Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:980

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.364.597/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 lid 1 BWArt. 1:247 lid 2 BWArt. 812 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ondertoezichtstelling en uitvoerbaar bij voorraad verklaring ter voorbereiding verhuizing minderjarige

De zaak betreft de ondertoezichtstelling van een negenjarige minderjarige, waarbij de rechtbank deze maatregel heeft opgelegd voor de periode van 4 november 2025 tot 4 november 2026. De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, terwijl de vader, de gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming het eens zijn met de ondertoezichtstelling. De moeder verzet zich tegen de verhuizing van de minderjarige naar de vader en betwist dat er sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van het kind.

De procedure omvatte schriftelijke stukken, een zitting met aanwezigheid van partijen en een tolk, en het horen van de bijzondere curator. De moeder heeft niet deelgenomen aan de zitting vanwege de gezondheid van de minderjarige. Het hof heeft de belangen van de minderjarige zorgvuldig afgewogen, waarbij het belang van contactherstel met de vader en de zorgen over de thuissituatie bij de moeder centraal stonden.

Het hof concludeert dat de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen, mede door het gebrek aan medewerking van de moeder aan hulpverlening en het ontbreken van contact tussen vader en kind. De verhuizing naar de vader in een andere plaats wordt als ingrijpend maar noodzakelijk beschouwd. Het hof bekrachtigt de beschikking en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad, zodat de GI de verhuizing kan voorbereiden en begeleiden. Het verzoek tot machtiging tot tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm wordt afgewezen, aangezien dit niet binnen de bevoegdheden van de GI valt.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en verklaart deze uitvoerbaar bij voorraad om de verhuizing van de minderjarige naar de vader voor te bereiden.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.364.597/01
zaaknummer rechtbank: C/13/773133 / JE RK 25-549
beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R.A. Remport Urban te Linne,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), in deze procedure vertegenwoordigd door de bijzondere curator [curator] (hierna: de bijzondere curator);
- [de vader] (hierna: de vader), bijgestaan door mr. N.A. Boelhouwer, advocaat te Tilburg;
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] (hierna: de GI).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (9 jaar). De rechtbank heeft [minderjarige] onder toezicht gesteld voor de periode van 4 november 2025 tot 4 november 2026. De moeder is het daarmee niet eens. De vader, de raad en de GI zijn het eens met de ondertoezichtstelling. Verder wil de raad dat de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 3 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
4 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 20 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
De raad heeft op 6 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de moeder van 8 maart 2026 met bijlage.
2.5
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om haar mening te geven. Zij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
2.6
De zitting heeft op 11 maart 2026 plaatsgevonden, gelijktijdig met de behandeling van het incidenteel hoger beroep in de zaak met nummer 200.362.006/01. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder,
- een tolk in de Hongaarse taal, G.I. Dandoy,
- de vader (via een videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat vergezeld van een stagiaire,
- de raad, vertegenwoordigd door I.L.C. Stuifbergen,
- de bijzondere curator,
- twee vertegenwoordigers van de GI.
Op verzoek van de vader heeft het hof, gehoord partijen, beslist dat gelet op de reisafstand van de vader, hij via een videoverbinding aan de zitting deel kon nemen. De moeder heeft gevraagd ook digitaal aan de behandeling te kunnen deelnemen. Ook aan haar is hiertoe de gelegenheid geboden.
De moeder is behoorlijk opgeroepen voor de zitting en, hoewel op eigen verzoek in staat gesteld om hieraan via een videoverbinding deel te nemen, niet verschenen.
De advocaat van de moeder heeft verklaard dat zij net voor aanvang van de behandeling een bericht van de moeder heeft gekregen dat de bloedsuikerspiegel van [minderjarige] zodanig laag was dat de moeder ervoor moest zorgen dat [minderjarige] te eten zou krijgen. De advocaat van de moeder heeft de moeder voorgesteld om op een later moment alsnog via de digitale verbinding aan te sluiten bij de zitting. Gelet daarop is de tolk aanwezig gebleven.
De moeder heeft niet meer deelgenomen aan de zitting.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats B] .
De ouders hebben tot februari 2019 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] verblijft bij de moeder.
3.2
Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 31 juli 2019 is een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de vader en [minderjarige] eens per week begeleide omgang hebben. Definitieve beslissingen ten aanzien van de omgang en het gezag zijn toen aangehouden in afwachting van een raadsonderzoek.
