. Ook het gebruik van nieuwe merken valt onder de licentieovereenkomst. Het hof wijst het bewijsaanbod van CSB af en veroordeelt CSB in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De opzegging van de licentieovereenkomst door CSB is niet rechtsgeldig en de overeenkomst blijft van kracht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.344.884/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/744851 / HA ZA 24-41
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
in de zaak van
CONTINENTAL SWEETS BELGIUM N.V.,
gevestigd te Lier, België,
appellante,
advocaat: mr. J.H.C. van den Akker te Zeist,
tegen
COPAR B.V.,
gevestigd te Raamsdonksveer, gemeente Geertruidenberg,
geïntimeerde,
advocaat: mr. K.H.L. van Waasbergen te Rotterdam.
Partijen worden hierna CSB en Copar genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen verkopen sinds de jaren ’90 het snoepgoed ‘Draculatanden’, CSB in België en Luxemburg en Copar in Nederland. Zij behoorden tot 2008 tot hetzelfde concern en gingen daarna apart verder. In 2012 verkocht Copar de merkrechten met betrekking tot de Draculatanden aan CSB en verleende CSB aan Copar een licentie voor gebruik van de merken in Nederland. In 2023 heeft CSB de licentieovereenkomst opgezegd op een termijn van ruim acht maanden. De rechtbank heeft geoordeeld dat CSB de licentieovereenkomst niet mocht beëindigen en dat de opzegging geen effect heeft gehad. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

CSB is bij dagvaarding van 5 juli 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 12 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Copar als eiseres en CSB als gedaagde (hierna: het vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
  • memorie van grieven, met producties;
  • memorie van antwoord, met producties.
Op 20 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak laten toelichten, CSB door mr. Van den Akker voornoemd en Copar door mr. Van Waasbergen voornoemd en mr. S.B. Metzelaar, advocaat te Rotterdam, aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. CSB heeft bij die gelegenheid nog een nadere productie in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.
CSB vordert in hoger beroep vernietiging van het vonnis voor zover zij in het ongelijk is gesteld en niet-ontvankelijkverklaring van Copar, althans volledige afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van Copar in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
Copar concludeert dat het hof bij arrest, voor zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van CSB in de proceskosten in hoger beroep.
Partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

De rechtbank heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.20 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Door CSB is aangevoerd dat de rechtbank op onderdelen is uitgegaan van onvolledige en deels onjuiste feiten (grief 1). Het hof zal, voor zover voldoende relevant en vaststaand bevonden, de feitenopsomming van de rechtbank hierop aanpassen en in de beoordeling betrekken. De door de rechtbank opgesomde feiten zijn verder in beroep niet of onvoldoende bestreden en dienen derhalve ook het hof tot uitgangspunt. Samengevat komen de feiten neer op het volgende
Partijen
3.1.
Copar is een vennootschap die zich bezig houdt met de verkoop, marketing en distributie van snoep en andere zoetwaren. Copar laat onder meer het snoepgoed ‘Draculatanden’ (hierna ook: het snoepgoed) produceren en verkoopt dat in Nederland aan haar aldaar gevestigde afnemers.
3.2.
Copar kent wat betreft haar statutaire namen de volgende geschiedenis:
  • tot 1991: [bedrijf 1] ,
  • 1991-2006: [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ),
  • 2006-2008: Leaf Holland Distribution B.V. (hierna: LHD),
  • 2008-heden: Copar.
3.3.
CSB is een vennootschap die in België is gevestigd en zich ook bezig houdt met de verkoop, marketing en distributie van snoep en andere zoetwaren. CSB laat ook het snoepgoed ‘Draculatanden’ produceren en verkoopt dat (onder meer) in België en Luxemburg aan haar aldaar gevestigde afnemers.
3.4.
CSB kent wat betreft haar statutaire namen de volgende geschiedenis:
  • tot 2005: Continental Sweets Belgium N.V. (hierna: Continental Sweets Belgium-oud),
  • 2005-2012: Leaf Belgium Distribution N.V. (hierna: LBD),
  • 2012-heden: CSB.
3.5.
Copar en CSB vielen lange tijd onder dezelfde concerns.
In de jaren ’90 vielen onder het concern Campbell’s Foods de volgende vennootschappen:
  • [bedrijf 2] ,
  • Continental Sweets Belgium-oud,
  • de Franse vennootschap [bedrijf 3] S.A.S.
Vanaf 2005 zijn zij gezamenlijk overgenomen door Leaf International N.V. en vielen zij onder de Leaf Group:
  • LHD,
  • LBD,
  • Leaf France.
3.6.
In 2008 heeft LHD zich afgescheiden van de Leaf Group en is zij zelfstandig verder gegaan als Copar.
3.7.
In 2012 heeft de Duitse vennootschap Katjes International GmbH (hierna: Katjes) de aandelen in LBD gekocht van de Leaf Group en weer samengebracht met de Franse vennootschap [bedrijf 3] (voorheen Leaf France), waarvan de aandelen al in 2008 door Katjes werden gekocht. Bij deze (ver)koop werd LBD CSB en [bedrijf 3] werd [bedrijf 4] .
