Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Afwijzing van het inleidend verzoek van de man kan dan ook alleen aan de orde zijn als één van de uitzonderingsgronden van het tweede lid van artikel 1:253c BW zich voordoet. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag bij één van de ouders moet worden gelaten. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
[minderjarige] is ten tijde van het wijzen van deze beschikking zestien jaar oud. In het gesprek dat [minderjarige] op 23 februari 2026 had met de voorzitter en de griffier, heeft hij meerdere keren aangegeven absoluut niet te willen dat zijn vader mede wordt belast met het gezag over hem. Het hof overweegt dat, gezien de leeftijd van [minderjarige] , zwaarwegende betekenis moet worden toegekend aan zijn wens. Daarnaast komt uit de stukken en hetgeen op de zitting in hoger beroep is besproken naar voren dat de ouders beiden het allerbeste met [minderjarige] voor hebben, maar zeer verschillende visies hebben op wat zij het meest in [minderjarige] belang achten met betrekking tot zijn schoolgang, zijn behandeling bij Levvel en de wijze waarop door Levvel wordt getracht toe te werken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. De communicatie tussen de ouders over deze punten verloopt zeer moeizaam en het lukt hen niet, ondanks intensieve hulpverlening, om hierin verbetering aan te brengen.
Gelet hierop overweegt het hof dat er een reëel risico bestaat dat indien de ouders gezamenlijk met het gezag over hem worden belast, [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Het hof acht, net als de raad, de wens van de vader om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast invoelbaar, maar is van oordeel dat zijn belang niet opweegt tegen dit risico. Het hof vreest dat gezamenlijk gezag voor veel onrust bij [minderjarige] gaat zorgen. Zoals de raad heeft gemeld, kan niet goed worden overzien welke weerslag een beslissing om de vader mede met het gezag te belasten, zal hebben op [minderjarige] . In deze overwegingen van het hof speelt een rol dat [minderjarige] , mede gelet op zijn autismespectrumstoornis, kwetsbaar is en veel aandacht en begeleiding nodig heeft. [minderjarige] heeft meer dan een gemiddeld kind van zijn leeftijd behoefte aan rust, duidelijkheid en structuur. Tot slot wijst het hof erop dat [minderjarige] inmiddels zelf beslissingen mag nemen over zijn behandeling en zijn schoolgang en de rol van een gezaghebbende ouder ten aanzien van deze punten dus kleiner zal zijn dan voorheen.
Het hof zal, alles overwegende, het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [minderjarige] dan ook afwijzen.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij meent een niet volwaardige rol te hebben in het hulpverleningstraject. Het hof is gebleken dat de vader, als ouder zonder gezag, door Levvel wel degelijk wordt betrokken bij de ingezette hulpverlening en ter zitting in hoger beroep heeft de moeder gemeld dat de vader over alle schriftelijke stukken zoals een plan van aanpak kan en mag beschikken en dat dat nooit anders is geweest. Er zijn misverstanden ontstaan over bijvoorbeeld de vraag of een plan van aanpak al dan niet voorhanden is. Het hof merkt op dat van de hulpverlening en van de moeder mag worden verwacht dat zij richting de vader, die eveneens een vorm van autisme heeft, transparant zijn, duidelijkheid bieden en zijn vragen helder beantwoorden, zodat de vader ondanks het ontbreken van gezag een rol van betekenis kan blijven vervullen.