Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:945

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
200.360.045/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:377a BWArt. 8 EVRMArt. 9 lid 3 IVRKArt. 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek gezamenlijk gezag en omgangsregeling voor minderjarige met autisme

De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoeken tot gezamenlijk gezag en een omgangsregeling met zijn minderjarige zoon, die een autismespectrumstoornis heeft. De moeder oefent momenteel het gezag uit en de minderjarige woont bij haar. Er was geen vaste omgangsregeling en het contact tussen vader en zoon is sinds eind 2023 verbroken.

De vader stelt dat gezamenlijk gezag het wettelijk uitgangspunt is en dat er geen onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem raakt tussen de ouders. Hij wil een gelijkwaardige rol in het hulpverleningstraject en contactherstel. De moeder vreest conflicten en wijst op de kwetsbaarheid van het kind. De Raad voor de Kinderbescherming onthield zich van een advies over het gezag, maar adviseerde afwijzing van de omgangsregeling.

Het hof weegt zwaar de wens van de inmiddels zestienjarige minderjarige, die expliciet geen gezamenlijk gezag of omgang met zijn vader wil. Gezien de moeizame communicatie tussen ouders en de kwetsbaarheid van het kind acht het hof gezamenlijk gezag en een omgangsregeling niet in het belang van het kind. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag en omgangsregeling af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.045/01
zaaknummer rechtbank: C/13/766848/ FA RK 25-2307 (AL/SR)
beschikking van de meervoudige kamer van 7 april 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. B.E.C. de Jong te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M.R.P. Hoppenbrouwers te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren [in] 2010 te [plaats A] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige] en een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank heeft de verzoeken van de vader tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag over [minderjarige] en tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige] , afgewezen.
De vader is het daar niet mee eens en wil dat zijn verzoeken alsnog worden toegewezen.
De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 7 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
10 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 27 november 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 16 februari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 februari 2026 met bijlage.
2.4
De voorzitter heeft op 23 februari 2026 met [minderjarige] gesproken, in het bijzijn van zijn therapeute [naam] van Levvel.
2.5
De zitting heeft op 27 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door I. Stuifbergen.
Beide advocaten hebben op de zitting pleitnotities overgelegd.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zij zijn de ouders van [minderjarige] . De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder. Er was geen vaste omgangsregeling tussen [minderjarige] en de vader, maar de vader kwam geregeld bij de moeder thuis om [minderjarige] te zien. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is in het najaar van 2023 verbroken. Daarna heeft er nog contact tussen [minderjarige] en de vader plaatsgevonden tijdens de huisbezoeken in het kader van de hulpverlening in de periode januari 2024 tot juli 2024.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van de vader om samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] te worden belast en om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] één keer in de week twee uur bij de vader zal verblijven, dan wel te bepalen dat er met hulpverlening - zoals bijvoorbeeld een BOR-traject - wordt toegewerkt naar een contactregeling, afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, alsnog zijn inleidende verzoeken toe te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel dit af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Gezag
Het wettelijk kader
5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:253c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een verzoek van de tot het gezag bevoegde vader om de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten, indien de moeder daar niet mee instemt, slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.2
De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek om gezamenlijk gezag heeft afgewezen. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt en er is volgens de vader geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. De vader erkent dat hij en de moeder verschillen van inzicht over het onderwijs en het hulpverleningstraject van [minderjarige] bij Levvel, maar dit maakt volgens hem nog niet dat zij als ouders niet in staat zijn tot behoorlijk overleg over zaken die [minderjarige] aangaan. Door het verkrijgen van het gezamenlijk gezag hoopt de vader een meer gelijkwaardige positie te krijgen in het hulpverleningstraject. De vader benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] passende hulpverlening krijgt en dat hij daar als vader alle medewerking aan wil verlenen.
5.3
De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gezag. Indien de ouders gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] zouden worden belast, ontstaat er volgens de moeder naar verwachting een situatie waarin [minderjarige] structureel geconfronteerd wordt met conflicten tussen de ouders over de schoolgang, de behandeling van [minderjarige] bij Levvel en daarnaast de vorm en het tempo waarin wordt toegewerkt naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Dit levert voor [minderjarige] een onaanvaardbaar risico op om klem of verloren te raken tussen de ouders, aldus de moeder. Daarbij komt dat [minderjarige] vanaf het moment dat hij zestien jaar oud is zelf kan beslissen over zijn behandeling.
Het advies van de raad
5.4
De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van het geven van een advies ten aanzien van het gezag over [minderjarige] . Gezamenlijk gezag is het uitgangspunt en de raad kan zich voorstellen dat de vader als niet gezaghebbende ouder een achterstand ervaart met betrekking tot het hulpverleningstraject voor [minderjarige] . De raad vindt zijn wens om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast invoelbaar. Echter, de raad kan niet goed inschatten wat het toekennen van gezamenlijk gezag teweeg zal brengen bij [minderjarige] , gelet op zijn autismespectrumstoornis en de omstandigheid dat de raad [minderjarige] zelf niet heeft gezien.