3.8.
In 2019 zijn de aandelen in CSB en [bedrijf 4] door Katjes verkocht aan Carambar & Co S.A.S.
3.9.
In 2021 heeft de participatiemaatschappij MKB Participatiefonds V B.V. (hierna: het Participatiefonds) 55% van de aandelen verkregen in Copar Holding B.V. (hierna: Copar Holding). Copar Holding is 100% aandeelhouder van Copar. De structuur van Copar is daarbij als volgt:
MKB Fonds N.V.
51%
MKB Mix Fonds V B.V.
100%
MKB Participatiefonds V B.V.
55%
Copar Holding B.V.
100%
Copar B.V.
De merken
3.10.
Alle merken van de zoetwaren die sinds de jaren ’90 onder het Campbell’s Foods concern vielen en later onder de Leaf Group en die niet het merk ‘ [bedrijf 4] ’ bevatten, waaronder de in kwestie zijnde Draculatanden en de Cola-Knots, werden geregistreerd op naam van de vennootschap [bedrijf 2] .
3.11.
In 1997 en 1998 zijn de volgende merken geregistreerd op naam van [bedrijf 2] :
( Afbeelding 1)
3.12.
Na vertrek van Copar uit de Leaf Group in 2008 heeft zij aan LBD een mondelinge licentie verleend om voormelde merken te gebruiken op de Belgische en Luxemburgse markt.
3.13.
Vier jaar later, in 2012, toen de aandelen in LBD werden verkocht aan Katjes (en LBD CSB werd) is besloten om de merken aan CSB over te dragen. Copar heeft bij akte van overdracht de merken aan CSB overgedragen voor een bedrag van € 160.000. In dezelfde deal hebben partijen een Trademark License Agreement (hierna: de licentieovereenkomst) getekend waarbij CSB Copar het gebruik van de merken in licentie heeft gegeven voor het territorium Nederland. In de licentieovereenkomst is onder meer bepaald:

1. GRANT OF LICENSE
1.1.
Following the execution between Parties of the Deed of Assignment as provided for in Schedule 1 of this Agreement, LBD hereby grants to Copar, and Copar hereby accepts, an exclusive, perpetual, royalty-free license to use the Trademarks in the Netherlands (the “Territory”) for the manufacturing and distribution of confectionery products (the “License”). The License includes the right to procure such manufacturing by a third party. LBD shall not grant to any third party the rights to use the Trademarks or any trademark identical or confusingly similar in the Territory.
(…)
1.3.
LBD does not guarantee that the Trademarks can be maintained, are and will remain valid and/or that the use thereof is and will remain free from infringement or violation of any third party’s rights. Provided LBD duly undertakes to inform Copar of such changes and/or incidents, in as far LBD is aware of such infringement, and informs Copar without undue delay, LBD will not be liable towards Copar in respect of any claims of third parties based on (alleged) infringements on any rights of such third party, nor if (one or more of) the Trademarks would be declared null and void.
1.4.
LBD shall not be liable for any loss or injury of, or damages suffered by Copar or third parties, as a result of Copar using the Trademarks, and Copar hereby indemnifies and holds LBD harmless against any and all claims of third parties as a result of Copar using the Trademarks.
1.5.
LBD shall not be liable for any loss or injury of, or damages suffered by Copar as a consequence of, or in connection with, the use of the Trademarks by LBD or any other license outside the Territory.

2.MAINTENANCE

2.1.
LBD shall:
2.1.1.
not abandon or allow to lapse any of the Trademarks, without the consent of Copar which consent shall not be unreasonably withheld;
Should LBD wish to abandon one or more of the Trademarks, it shall immediately and at least six (6) months before the relevant Trademarks’ renewal date, notify this in writing to Copar. Copar will then have the possibility to purchase the Trademark(s) concerned. Such right to purchase shall be exercised by Copar within thirty (30) days upon receipt of the notification. Should Copar decide to purchase the Trademark(s) concerned, the Parties shall meet and negotiate in good faith so as to conclude (i) an amendment to this license agreement, and (ii) an assignment agreement.
(…)

4.TERM AND TERMINATION

4.1.
This Agreement shall be effective as of the moment this Agreement is signed by both Parties and shall - if not terminated earlier - continue in force until none of the Trademarks is registered anymore.
4.2.
Either Party may terminate this Agreement prematurely with immediate effect by notice in writing to the other Party in the event:
4.2.1.
the other Party fails to remedy a breach of one or more of its obligations or
undertakings under this Agreement after receiving notice of such breach from the first party within the stated reasonable period in that notice, unless remedy of the breach is impossible, in which case this Agreement may be terminated immediately after the breach occurred;
4.2.2.
the other Party is repeatedly in breach of one or more of its obligations or
undertakings under this Agreement; or
4.2.3.
the other Party enters into liquidation, administrative receivership, bankruptcy or
makes any voluntary agreement with its creditors or is unable to pay its debts as they fall due.
4.3.