3.3
Bij beschikking van 1 oktober 2020 heeft de kinderrechter van de rechtbank [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Die maatregel is daarna steeds verlengd en is per 1 april 2024 geëindigd.
3.4
Bij beschikking van 2 december 2020 heeft de rechtbank bepaald dat onder regie en begeleiding van de GI gewerkt zal worden aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige] . De verzoeken met betrekking tot de zorgregeling en het gezag zijn aangehouden.
3.5
Bij beschikking van 21 mei 2021 heeft de rechtbank, nu voldoende was gesteld en gebleken dat nog niet was toegewerkt naar contactherstel tussen de vader en [minderjarige] door toedoen van de moeder, de zaak ten aanzien van de omgang aangehouden voor de duur van vijf weken, in afwachting van een concreet plan van aanpak van de GI om toe te werken naar contactherstel. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten afgewezen.
3.6
Bij beschikking van 28 juli 2021 heeft de rechtbank de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie [plaats B] van 31 juli 2019, gewijzigd en bepaald dat de GI, in het kader van een voorlopige zorgregeling, in afwachting van de door Altra te starten Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding en de door Altra te begeleiden omgang tussen de vader en [minderjarige] , medio augustus 2021 een contact tussen de vader en [minderjarige] zal arrangeren via beeldbellen, welk contact de GI zal voorbereiden en begeleiden. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de Gl, indien en voor zover Altra in september 2021 niet is gestart met Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding en niet is gestart met de begeleide omgang tussen de vader en [minderjarige] , in september 2021 nog een contact tussen de vader en [minderjarige] zal arrangeren via beeldbellen, welk contact de Gl zal voorbereiden en begeleiden. Tot slot heeft de rechtbank bepaald dat de behandeling van de zorgregeling, gelijktijdig met een behandeling van een eventueel door de GI nog in te dienen verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, wordt voortgezet op een nader te bepalen datum en tijdstip vóór 1 oktober 2021.
3.7
Bij beschikking van 6 april 2022 heeft de rechtbank bepaald dat het tussen de ouders overeengekomen ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking. In het ouderschapsplan is ten aanzien van de zorgregeling opgenomen dat elk contact in overleg plaatsvindt en dat de omgang in de weekenden, op feestdagen en in de vakanties gezamenlijk plaatsvindt.
3.8
Bij beschikking van 14 maart 2023 heeft de rechtbank de schriftelijke aanwijzing van de GI van 22 december 2022 bekrachtigd, inhoudende dat:
- de moeder in contact treedt met en bereikbaar is voor de GI via de telefoon en/of e-mails. Dit betekent dat:
de moeder binnen 48 uur reageert op berichten van de GI;
de moeder ingaat op uitnodigingen van de GI voor een afspraak of uitvoerdersoverleg, daar verschijnt en dat als de moeder absoluut verhinderd is, zij zich uiterlijk één dag van tevoren afmeldt door een mail met reden van verhindering te sturen naar de gezinsmanager.
- de GI verwacht in ieder geval van de moeder dat zij op woensdag 4 januari 2023 om 13.30 uur op het kantoor van de GI aanwezig is voor een gesprek met de gezinsmanager.
3.9
Bij beschikking van 4 december 2023 heeft de rechtbank de beschikking van 6 april 2022 gewijzigd in zoverre, en bepaald dat in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders binnen nu en drie maanden contact tussen de vader en [minderjarige] zal plaatsvinden, buiten aanwezigheid van de moeder, op een nader door de GI in overleg met de vader te bepalen zaterdag- en zondagmiddag in hetzelfde weekend voor telkens twee uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en haar bij de moeder terugbrengt. Daarnaast heeft de rechtbank de zaak naar een meervoudige kamer verwezen.
3.1
Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de rechtbank mevrouw [curator] tot bijzondere curator over [minderjarige] benoemd.