De beoordeling door het hof
5.5
Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Afwijzing van het inleidend verzoek van de man kan dan ook alleen aan de orde zijn als één van de uitzonderingsgronden van het tweede lid van artikel 1:253c BW zich voordoet. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag bij één van de ouders moet worden gelaten. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
[minderjarige] is ten tijde van het wijzen van deze beschikking zestien jaar oud. In het gesprek dat [minderjarige] op 23 februari 2026 had met de voorzitter en de griffier, heeft hij meerdere keren aangegeven absoluut niet te willen dat zijn vader mede wordt belast met het gezag over hem. Het hof overweegt dat, gezien de leeftijd van [minderjarige] , zwaarwegende betekenis moet worden toegekend aan zijn wens. Daarnaast komt uit de stukken en hetgeen op de zitting in hoger beroep is besproken naar voren dat de ouders beiden het allerbeste met [minderjarige] voor hebben, maar zeer verschillende visies hebben op wat zij het meest in [minderjarige] belang achten met betrekking tot zijn schoolgang, zijn behandeling bij Levvel en de wijze waarop door Levvel wordt getracht toe te werken naar contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. De communicatie tussen de ouders over deze punten verloopt zeer moeizaam en het lukt hen niet, ondanks intensieve hulpverlening, om hierin verbetering aan te brengen.
Gelet hierop overweegt het hof dat er een reëel risico bestaat dat indien de ouders gezamenlijk met het gezag over hem worden belast, [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders. Het hof acht, net als de raad, de wens van de vader om mede met het gezag over [minderjarige] te worden belast invoelbaar, maar is van oordeel dat zijn belang niet opweegt tegen dit risico. Het hof vreest dat gezamenlijk gezag voor veel onrust bij [minderjarige] gaat zorgen. Zoals de raad heeft gemeld, kan niet goed worden overzien welke weerslag een beslissing om de vader mede met het gezag te belasten, zal hebben op [minderjarige] . In deze overwegingen van het hof speelt een rol dat [minderjarige] , mede gelet op zijn autismespectrumstoornis, kwetsbaar is en veel aandacht en begeleiding nodig heeft. [minderjarige] heeft meer dan een gemiddeld kind van zijn leeftijd behoefte aan rust, duidelijkheid en structuur. Tot slot wijst het hof erop dat [minderjarige] inmiddels zelf beslissingen mag nemen over zijn behandeling en zijn schoolgang en de rol van een gezaghebbende ouder ten aanzien van deze punten dus kleiner zal zijn dan voorheen.
Het hof zal, alles overwegende, het verzoek van de vader om gezamenlijk met de moeder te worden belast met het gezag over [minderjarige] dan ook afwijzen.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij meent een niet volwaardige rol te hebben in het hulpverleningstraject. Het hof is gebleken dat de vader, als ouder zonder gezag, door Levvel wel degelijk wordt betrokken bij de ingezette hulpverlening en ter zitting in hoger beroep heeft de moeder gemeld dat de vader over alle schriftelijke stukken zoals een plan van aanpak kan en mag beschikken en dat dat nooit anders is geweest. Er zijn misverstanden ontstaan over bijvoorbeeld de vraag of een plan van aanpak al dan niet voorhanden is. Het hof merkt op dat van de hulpverlening en van de moeder mag worden verwacht dat zij richting de vader, die eveneens een vorm van autisme heeft, transparant zijn, duidelijkheid bieden en zijn vragen helder beantwoorden, zodat de vader ondanks het ontbreken van gezag een rol van betekenis kan blijven vervullen.
Omgangsregeling
Het wettelijk kader
5.6
Uit artikel 1:377a lid 2 BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel het recht op omgang ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd.