LBD may terminate this Agreement prematurely with immediate effect by notice in writing to Copar in the event of a (direct or indirect) change of control over Copar to any direct competitor of LBD (including but not limited to any company which is, or a group company (groepsmaatschappij) of which is, active in the manufacturing of chewing gum, pastilles, candy or other confectionery products). A change of control shall for the purpose of this clause 4.3 mean a change of (i) the (sole or joint and legal or beneficial) ownership of the majority of the shares in the capital of Copar. (ii) the ability to control the majority of the voting rights in respect of Copar, or (iii) the ability to appoint or dismiss the majority of the members of the management board of Copar; (…).
(…)
4.5.
Upon termination of this Agreement in accordance with its terms or by operation of law, LBD shall not be liable for any damages or compensation whatsoever, including but not limited to payment for investments, loss of goodwill, expenditure, loss of profits or prospective profits of any kind of nature sustained or arising out of or alleged to have arisen out of such termination.
(...)
5.3.
Entire agreement
This Agreement constitutes the entire agreement between the Parties relating to the subject matter of it. This Agreement supersedes and terminates any earlier agreements, either verbally or in writing, between the Parties and no Party shall have any right or remedy against any other Party arising out of or in connection with any such earlier agreements unless stated otherwise in this Agreement.”
3.14.
( afbeelding 2)
3.15.
(afbeelding 3)
In 2019 zijn onderstaande merkregistraties gedaan op naam van CSB, eveneens voor klasse 30:
Ontstaan van het geschil tussen partijen
3.16.
Copar laat het snoepgoed onder de licentie produceren door [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). Copar verkoopt het snoepgoed vervolgens aan haar klanten, waaronder de AS Watson Group (hierna: AS Watson) waarvan de Kruidvatwinkelketen deel uitmaakt. AS Watson koopt via haar Nederlandse inkooporganisatie snoepgoed centraal in bij Copar en distribueert het snoepgoed vervolgens naar Kruidvatwinkels, die zowel in Nederland als in België zijn gevestigd.
3.17.
In november 2022 heeft CSB [bedrijf 7] benaderd om te stoppen met de productie van het snoepgoed of om voortaan alleen nog maar het snoepgoed voor CSB te produceren. In januari 2023 heeft CSB bij brief aan [bedrijf 7] medegedeeld dat “verdere inbreuken” niet worden getolereerd. Na enige correspondentie tussen partijen heeft CSB bij brief van 21 maart 2023 aan Copar bericht dat zij de aan [bedrijf 7] gerichte aansprakelijkstellingen intrekt.
3.18.
Op 22 juni 2023 heeft CSB per brief de licentieovereenkomst met Copar opgezegd tegen 1 maart 2024. De brief luidt onder meer als volgt:
“Primarily we are allowed to do so pursuant to article 4.3 TLA, since we have noticed there has been a change of control over Copar as pointed out in the aforementioned article. After all, in December 2021 the majority of the shares in Copar have been transferred to MKB Fonds, a Dutch organization with participations in several companies that are active in the confectionary industry, such as Australian and Tastemakers.
Furthermore, the TLA is a continuing performance contract for an indefinite period of time, in which contract no termination provision has been agreed upon. This means that – according to Dutch law and jurisprudence – we are entitled to terminate the TLA on the basis of the principle of reasonableness and fairness, as stipulated in Section 6:248 of the Dutch Civil Code.
Insofar as a substantial ground would be required for such termination, I would like to point out that the change of control must already by itself be regarded as such a substantial ground.
Moreover, we are currently dealing with a completely different organizational situation than the situation that existed at the time the license was issued. After all, the parties were once sister companies within the same group of companies. That situation has now completely changed. This also provides a substantial ground on the basis of which we can terminate the TLA.”
Tekst

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat heeft Copar – na wijziging van eis – bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te verklaren voor recht dat de opzegging van de licentieovereenkomst door CSB in de brief d.d. 7 juli 2023 geen effect heeft;
II. te verklaren voor recht dat Copar het recht heeft om de Benelux woord- en vormmerken geregistreerd onder de nummers 636668, 642254, 620910, 620958, 609395, 1391217 en 1391233 te gebruiken onder de voorwaarden van de licentieovereenkomst;
III. te verklaren voor recht dat CSB onrechtmatig heeft gehandeld en handelt door haar pogingen om Copar te hinderen in de uitoefening van de intellectuele eigendomsrechten waarvoor Copar op grond van de licentieovereenkomst licentierechten heeft;
IV. te verklaren voor recht dat CSB aansprakelijk is voor alle schade die Copar lijdt en zal lijden ten gevolge van de onder III genoemde onrechtmatige daden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
V. CSB te veroordelen tot betaling aan Copar van een bedrag ter hoogte van € 2.322,39, te vermeerderen met de wettelijke rente; en
VI. CSB te veroordelen tot betaling aan Copar van de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
De rechtbank heeft – kort gezegd – de vorderingen onder I en II toegewezen, met dien verstande dat de onder I bedoelde brief dateert van 22 juni 2023 en de verklaring voor recht onder II zich niet uitstrekt tot de vervallen merken (636668 en 642254), en CSB veroordeeld in de proceskosten (VI). Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat CSB de licentieovereenkomst niet heeft mogen opzeggen, omdat de opzeggingsgrond van artikel 4.3 van de licentieovereenkomst zich niet voordoet en de opzeggingsgronden met betrekking tot onvoorziene omstandigheden niet slagen. De vorderingen die zien op onrechtmatig handelen door CSB (III, IV en V) zijn afgewezen.

