ECLI:NL:GHAMS:2026:942
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in hoger beroep wegens intrekking bezwaren
In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 19 maart 2026 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep tegen een vonnis van de kinderrechter van 18 november 2025. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen de bewezenverklaring, maar tijdens de terechtzitting gaf zijn raadsman aan dat de verdachte het hoger beroep niet langer wilde handhaven. Hierdoor werden de eerder opgegeven bezwaren ingetrokken.
Het hof heeft vervolgens overwogen dat, nu geen rechtens te respecteren belang meer bestaat bij voortzetting van het hoger beroep, de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De beslissing is genomen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.
De uitspraak betekent dat het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk is verklaard en het vonnis van de kinderrechter daarmee in stand blijft. De jongste raadsheer kon het arrest niet medeondertekenen.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens intrekking van de bezwaren.