Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:917

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
200.360.952
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 351 RvArt. 353 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing en zekerheidstelling proceskosten in hoger beroep civiele zaak

In deze civiele hogerberoepszaak vordert appellant de schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van de kantonrechter en zekerheidstelling voor proceskosten van geïntimeerde. Het bestreden vonnis veroordeelde appellant tot betaling van € 15.000,- plus rente en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 353 lid 2 Rv Pro van geïntimeerde geen zekerheidstelling kan worden verlangd, zodat de vordering daartoe wordt afgewezen. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt eveneens afgewezen omdat appellant onvoldoende concreet heeft gesteld dat er een reëel restitutierisico bestaat dat zwaarder weegt dan het belang van geïntimeerde bij onmiddellijke tenuitvoerlegging.

De kosten van de incidenten worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor memorie van antwoord door geïntimeerde. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De incidentele vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging en zekerheidstelling voor proceskosten worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.360.952/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11314060 \ CV EXPL 24-6594
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 31 maart 2026
inzake
[appellant] ,
wonend te [plaats 1] ,
appellant in de hoofdzaak,
eiser in de incidenten,
advocaat: mr. D.J.B. Bosscher te Halfweg,
tegen
[geïntimeerde] ,
volgens de inleidende dagvaarding wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in de incidenten,
advocaat: mr. M. Smit te Den Haag.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
[appellant] is bij dagvaarding van 23 juli 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 23 april 2025 dat onder bovenstaand zaaknummer is gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens houdende een incidentele vordering ex artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en een incidentele vordering ex artikel 224 Rv Pro, met een productie, van [appellant] ;
- conclusie van antwoord in de incidenten, met een productie, van [geïntimeerde] ;
- akte houdende uitlating van [appellant] ;
- antwoordakte van [geïntimeerde] .
[appellant] heeft incidenteel gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis zal schorsen totdat in hoger beroep is beslist en [geïntimeerde] zal bevelen zekerheid te stellen voor een bedrag van € 3.000,- aan te verwachten proceskosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de incidenten, met nakosten en rente, uitvoerbaar bij voorraad.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met
– uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van de incidenten.
Ten slotte is arrest in de incidenten gevraagd.

2.Beoordeling

in de incidenten
2.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter – kort gezegd en voor zover in de incidenten van belang – [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 15.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, en de proceskosten, inclusief nakosten. Het bestreden vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet gemotiveerd.
zekerheidstelling voor de proceskosten
2.2.
[appellant] heeft op de voet van artikel 224 Rv Pro zekerheidstelling voor de proceskosten gevorderd. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv Pro in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
2.3.
Naar het oordeel van het hof komt de incidentele vordering van [appellant] niet voor toewijzing in aanmerking. Uit artikel 353 lid 2 Rv Pro volgt immers dat van de gedaagde in hoger beroep geen zekerheidstelling voor de proceskosten kan worden verlangd. Die situatie doet zich hier voor: [geïntimeerde] is geïntimeerde. De incidentele vordering tot zekerheidstelling zal dan ook worden afgewezen.
schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad
2.4.
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot schorsing stelt [appellant] , kort gezegd, dat er sprake is van een restitutierisico en dat, ook omdat de kans reëel is dat het bestreden vonnis in hoger beroep geen stand houdt, zijn belang bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van [geïntimeerde] bij onmiddellijke tenuitvoerlegging van dat vonnis.
2.5.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.6.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, waarin over de uitvoerbaarheid bij voorraad ongemotiveerd is beslist, stelt het hof het volgende voorop
(vgl. HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
2.7.
De uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordelingen betreffen betalingen van geldsommen. Daarmee is het belang van [geïntimeerde] bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van deze veroordelingen in beginsel gegeven. Zijn belang is dat hij niet op de betalingen waartoe [appellant] veroordeeld is hoeft te wachten totdat die veroordelingen onherroepelijk zijn geworden.
2.8.
Volgens [appellant] heeft hij belang bij behoud van de bestaande toestand, omdat er een reëel restitutierisico bestaat. Samengevat stelt hij daartoe het volgende. [geïntimeerde] heeft geen bekende woon- of verblijfplaats (in Nederland), zoals blijkt uit de openbare betekening van de appeldagvaarding. Dat de vennootschap van [geïntimeerde] in het door hem overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel als vennoot van een Nederlandse commanditaire vennootschap staat vermeld, betekent niet dat [geïntimeerde] (privé) over verhaalsobjecten in Nederland beschikt, terwijl hij ook overigens geen stukken heeft overgelegd waaruit dat blijkt. Gezien de internationale en beweeglijke structuur van de vennootschap van [geïntimeerde] en zijn kennelijk niet stabiele woon- of verblijfplaats, waarover hij bovendien niet transparant is, vreest [appellant] dat terugbetaling onzeker en mogelijk ook kostbaar en tijdrovend zal worden.
2.9.
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] met deze stellingen, mede gezien de betwisting daarvan door [geïntimeerde] , onvoldoende concreet gesteld dat er daadwerkelijk een restitutierisico bestaat en dat dit risico zodanig is dat het meer gewicht in de schaal legt dan het belang van [geïntimeerde] bij (voortzetting van) de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. Anders dan [appellant] heeft betoogd, doet, zoals hiervoor onder 2.6 is overwogen, de kans van slagen van het hoger beroep in dit verband niet ter zake. De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging zal dus ook worden afgewezen.
kosten
2.10.
Iedere beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
in de hoofdzaak
2.11.
In de hoofdzaak zal de zaak worden verwezen naar de rol voor memorie van antwoord door [geïntimeerde] .

3.Beslissing

Het hof:
in het incident tot zekerheidstelling:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in het schorsingsincident:
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 12 mei 2026 voor memorie van antwoord door [geïntimeerde] ;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, I.A. van der Burg en A.L. Bervoets en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.