5.Beoordeling

5.1.
CSB komt met negen grieven op tegen de beslissing van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Samengevat zien deze op het volgende. Grieven 1 en 2 richten zich tegen de vaststelling van de feiten respectievelijk de samenvatting van het verweer van CSB. Grieven 3 en 4 richten zich tegen de overweging dat artikel 4.3 van de licentieovereenkomst niet van toepassing is, en grieven 5 tot en met 8 tegen de overweging dat de licentieovereenkomst niet kon worden opgezegd op de andere aangevoerde gronden. Grief 9 betoogt tot slot dat de licentieovereenkomst niet strekt tot het verlenen van een licentie op de nieuwe merken. De grieven zullen hierna gezamenlijk worden behandeld.
5.2.
CSB heeft de opzegging van de licentieovereenkomst gegrond op artikel 4.3 van de licentieovereenkomst en op de doctrine van de opzegging van duurovereenkomsten. Ter beoordeling ligt voor of CSB zich met succes op (één van) deze gronden heeft kunnen beroepen.
‘Change of control’ bepaling
5.3.
Artikel 4.3 van de licentieovereenkomst bepaalt dat CSB de licentieovereenkomst per direct kan beëindigen als is voldaan aan twee voorwaarden: i) er is een directe of indirecte ‘change of control’ (wijziging van de zeggenschap) bij Copar, waarbij ii) de zeggenschap overgaat naar ‘any direct competitor’ (directe concurrent) van CSB. Onder directe concurrent moet volgens artikel 4.3 in ieder geval (‘including but not limited to’) worden begrepen een onderneming die, al dan niet via een groepsmaatschappij, actief is in de productie van zoetwaren (zie onder 3.13).
5.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de eerste voorwaarde is voldaan. Vast staat immers dat in 2021 Copar Holding als houdstermaatschappij is opgericht en de aandelen in Copar heeft verkregen, waarna 55% van de aandelen in Copar Holding aan het Participatiefonds is overgedragen. Daarmee houdt het Participatiefonds – indirect – de meerderheid van de aandelen in Copar, zodat de zeggenschap over Copar is gewijzigd zoals bedoeld in artikel 4.3 van de licentieovereenkomst.
5.5.
Met betrekking tot de tweede voorwaarde twisten partijen over de uitleg van het begrip ‘directe concurrent’. CSB meent dat dit ruim moet worden uitgelegd. Volgens haar vallen hieronder zowel Copar Holding als MKB Fonds N.V. (hierna: MKB Fonds), de middellijke moedervennootschap van het Participatiefonds. Volgens CSB zijn zij weliswaar niet zelf actief in de zoetwarenbranche, maar zijn zij dat wel via hun groepsmaatschappijen: Copar, Worldwide Brands Experience B.V. (hierna: WBE) en Tastemakers B.V. (hierna: Tastemakers). Het hof begrijpt dit zo, dat CSB meent dat in beginsel iedere groepsmaatschappij binnen de structuur van MKB Fonds – en daarmee ook het Participatiefonds – wordt aangemerkt als ‘directe concurrent’ van CSB als binnen die structuur sprake is van een vennootschap die valt aan te merken als een ‘directe concurrent’, in het bijzonder omdat deze vennootschap actief is in de zoetwarenbranche.
5.6.
Copar betwist deze ruime interpretatie. Volgens Copar beoogt artikel 4.3 van de licentieovereenkomst niet meer dan te voorkomen dat een directe concurrent van CSB als gevolg van een overname van Copar de beschikking krijgt over de merken, met als voorbeeld een overname door Haribo. Copar Holding en MKB Fonds zijn volgens Copar geen directe concurrenten in de zin van artikel 4.3 van de licentieovereenkomst, overigens ook omdat WBE en Tastemakers geen met CSB concurrerende activiteiten verrichten.
5.7.