3.11
Deze zaak is bij de rechtbank ter zitting behandeld op 7 oktober 2025, gelijktijdig met de zaak met nummer C/13/739134 / FA RK 23-5969. In laatstgenoemde zaak heeft de rechtbank bij beschikking van 4 november 2025 de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader bepaald en een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] bij de moeder in Nederland zal verblijven gedurende alle schoolvakanties in [plaats C] . Beide ouders hebben in die zaak hoger beroep ingesteld (zaaknummer 200.362.006/01). In die zaak is het principaal hoger beroep ter zitting van
8 januari 2026 behandeld. Bij beschikking van 27 januari 2026 heeft dit hof in het door de vader ingestelde principaal hoger beroep de bestreden beschikking bekrachtigd voor zover de rechtbank het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraadverklaring daarvan heeft afgewezen. Het hof doet in het incidenteel hoger beroep van de die zaak gelijktijdig uitspraak met deze zaak.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de raad [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 4 november 2025 tot 4 november 2026. De rechtbank heeft die beslissing niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
In principaal hoger beroep
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van twaalf maanden alsnog af te wijzen.
4.3
De vader verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De raad verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
In incidenteel hoger beroep
4.5
De raad verzoekt de bestreden beschikking alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en heeft ter zitting verzocht een machtiging af te geven tot tenuitvoerlegging van de beschikking met behulp van de sterke arm. De vader heeft zich bij deze verzoeken aangesloten.
4.6
De moeder verzoekt de verzoeken van de raad af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

In principaal hoger beroep
Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
5.2
Volgens de moeder heeft de rechtbank [minderjarige] ten onrechte onder toezicht van de GI gesteld. Een ondertoezichtstelling met het doel om een verhuizing van [minderjarige] naar de vader in gang te zetten is niet in haar belang. [minderjarige] belang verzet zich ertegen dat zij naar de vader in [plaats C] verhuist en daarvoor is ook geen aanleiding. De band tussen [minderjarige] en de moeder is goed en zij groeit veilig op bij de moeder. [minderjarige] wordt niet in haar ontwikkeling bedreigd. De betrokken instanties melden dat er zorgen zijn over de opvoedsituatie bij de moeder, maar de moeder herkent dat beeld niet. Het gaat goed met [minderjarige] bij de moeder en op school; er is geen sprake van veelvuldig schoolverzuim. In het geval dat er behoefte was om zicht te krijgen op het functioneren van de moeder en [minderjarige] , dan had een Hongaarstalige psycholoog of orthopedagoog ingeschakeld moeten worden. Ook geeft [minderjarige] zelf aan dat zij bij de moeder wil blijven, heeft een verhuizing impact op de relatie met haar halfbroer [halfbroer] en heeft de vader niet nagedacht over hoe [minderjarige] leven in [plaats C] vormgegeven moet worden. Daarbij staat de moeder contact met de vader niet in de weg, zoals hij beweert, maar zet de vader zich zelf niet in voor contactherstel. Bovendien verloopt de samenwerking met de GI goed. De moeder heeft de GI onlangs bij haar thuis uitgenodigd en haar deur staat altijd open voor de GI. Wel heeft de GI zich eerder onvoldoende ingezet om samen te werken met de moeder en daarin is dan ook niet alles geprobeerd.
5.3
De vader stelt dat de rechtbank [minderjarige] op juiste gronden onder toezicht heeft gesteld. [minderjarige] wordt in haar ontwikkeling bedreigd in de thuissituatie bij de moeder en er is daar geen zicht op haar veiligheid. De ondertoezichtstelling met het doel om zicht te krijgen op [minderjarige] opvoedsituatie bij de moeder is echter niet uitvoerbaar gebleken; het lukt de GI al jaren niet om samenwerking met de moeder tot stand te brengen en de zorgen zijn onverminderd aanwezig. Zo zijn er zorgen dat [minderjarige] te afhankelijk is van de moeder en is sprake van veel schoolverzuim bij [minderjarige] . Ook is er nog altijd geen contact tussen de vader en [minderjarige] omdat de moeder niet meewerkt. De vader heeft [minderjarige] al zeer lange tijd niet gezien, hetgeen schadelijk is voor haar ontwikkeling. Vanwege het gebrek aan medewerking van de moeder aan hulpverlening, de zorgen over de thuissituatie bij haar en het ontbreken van contact tussen de vader en [minderjarige] , is het in het belang van [minderjarige] om naar haar vader te verhuizen. Hoewel een verhuizing naar [plaats C] zeer ingrijpend is voor [minderjarige] , is dat de enige mogelijkheid om haar in een stabiele situatie te laten opgroeien waarbij zij met beide ouders contact kan hebben. De vader werkt mee aan hulpverlening en zal het contact tussen de moeder en [minderjarige] faciliteren. De ondertoezichtstelling is nodig om [minderjarige] overgang naar de vader in [plaats C] zorgvuldig voor te bereiden en daarna in gang te zetten.