Uit het derde lid van dit artikel volgt dat de rechter het recht op omgang slechts ontzegt, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De standpunten
5.7
De vader meent dat contactherstel tussen hem en [minderjarige] van groot belang is. De behandeling van [minderjarige] door Levvel heeft tot nu toe nog niet geleid tot enige vorm van contactherstel. [minderjarige] geeft aan geen contact te willen met de vader, maar niet is onderzocht waarom hij dit niet wil. Volgens de vader is hier gespecialiseerde hulpverlening voor nodig, bij voorkeur door iemand die ervaring heeft met kinderen met autisme en die de ouders handvatten kan geven in het toewerken naar contactherstel. De vader heeft zelf ook een vorm van autisme en uit ervaring kan hij zeggen dat het soms beter is om uit je comfortzone gehaald te worden en dat een ‘nee’ niet altijd een ‘nee’ betekent. Gedacht kan worden aan een BOR-traject, aldus de vader. Subsidiair verzoekt de vader om een raadsonderzoek of benoeming van een kindbehartiger, zodat meer zicht kan worden verkregen op de motieven van [minderjarige] om het contact met de vader te weigeren. De vader doet tot slot een beroep op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in combinatie met artikel 9 derde Pro lid van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 24 derde Pro lid Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.8
De moeder is van mening dat het heel belangrijk is dat er contactherstel komt tussen [minderjarige] en de vader en geeft aan hiervoor open te staan en hier ook op aan te dringen bij de hulpverlening. Zij wijst er echter op dat [minderjarige] gelet op zijn leeftijd een steeds belangrijkere stem krijgt bij de beantwoording van de vraag of hij contact wil met zijn vader en dat het dwingen van [minderjarige] tot contact averechts zal werken. De moeder is van mening dat aan contactherstel zal moeten worden gewerkt door middel van het reeds bestaande traject bij Levvel, hetgeen inhoudt dat de vader de huisbezoeken weer zal moeten oppakken. [naam] , de therapeute van [minderjarige] , is specialist op het gebied van autisme.
Het advies van de raad
5.9
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen, af te wijzen. Gelet op [minderjarige] leeftijd en hetgeen hij kenbaar heeft gemaakt in het gesprek met de voorzitter, denkt de raad dat een opgelegde omgangsregeling te risicovol is en averechts zal werken. De raad is van mening dat het door Levvel ingezette traject voor contactherstel moet worden gevolgd. Een raadsonderzoek acht de raad gelet op de lange wachttijd niet in [minderjarige] belang.
De beoordeling door het hof
5.1
Het hof is van oordeel dat het in beginsel van belang is dat [minderjarige] contact heeft met beide ouders. [minderjarige] heeft echter in het gesprek met de voorzitter aangegeven dat hij geen omgangsregeling met zijn vader wil, omdat hij zijn vader nu niet wil zien. [minderjarige] was daar heel duidelijk over. Het hof is met de raad van oordeel dat het mede gelet op de leeftijd van [minderjarige] , te risicovol is om een structurele contactregeling tussen hem en de vader vast te stellen terwijl daar bij [minderjarige] op dit moment geen draagvlak voor is. Het hof wil voorkomen dat [minderjarige] zich nog meer gaat verzetten, met als gevolg dat vader en [minderjarige] nog verder van elkaar verwijderd raken. Het afdwingen van omgang zal naar het oordeel van het hof dan ook averechts werken.
Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling afwijzen.
Het hof overweegt ten overvloede dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat beide ouders het erover eens zijn dat er gewerkt moet blijven worden aan het herstellen van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de ouders zich in het belang van [minderjarige] blijven inzetten om met behulp van de reeds ingezette hulpverlening, onder meer van de in autisme gespecialiseerde therapeute van [minderjarige] , contactherstel tussen [minderjarige] en de vader tot stand te brengen. Voor het aanvullen van de ingezette hulpverlening met een door de vader voorgestelde vorm van begeleide omgang, zoals een BOR-traject, ziet het hof geen ruimte. De wijze waarop het contact tussen [minderjarige] en de vader heeft plaatsgehad en de weerstand die [minderjarige] toont, staan daar nu nog aan in de weg.
5.11
Het subsidiaire verzoek van de vader om een raadsonderzoek te gelasten dan wel een kindbehartiger te benoemen om zo zicht te krijgen op de motieven van [minderjarige] om geen contact te willen met zijn vader, zal het hof afwijzen. Het hof acht zich ten aanzien van de te nemen beslissingen voldoende voorgelicht. Bovendien heeft [minderjarige] in het gesprek met de voorzitter duidelijk aangegeven dat zowel de procedure bij de rechtbank als deze bij het hof hem veel stress geven en een grote weerslag op hem hebben. Een aanhouding om nader onderzoek te verrichten dat de nodige tijd in beslag zal nemen, acht het hof dan ook niet in zijn belang, waarbij nog geldt dat dit aspect binnen de ingezette hulpverlening kan worden betrokken.
5.12
Het beroep van de vader op schending van de artikel 8 EVRM Pro, 9 derde lid IVRK en
24 derde lid van het Handvest van de grondrechten van de EU, wordt door het hof verworpen. Een inbreuk op het bij die artikelen beschermde recht op eerbiediging van family life is, gelet op het voorgaande, gerechtvaardigd, want noodzakelijk en tevens evenredig aan het doel van de bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
5.13
Al het voorgaande leidt tot volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. D.H. Steenmetser-Bakker, J.F. Miedema en M. Perfors, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 7 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.