Het hof overweegt als volgt. De licentieovereenkomst is tot stand gekomen in het kader van de ontvlechting in 2008, toen Copar het concern verliet waarvan zij en CSB destijds allebei deel uitmaakten. Het gevolg van deze ontvlechting is dat partijen sindsdien niet langer zustervennootschappen, maar concurrenten van elkaar zijn. Copar verricht dan ook activiteiten die sindsdien concurreren met die van CSB, onder meer met gebruik van de merken zoals toegestaan onder de licentieovereenkomst. Tegen die achtergrond kan artikel 4.3 niet zo worden uitgelegd dat een partij die zelf niet actief is in de zoetwarenbranche en de zeggenschap over Copar verkrijgt, wordt aangemerkt als directe concurrent van CSB louter vanwege de activiteiten van Copar. Deze uitleg zou immers, zoals Copar terecht heeft aangevoerd, tot gevolg hebben dat iedere overname van Copar – ongeacht de aard of de activiteiten van de overnemende entiteit – grond kan zijn voor opzegging van de licentieovereenkomst door CSB met een beroep op artikel 4.3. CSB voert aan dat zijzelf, in de persoon van haar voormalige bestuurder Carteus, die bepaling inderdaad zo ruim heeft opgevat, maar dat volstaat niet. CSB kan immers redelijkerwijs niet hebben aangenomen dat Copar dat ook zo begreep en dat daarmee de voorwaarde ‘directe concurrent’ betekenisloos werd. CSB heeft ook niet (gemotiveerd) aangevoerd dat en waarom zij mocht aannemen dat Copar die bepaling ook zo ruim heeft opgevat. Wat betreft het Participatiefonds is dus aan artikel 4.3 niet voldaan. Het Participatiefonds is niet actief in de zoetwarenbranche, maar is een participatiemaatschappij en kan aldus niet als directe concurrent van CSB worden aangemerkt om de enkele reden dat zij middellijk aandeelhouder is van Copar. Diezelfde conclusie geldt voor participatiemaatschappij MKB Fonds, en voor houdstermaatschappij Copar Holding wier activiteiten slechts bestaan uit het aandeelhouderschap en bestuur van Copar.
5.8.
Het betoog van CSB dat WBE moet worden aangemerkt als directe concurrent treft evenmin doel. Dit betoog ziet op het merk Australian Homemade, waaronder chocolade en koffie op de markt worden gebracht. Copar Holding heeft de aandelen in de moedervennootschap van WBE verkregen en het merk Australian Homemade ingebracht in Copar, die sindsdien het merk exploiteert. Het gaat aldus niet om een overname van Copar door een directe concurrent, maar om een uitbreiding van Copars eigen activiteiten middels de acquisitie van een merk door Copar Holding. Een dergelijke situatie valt niet onder de reikwijdte van artikel 4.3. Bovendien vond de middellijke overname van WBE door Copar Holding plaats in oktober 2022 en dus een jaar na het ‘peilmoment’ voor artikel 4.3 van de licentieovereenkomst, te weten het moment waarop de zeggenschap van Copar is gewijzigd.
5.9.
Met betrekking tot Tastemakers, een ontwikkelaar en aanbieder van themaverpakkingen en geschenkpakketten met foodproducten, geldt het volgende. MKB Fonds is een participatiemaatschappij die particuliere beleggers de mogelijkheid biedt om via verschillende fondsen te investeren in Nederlandse MKB-bedrijven. Tastemakers was een participatie van het fonds MKB Participatiefonds IV B.V. (hierna: Participatiefonds IV), dat 35% van de aandelen in Tastemakers hield. Participatiefonds IV bestaat naast het Participatiefonds, dat belangen heeft in Copar. Copar heeft aan de hand van een verklaring van een investment director van MKB Fonds onweersproken toegelicht dat haar fondsen – waaronder Participatiefonds IV en het Participatiefonds – onafhankelijk van elkaar opereren, met een eigen ondernemingsbeleid, eigen beleggers en eigen bestuurders. Zij zijn ook onafhankelijk van MKB Fonds dat geen zeggenschap heeft over de verschillende fondsen; in het geval van Tastemakers reeds omdat MKB Fonds indirect slechts 35% aandeelhouder was. De afzonderlijke participaties binnen de fondsen hebben op hun beurt ook eigen bestuurders en opereren zonder economische of organisatorische verwevenheid. De concernketen onder MKB Fonds is aldus zodanig ingericht, dat Copar en Tastemakers ieder onderdeel zijn van autonoom opererende groepen. Gelet op deze gecompartimenteerde structuur kunnen Copar en Tastemakers naar het oordeel van het hof niet worden beschouwd als groepsmaatschappijen als bedoeld in artikel 4.3 van de licentieovereenkomst. Deze uitleg van dit begrip is in overeenstemming met artikel 2:24b BW, waarin groepsmaatschappijen worden gedefinieerd als rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar zijn verbonden in een groep: een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Van een dergelijke eenheid en verbondenheid is geen sprake. Bij dit alles komt nog dat Tastemakers, naar in confesso is, sinds mei 2024 geen participatie van voornoemde fondsen meer is.
5.10.
Uit het voorgaande volgt dat de door CSB genoemde vennootschappen niet kunnen worden aangemerkt als ‘directe concurrent’ in de zin van artikel 4.3 van de licentieovereenkomst. Dat betekent dat niet aan de tweede voorwaarde van dit artikel is voldaan, en het bepaalde in artikel 4.3 derhalve geen grondslag bood voor opzegging van de licentieovereenkomst door CSB.
Opzegging duurovereenkomst
5.11.
De tweede door CSB aangevoerde grondslag voor de opzegging van de licentieovereenkomst houdt verband met de in de jurisprudentie toegepaste doctrine van opzegging van duurovereenkomsten. CSB stelt dat de licentieovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder algemene opzeggingsregeling, zodat CSB deze tussentijds mocht opzeggen. Voor zover voor de opzegging een zwaarwegende grond is vereist, bestaat die volgens CSB uit de gewijzigde marktsituatie, de verwatering van de kwaliteit van de Draculatanden en het verval van de desbetreffende twee merken. CSB wijst er tot slot op dat zij – onverplicht – een zeer ruime opzegtermijn heeft gehanteerd en dat er verdere omstandigheden zijn die de opzegging rechtvaardigen.