5.4
Volgens de raad is een ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk. Door moeders houding lukt het al lange tijd niet om contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand te brengen, terwijl het voor [minderjarige] ontwikkeling belangrijk is dat de vader een rol heeft in haar leven. Ook zijn er al jaren zorgen over [minderjarige] thuissituatie bij de moeder. Die zorgen bestaan onder meer uit veelvuldig schoolverzuim, een zorgelijke hechtingsrelatie en de wederzijdse afhankelijkheid tussen de moeder en [minderjarige] . Daarbij is de manier waarop de moeder zeer gericht is op [minderjarige] suikerziekte zorgelijk en is mogelijk sprake van ziektewinst. De GI heeft de afgelopen jaren alles binnen haar macht gedaan om medewerking van de moeder te krijgen, maar zij blijft alle hulpverlening afhouden. De eerdere ondertoezichtstelling is daardoor niet uitvoerbaar gebleken. De zorgen zijn echter dusdanig groot dat er een bedreiging bestaat voor het veilig opgroeien van [minderjarige] bij de moeder, waardoor nu de enige mogelijkheid is dat zij naar de vader in [plaats C] verhuist. Op die manier kan [minderjarige] met beide ouders contact hebben. De vader accepteert hulp en de raad vertrouwt erop dat hij het contact met de moeder zal faciliteren. Omdat een verhuizing naar [plaats C] zeer ingrijpende gevolgen heeft voor [minderjarige] is een ondertoezichtstelling nodig om haar daar goed op voor te bereiden. Het is in [minderjarige] belang dat dat stapsgewijs gaat en zij de vader eerst beter leert kennen. Wel is de kans groot dat de moeder dat zal belemmeren, in welk geval extra hulp nodig is om [minderjarige] te begeleiden bij haar overgang naar de vader.
5.5
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat de rechtbank de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard en dat door de instelling van het hoger beroep daartegen de GI nu geen geldige opdracht heeft in het kader van de ondertoezichtstelling. Dat leidt ertoe dat de GI formeel geen informatie kan verstrekken. Daarvoor is toestemming van beide ouders nodig, maar de moeder geeft daarvoor geen toestemming.
5.6
De bijzondere curator heeft ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat het haar ten tijde van de procedure bij de rechtbank niet is gelukt om toegang te krijgen tot [minderjarige] , maar dat zij haar inmiddels wel heeft kunnen spreken. De bijzondere curator kan echter geen advies geven over het hoofdverblijf en daarmee ook niet over de ondertoezichtstelling, omdat zij [minderjarige] slechts eenmalig heeft gesproken en geen volledig beeld heeft van de situatie. Wel blijft het, gelet op de ontwikkelingsfase waarin [minderjarige] zich bevindt, belangrijk dat nu een beslissing wordt genomen over de verhuizing. Er zijn verschillende zaken die een rol spelen bij die beslissing. Enerzijds heeft een verhuizing een grote impact op [minderjarige] gevoel van veiligheid en verbinding. Anderzijds zijn er wel zorgelijke signalen. De moeder werkt niet samen met de hulpverlening. Ook is er al lange tijd geen contact tussen [minderjarige] en de vader, terwijl daarvoor geen belemmeringen zijn en contact op veilige wijze kan. Verder ziet de bijzondere curator dat [minderjarige] een negatief beeld heeft van haar vader dat niet door haarzelf is gevormd. Het is belangrijk dat [minderjarige] een eigen beeld van de vader kan vormen en daarvoor heeft zij emotionele toestemming nodig. Ook houdt [minderjarige] zich bezig met volwassenenzaken, zoals financiën, terwijl zij daar niet mee bezig zou moeten zijn. Als [minderjarige] naar [plaats C] moet verhuizen, is het belangrijk dat zij goede hulp krijgt om weer in verbinding te komen met haar vader.