5.12.
Copar stelt zich op het standpunt dat de licentieovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk voor de duur van de merkregistraties, en daarom niet tussentijds kan worden opgezegd. Voor zover de overeenkomst moet worden geacht te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd, is die – gelet op de tekst en de context van de overeenkomst – naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar. In beide gevallen heeft CSB de licentieovereenkomst dus niet rechtsgeldig kunnen opzeggen, aldus Copar.
5.13.
Het hof stelt het volgende voorop. Ten aanzien van duurovereenkomsten waarop geen wettelijke opzeggingsregeling van toepassing is, zoals licentieovereenkomsten, staat het partijen vrij om contractuele afspraken te maken over de mogelijkheid tot opzegging. In dit geval hebben Copar en CSB een aantal specifieke opzeggingsgronden opgenomen, namelijk in geval van wanprestatie dan wel insolventie (artikel 4.2) en in geval van ‘change of control’ (artikel 4.3). Er is niet voorzien in een algemene regeling op grond waarvan partijen buiten een dergelijke situatie de overeenkomst eenzijdig kunnen opzeggen.
5.14.
Een voor bepaalde tijd gesloten duurovereenkomst die niet voorziet in een regeling voor tussentijdse opzegging, kan in beginsel niet eenzijdig tussentijds door opzegging worden beëindigd. Niet uitgesloten is dat op dit beginsel een uitzondering wordt aangenomen, namelijk indien sprake is van onvoorziene – dat wil zeggen niet in de overeenkomst verdisconteerde – omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zo ernstige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. (HR 21 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0483, rov. 3.2, HR 10 augustus 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1428, rov. 3.3.) Ten aanzien van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd waarin geen regeling voor tussentijdse opzegging is opgenomen, geldt dat deze in beginsel opzegbaar is. Op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met een aanbod tot betaling van (schade)vergoeding. Het voorgaande neemt niet weg dat het mogelijk is dat een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar is. De wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, kan daartegen onder omstandigheden een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW Pro) en meer in het bijzonder op onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW Pro). (HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, rov. 3.6.5 en HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660, rov. 4.4.)
5.15.
Partijen twisten over de opzegbaarheid van de overeenkomst. Voor de beslissing op dat punt doet niet ter zake of het hier gaat om een overeenkomst voor bepaalde of voor onbepaalde duur. Het hof volgt Copar in haar stelling dat de overeenkomst naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar is, op de navolgende gronden.
Dit volgt ten eerste uit de tekst van de licentieovereenkomst waarbij aan Copar een ‘perpetual (…) license’ wordt verleend. De gebruikelijke betekenis van ‘perpetual’ in dit verband is ‘eeuwigdurend’. Deze formulering betekent, gelet op de afhankelijkheid die blijkens artikel 4.1 bestaat tussen licentie en merkregistratie, dat de licentie voortduurt zolang de merkrechten met betrekking tot het snoepgoed bestaan, en in die zin eeuwig. Die uitleg strookt met de considerans van de licentieovereenkomst waarin de aanleiding voor de overeenkomst wordt geschetst, die kort gezegd neerkomt op het volgende: partijen waren allebei onderdeel van hetzelfde concern waarbinnen CSB de Belgische en Luxemburgse markt bediende en Copar de Nederlandse markt; bij de afscheiding van Copar in 2008 bleven de merken in eigendom van Copar waarna Copar aan CSB een licentie verleende voor gebruik van de merken in België en Luxemburg; nu ook CSB zich van de Leaf Group zal afscheiden zijn partijen overeengekomen dat de merken worden overgedragen aan CSB en dat aan Copar een licentie zal worden verleend voor gebruik in Nederland
.Hieruit volgt dat partijen bij het sluiten van (de koopovereenkomst betreffende de merken en) de licentieovereenkomst de intentie hebben gehad om de geografische verdeling zoals die al decennialang bestond – vanaf de jaren ’90 als zustervennootschappen en na de ontvlechting in 2008 als concurrenten – te handhaven, ongeacht welke partij eigenaar is van de merken en welke partij licentienemer is. Binnen de context van die reeds vóór het sluiten van de licentieovereenkomst bestendige relatie tussen partijen past dan niet dat de licentieovereenkomst eenzijdig kan worden opgezegd zonder dat sprake is van één van de overeengekomen opzeggingsgronden. Dat de licentieovereenkomst voorziet in opzegging in de hiervoor genoemde specifieke situaties (artikel 4.2) en bepaalt hoe partijen zich na opzegging tot elkaar verhouden (artikel 4.5), zoals CSB aanvoert, laat onverlet dat de overeenkomst niet-opzegbaar moet worden geacht indien die situaties zich niet voordoen. Dit geldt ook voor de opgenomen regeling dat Copar een koopoptie heeft indien CSB de merken niet wil verlengen (artikel 2.1.1). Deze koopoptie is erop gericht Copar in de gelegenheid te stellen het gebruik van de merken middels aankoop onverminderd voort te kunnen zetten als CSB de merken niet wil verlengen. Anders dan CSB betoogt, sluit dit juist aan bij de bedoeling van partijen Copar, zo nodig door middel van koop, een voortdurend recht op het gebruik van de merken te verschaffen. Met betrekking tot het betoog van CSB dat partijen een bepaling omtrent de niet-opzegbaarheid hadden moeten opnemen als zij dat beoogden, geldt dat partijen dit in feite hebben gedaan, namelijk door te kiezen voor de formulering van een eeuwigdurende licentie. De door CSB bij conclusie van antwoord in eerste aanleg in het geding gebrachte schriftelijke verklaring van haar toenmalige bestuurder maakt dat niet anders, reeds omdat uit zijn eenzijdige verklaring niet de gezamenlijke bedoeling van partijen kan worden afgeleid, hij niet ingaat op het feit dat de licentie aan Copar blijkens de tekst van de overeenkomst ‘perpetual’ (eeuwigdurend) zou zijn en de inhoud van deze verklaring bovendien gemotiveerd is weersproken door de toenmalige bestuurder van Copar ter zitting in eerste aanleg. Gelet op al deze omstandigheden heeft CSB aldus onvoldoende gemotiveerd betwist dat partijen ten tijde van het sluiten van de licentieovereenkomst hebben bedoeld dat deze niet-opzegbaar zou zijn.
5.16.
Uit het voorgaande volgt dat de licentieovereenkomst in beginsel niet kan worden opgezegd, ofwel omdat deze is overeengekomen voor bepaalde tijd ofwel omdat deze naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar is. Dat laat onverlet dat, in beide gevallen, de overeenkomst wel kan worden opgezegd indien zich zodanig zwaarwegende omstandigheden voordoen dat instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
5.17.
CSB stelt dat laatstbedoelde situatie zich voordoet als gevolg van onvoorziene omstandigheden. Volgens haar is de marktsituatie radicaal gewijzigd ten opzichte van de situatie ten tijde van het sluiten van de licentieovereenkomst, met name doordat Copar een directe concurrent op de Belgische markt is geworden en het territorium van CSB thans wordt overspoeld door Draculatanden die van Copar afkomstig zijn. De oorzaak hiervan is dat het aantal Nederlandse retailers dat ook actief is op de Belgische en/of Luxemburgse markt sinds 2012 is gestegen met 50% (van vier naar zes) en dat het aantal vestigingen van die Nederlandse retailers is gestegen met 88% (van 530 naar 996). Met name Kruidvat is volgens CSB problematisch. Doordat die retailers centraal in Nederland inkopen en vervolgens verkooppunten in België en Luxemburg beleveren, neemt de afzet van CSB af terwijl zij in 2012 Copar € 160.000 heeft betaald voor de merken en Copar niets betaalt voor de licentie. Copar profiteert alleen maar en CSB, die volledig afhankelijk is van de omzet op de Belgische en Luxemburgse markt, wordt hard geraakt, aldus steeds CSB.
5.18.
Voorgaand betoog is door Copar gemotiveerd weersproken. Zij wijst er onder meer op dat haar afnemers ook al in 2012 het snoepgoed buiten Nederland verkochten zodat dit geen onvoorziene omstandigheid is, met verwijzing naar een e-mail van AS Watson waarin dit met betrekking tot de Kruidvatwinkels wordt bevestigd.
5.19.
Het hof overweegt als volgt. Voorop staat dat partijen als gevolg van de ontvlechting in 2008 ieder afzonderlijk, op hun eigen territorium, verder gingen. Daarbij hoort ook dat zij – als gevolg van het vrij verkeer van goederen binnen de Europese Unie – hebben te dulden dat in Nederland gekochte producten door de afnemer kunnen worden doorverkocht in België, en vice versa. Dat hierdoor de territoriale verdeling, zoals CSB stelt, in meer of mindere mate een ‘lege huls’ is geworden, is dan ook een gevolg dat partijen hadden kunnen en moeten voorzien, nu de betreffende EU-regels voor zowel België, Luxemburg als Nederland ook toen al golden. Dit is voor CSB de voornaamste reden om de licentieovereenkomst op te zeggen, maar deze volstaat dus niet. Daarbij komt dat zelfs als sprake is van onvoorziene omstandigheden voorts is vereist dat de gevolgen daarvan zodanig zwaar wegen dat instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De stellingen van CSB zijn onvoldoende onderbouwd om die conclusie te rechtvaardigen. Uit door CSB overgelegde verkoopcijfers blijkt dat haar verkoop van Draculatanden in kilo’s in 2023 is gestegen met 37,5% ten opzichte van 2012, zodat haar stelling dat zij afzet verliest niet kan worden geplaatst. Voor zover CSB heeft bedoeld dat zij een grotere groei zou hebben doorgemaakt zonder Copars snoepgoed op de Belgische en Luxemburgse markt, heeft zij haar stelling onvoldoende feitelijk toegelicht. Dat het aantal Nederlandse retailers met vestigingen in België en Luxemburg is toegenomen, betekent namelijk niet zonder meer dat die retailers in absolute getallen meer snoepgoed bij Copar zijn gaan inkopen en vervolgens in hun vestigingen in België en Luxemburg verkopen en ook niet dat dit zonder meer ten koste gaat van de afzet van CSB. CSB heeft niet met cijfers of anderszins inzichtelijk gemaakt dat haar territorium wordt ‘overspoeld’ door Nederlandse Draculatanden en Copar betwist dit gemotiveerd. Evenmin is op andere wijze door CSB voldoende onderbouwd dat zij daadwerkelijk in zeer aanzienlijke mate nadeel ondervindt van de producten van Copar. Bij gebreke van een dergelijke onderbouwing heeft CSB onvoldoende gesteld om de gevolgtrekking te rechtvaardigen dat de gewijzigde marktomstandigheden van zo ernstige aard zijn dat instandhouding van de licentieovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
5.20.