De beoordeling door het hof
5.7
Uit de stukken en op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. Er is al veel gebeurd in [minderjarige] jonge leven. De ouders hebben een turbulente relatie gehad, waarin zij regelmatig conflicten met elkaar hadden. Om die reden is in juni 2017 een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken. Die voorlopige maatregel is na een aantal maanden geëindigd, omdat het de ouders beter lukte om met elkaar samen te werken. In de periode daarna is hulpverlening in het vrijwillig kader ingezet. In februari 2019 zijn de ouders uit elkaar gegaan. Sindsdien woont [minderjarige] bij de moeder, waar haar halfbroer [halfbroer] ook woont. Na het uiteengaan van de ouders hadden [minderjarige] en de vader geen contact. In oktober 2020 is [minderjarige] onder toezicht gesteld, onder meer omdat de moeder [minderjarige] onvoldoende emotionele toestemming gaf voor contact met de vader. De reden voor de verlengingen van de ondertoezichtstelling was onder meer dat er zorgen waren over [minderjarige] opvoedsituatie bij de moeder, de hechting van [minderjarige] aan de moeder en het ontbreken van contact met de vader. Daarnaast was er sprake van aanhoudend schoolverzuim; [minderjarige] is in groep 3 blijven zitten omdat zij veel had gemist. Daarbij werd de maatregel steeds nodig geacht omdat er, ondanks de zorgen, niet voldoende zicht kwam op [minderjarige] ontwikkeling, doordat de GI geen contact kon krijgen met de moeder. Die maatregel is per april 2024 geëindigd en toen is geen verlenging meer verzocht, omdat de ondertoezichtstelling niet uitvoerbaar was wegens het ontbreken van medewerking van de moeder. Tussen de ouders lopen al lange tijd juridische procedures, onder meer omdat zij het niet eens kunnen worden over de zorg voor [minderjarige] en bij welke ouder zij moet wonen. Sinds
juli 2019 is bij verschillende beschikkingen bepaald dat onder regie van de GI via hulpverleningstrajecten moet worden gewerkt aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader en heeft de GI in dat kader een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven, maar is er nooit structureel contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand gekomen. De vader is in 2022 naar [plaats C] verhuisd, waar hij met zijn partner en twee dochters woont. [minderjarige] en de vader hebben elkaar in 2023 voor het laatst gezien.
5.8
Uit het voorgaande blijkt dat al lange tijd zorgen bestaan over de opvoedomgeving bij de moeder. Die zorgen bestaan uit schoolverzuim, dat volgens de raad al jaren door [minderjarige] school wordt gemeld, [minderjarige] zelfredzaamheid en de manier van hechting van [minderjarige] aan de moeder, en het feit dat de moeder contactherstel met de vader onmogelijk maakt en [minderjarige] geen eigen beeld van hem heeft kunnen ontwikkelen. Doordat er geen enkel zicht komt op moeders en [minderjarige] situatie, omdat de moeder elke vorm van hulp weigert en de GI niet toelaat, kan de bedreiging in [minderjarige] ontwikkeling niet worden weggenomen. Door moeders weigerachtige houding kon de ondertoezichtstelling die eerder gold niet langer worden uitgevoerd, ondanks alle pogingen van de GI om in contact te komen met de moeder. Weliswaar heeft de GI de moeder en [minderjarige] onlangs kunnen spreken en heeft de bijzondere curator eenmalig toegang gekregen tot [minderjarige] , maar het hof ziet dat er, gelet op het verleden, geen reële verwachting bestaat dat de moeder structureel zal meewerken zodat daadwerkelijk stappen gezet kunnen worden. De raad heeft ter zitting bij het hof verklaard een patroon te zien waarbij de moeder in de aanloop naar zittingen enige verbetering laat zien, maar daarna al snel weer in oud gedrag vervalt. Daar komt bij dat [minderjarige] bij de moeder geen uitzicht heeft op herstel van contact met de vader. De moeder blijft voorwaarden stellen voor contact tussen de vader en [minderjarige] . Dat terwijl niet van de vader kan worden verwacht dat hij daaraan voldoet en bij beschikkingen steeds is overwogen dat het voor [minderjarige] van groot belang is dat er contactherstel plaatsvindt. In het geval dat [minderjarige] bij de moeder zal blijven, zal dus geen onbelast contact tussen de vader en [minderjarige] tot stand komen en zal nog steeds geen zicht zijn op de thuissituatie van [minderjarige] bij de moeder, terwijl daarover veel zorgen bestaan.
Bij beschikking van heden in de zaak met nummer 200.362.006/01 bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank van 4 november 2025 (zaaknummer rechtbank: C/13/739134 / FA RK 23-5969) om [minderjarige] hoofdverblijfplaats bij de vader in [plaats C] te bepalen. Het hof verwijst voor een nadere toelichting daarvan naar die beschikking. [minderjarige] zal dus naar [plaats C] gaan verhuizen.