De overige door CSB naar voren gebrachte omstandigheden leiden niet tot een andere conclusie, ook niet als alle omstandigheden tezamen worden bezien. Dat de kwaliteit van het snoepgoed zou ‘verwateren’ doordat haar Draculatanden vegetarisch zijn en de producten van Copar een dierlijke kleurstof bevatten, is – daargelaten dat Copar haar receptuur kennelijk inmiddels heeft gewijzigd naar een vegetarische variant – hoe dan ook onvoldoende. CSB heeft haar opzegging daarop ook niet gebaseerd; het punt wordt in de opzeggingsbrief in het geheel niet genoemd. Voor zover de door CSB gestelde weigering van Copar om het snoepgoed bij CSB in te kopen is gebaseerd op een door CSB aanwezig geachte verplichting daartoe, is niet toegelicht en valt niet in te zien waarop die verplichting zou berusten. Naar het hof begrijpt, heeft CSB de opzeggingsbrief gestuurd zonder dat zij daaraan voorafgaand heeft geprobeerd met Copar in gesprek te gaan om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen. Van Copar kan dan niet worden verwacht dat zij zomaar naar wens van CSB haar bedrijfsmodel aanpast, temeer nu op dat moment de licentieovereenkomst door CSB niet rechtsgeldig kon worden opgezegd.
5.21.
CSB betoogt tot slot dat de licentieovereenkomst in ieder geval op grond van artikel 4.1 is geëindigd ten aanzien van de twee merken die in 2018 zijn vervallen, en dat de twee daarna geregistreerde merken niet vallen onder de licentieovereenkomst. Aan CSB moet worden toegegeven dat vanuit merkenrechtelijk oogpunt de licentieovereenkomst zich enkel uitstrekt tot de daarin gespecificeerde merken en dat na verval van een merk het gebruiksrecht niet geruisloos overgaat op een nieuwe merkregistratie. Vanuit verbintenisrechtelijk oogpunt geldt evenwel dat CSB zich in het kader van de nawerking van de hierboven onder 5.15 genoemde ontvlechting jegens Copar heeft verbonden tot instandhouding van de gelicentieerde merken ten behoeve van het overeengekomen gebruik door Copar, hetgeen is vastgelegd in artikel 2.1.1 van de licentieovereenkomst. Zoals CSB heeft toegelicht, zijn twee merken abusievelijk niet verlengd, waarna CSB zelf, zodra zij dat bemerkte, de merken opnieuw heeft geregistreerd om de situatie te herstellen, en daarmee, naar het hof begrijpt, aan haar contractuele verplichting jegens Copar te kunnen blijven voldoen. Uit haar gedrag en de omstandigheid dat zij de merkrechten niet aan Copar heeft aangeboden blijkt dat zij de bestaande situatie wilde handhaven. Ook Copar wilde haar gebruik van de merken op basis van de licentie voortzetten. Al die tijd heeft Copar dan ook het gebruik van de (vervallen en de nieuwe) merken voortgezet; CSB heeft zich daartegen tot aan de opzegging niet verzet en daarmee het door haar aan Copar verstrekte gebruiksrecht gehonoreerd. Onder deze omstandigheden volgt uit het feitelijk gedrag van partijen, tegen de achtergrond van de onbetwiste verplichting van CSB om de merken in stand te houden, dat de licentieovereenkomst ook strekt tot gebruik van de twee nieuwe merken door Copar.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
5.22.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de opzegging door CSB geen rechtsgevolg heeft gehad en dat de licentieovereenkomst tot op heden doorloopt.
5.23.
Het hof ziet geen aanleiding om CSB toe te laten tot bewijslevering. Zij heeft in haar memorie van grieven slechts een algemeen bewijsaanbod geformuleerd en ook ter zitting geen voldoende concreet bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die tot een andere uitkomst van de zaak kunnen leiden.
5.24.
Het hoger beroep heeft geen succes. Er is geen belang bij afzonderlijke bespreking van de grieven. Het vonnis zal worden bekrachtigd. CSB is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 798,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.378,00.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
6.2.
veroordeelt CSB in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Copar vastgesteld op € 3.378,00;
6.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en A.W.G. Artz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.