5.9
Het hof acht ondertoezichtstelling van [minderjarige] noodzakelijk. Zoals genoemd heeft de verhuizing naar de vader in [plaats C] als doel om [minderjarige] ontwikkelingsbedreiging in de opvoedsituatie bij de moeder weg te nemen. Andere daartoe strekkende middelen zijn als gevolg van gebrek aan medewerking van de moeder niet uitvoerbaar of ontoereikend gebleken. De verhuizing zal echter zeer ingrijpend zijn voor [minderjarige] . Zij zal haar vertrouwde omgeving moeten verlaten en zich op een nieuwe plek en in een nieuwe gezinssituatie moeten gaan wortelen. Het hof begrijpt dat dat een grote overgang zal zijn en ziet onder ogen dat ook daarvan een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] kan uitgaan. Het hof heeft moeten kiezen tussen twee kwaden en verwacht dat een verhuizing [minderjarige] het minst zal schaden. Daarbij weegt ook mee dat [minderjarige] bij de vader het meeste perspectief heeft op vrij en onbelemmerd contact met haar beide ouders. Het hof gaat ervan uit dat de vader, zoals hij ter zitting ook heeft beaamd, niet onmiddellijk over zal gaan tot daadwerkelijke wijziging van [minderjarige] hoofdverblijfplaats. [minderjarige] dient daarop zo goed mogelijk te worden voorbereid en moet daarbij worden begeleid. Daarvoor is regie van de GI nodig binnen een ondertoezichtstelling. Door moeders weigerachtige houding volstaat het vrijwillig kader niet. Het hof benadrukt dat het in [minderjarige] belang is dat het contact met de vader eerst wordt opgebouwd, zodat zij de vader beter leert kennen. Het is dan ook van groot belang dat de moeder meewerkt aan het opbouwen van dat contact. Daarmee kan zij de impact die de verhuizing op [minderjarige] zal hebben verzachten. Mocht het onverhoopt toch onmogelijk zijn om [minderjarige] stapsgewijs kennis te laten maken met de vader omdat de moeder niet meewerkt, dan vertrouwt het hof erop dat de vader zoveel mogelijk in het werk zal stellen om [minderjarige] desondanks zo zacht mogelijk te laten landen in [plaats C] . Ook in dat geval is er een taak voor de GI weggelegd om dit te begeleiden. Verder geeft het hof de ouders in overweging dat het bij [minderjarige] overgang naar [plaats C] steunend voor haar is als zij haar hond kan meenemen, zoals ter zitting bij het hof naar voren is gekomen. De vader heeft in dit verband ter zitting in hoger beroep verklaard dat ook de hond welkom is bij hem. Het hof zal het verzoek van de moeder tot vernietiging van de ondertoezichtstelling afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
In incidenteel hoger beroep
5.1
Gelet op al het voorgaande acht het hof het van belang dat de verhuizing van [minderjarige] naar de vader in [plaats C] , met behulp van de GI binnen de ondertoezichtstelling, in gang kan worden gezet. Nu er voor zowel [minderjarige] als haar ouders duidelijkheid is gekomen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en gezien het belang van deze wijziging, is het belangrijk dat daar invulling aan kan worden gegeven. Door de beschikking van de rechtbank alsnog uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kan de GI starten met het voorbereiden van [minderjarige] op de verhuizing, zodat zij binnen afzienbare termijn bij de vader kan gaan wonen. Het hof zal de ondertoezichtstelling daarom alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
5.11
Met betrekking tot het verzoek tot machtiging tot tenuitvoerlegging van de beschikking met behulp van de sterke arm overweegt het hof dat dit niet voor toewijzing in aanmerking komt. Een ondertoezichtstelling geeft de GI immers niet het recht de minderjarige te doen afgeven. Daarbij merkt het hof op dat het bij beschikking van heden in de zaak met zaaknummer 200.362.006/01 de vader op de voet van artikel 812 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering machtigt om [minderjarige] aan zich te doen afgeven met behulp van de sterke arm.

6.De beslissing

Het hof:
in het principaal hoger beroep:
bekrachtigt de bestreden beschikking;
in het incidenteel hoger beroep:
verklaart de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Perfors, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.