Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:983

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.361.533/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265c BWArt. 810a RvArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing van minderjarige kinderen in netwerkpleeggezin

De zaak betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2], die sinds juni 2020 bij hun pleegmoeder, de zus van de moeder, wonen. De moeder oefent het gezag uit en is het niet eens met de verlenging van de machtiging tot 26 augustus 2026, omdat zij vindt dat de kinderen weer bij haar kunnen wonen.

De moeder heeft positieve stappen gezet, zoals het verbeteren van haar woonsituatie, het volgen van therapie en het onderhouden van een goede omgang met de kinderen. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming stellen echter dat de moeder onvoldoende openheid en medewerking toont, wat het zicht op haar draagkracht belemmert. Ook is de verstandhouding tussen moeder en pleegmoeder recent verslechterd, wat belastend is voor de kinderen.

Het hof heeft een deskundigenonderzoek gelast dat niet kon worden uitgevoerd vanwege gebrek aan medewerking van de moeder. Het hof oordeelt dat een nieuw onderzoek te belastend zou zijn voor de kinderen, die vooral behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Het hof onderschrijft het standpunt van de GI dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de moeder ligt en bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wijst het verzoek van de moeder tot terugplaatsing af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.533/01
zaaknummer rechtbank: C/15/367629 / JU RK 25-993
beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Braspenning te Amsterdam ,
en
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats B] ,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] , en
- [pleegmoeder] , hierna: de pleegmoeder.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] (10) en [minderjarige 2] (8) in een netwerkpleeggezin. De kinderrechter heeft de machtiging verlengd tot 26 augustus 2026.
De moeder is het daarmee niet eens en wil dat de kinderen weer bij haar komen wonen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 14 november 2025 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een beschikking van 15 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter).
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de GI van 2 maart 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de moeder van 10 maart 2026 met bijlage.
2.3
het hof heeft tevens kennis genomen – en daarvan op de zitting van 13 maart 2026 ook mededeling gedaan – van stukken uit het dossier in de zaak met zaaknummer 200.338.095/01 (de vorige verlengingsprocedure bij het hof)
2.4
Het hof heeft de kinderen – ook na de mondelinge behandeling nog - de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
2.5
De zitting heeft op 13 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een begeleider/coach,
- twee vertegenwoordigers van de GI,
- de pleegmoeder, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De GI heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De moeder heeft drie kinderen van wie de jongste zijn: [minderjarige 1] , geboren [in] 2015 en [minderjarige 2] , geboren [in] 2017 (hierna gezamenlijk: de kinderen).
De moeder oefent alleen het gezag uit over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van 26 augustus 2020 heeft de kinderrechter de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. De maatregel is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 26 augustus 2026.
In het kader van de ondertoezichtstelling zijn de kinderen uit huis geplaatst. Sinds 22 juni 2020 wonen zij bij de pleegmoeder; zij is de zus van de moeder.
Bij beschikking van 19 februari 2021 is een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin verleend. De machtiging tot uithuisplaatsing is nadien telkens verlengd.
3.3
De GI heeft op 20 juli 2023 een opvoedbesluit genomen dat erop neerkomt – kort gezegd – dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt.
Bij beschikking van 24 november 2023 betreffende de toen voorliggende verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem), na een beoordeling van het opvoedbesluit, onder andere overwogen dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de moeder ligt. Door de moeder is tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 30 juli 2024 heeft dit hof overwogen een deskundigenbericht te willen bevelen naar de opvoedsituatie van de kinderen en heeft de moeder en de GI eerst in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de voorgestelde onderzoeksvragen.
Bij beschikking van 22 oktober 2024 heeft het hof via het NIFP drs. A. de Jong, gz-psycholoog/orthopedagoog tot deskundige benoemd.
Het is de deskundige niet gelukt om tot samenwerking met de moeder te komen en daarom heeft de deskundige de onderzoeksopdracht teruggegeven.
Bij beschikking van 16 december 2025 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 24 november 2023 bekrachtigd.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, overeenkomstig het (gewijzigde) verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een netwerkpleeggezin verlengd tot 26 augustus 2026.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
I. het inleidend verzoek van de GI om de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlengen alsnog af te wijzen;
II. het inleidende verzoek van de moeder om te bepalen dat de kinderen (al dan niet gefaseerd) bij de moeder teruggeplaatst dienen te worden, alsnog toe te wijzen, dan wel, bij wijze van aanvullend verzoek, te bepalen dat als de kinderen nu nog niet terug kunnen naar de moeder, dat de GI hier nog steeds naartoe dient te werken;
III. bij wijze van aanvullend al dan niet subsidiair verzoek: een deskundigenonderzoek te gelasten ex artikel 810a tweede lid Wetboek van Rechtsvordering (Rv), waarbij wordt onderzocht of de kinderen gedragsproblemen hebben en zo ja, hoe die eruit zien en wat daar de oorzaak van is, alsmede of sprake is van trauma bij de kinderen en zo ja, wat daar de oorzaak van is, wat de opvoedbehoeftes van de kinderen zijn en of dat een opvoeden-plus-omgeving is en ten slotte of de moeder de kinderen kan bieden wat zij nodig hebben, waarbij het onderzoek dient plaats te vinden door een externe deskundige, zoals bijvoorbeeld het NIFP, dan wel een deskundigenonderzoek te gelasten naar de mogelijkheden om de kinderen weer bij de moeder thuis te plaatsen op een wijze en door een instantie die het hof zal bepalen;
IV. bij wijze van aanvullend verzoek: te bepalen dat de GI gelet op de omstandigheden van deze casus in redelijkheid niet tot de conclusie kan zijn gekomen dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de moeder zou liggen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.
Standpunt moeder
5.2
De moeder stelt dat de gronden voor een uithuisplaatsing van de kinderen niet meer aanwezig zijn. De kinderrechter heeft weliswaar oog gehad voor de positieve stappen die de moeder heeft gezet, maar heeft die te pril bevonden en daarbij overwogen dat de positieve ontwikkeling nog onvoldoende stabiel is. De moeder is het niet eens met die overweging; zij laat al langere tijd positieve stappen zien, zoals onder andere blijkt uit de beschikking van 20 augustus 2024 van de kinderrechter over de toen voorliggende verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De relatie met haar toenmalige partner is verbroken, haar woning is opgeknapt en de moeder heeft hulp ontvangen voor emotie- en agressieregulatie, onder meer door het volgen van een VERS-training en therapie bij De Waag. De omgang met de kinderen verloopt goed, is onbegeleid en is uitgebreid. De moeder en de kinderen hebben een goede onderlinge band. De moeder begeleidt de kinderen bij sport en laat daarin structuur en ritme zien. Wanneer de pleegmoeder een appel op de moeder doet, dan springt zij bij.
De moeder stelt verder dat zij emotioneel goed bij de kinderen aansluit, zoals toen haar moeder overleed. De moeder heeft toen een week bij haar zus (en dus de kinderen) verbleven ter ondersteuning. Verder heeft de moeder een baan gevonden. Ook heeft de moeder zich onlangs weer vrijwillig aangemeld bij De Waag voor verdere ondersteuning. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder verklaard dat zij helaas geen goed contact meer heeft met de pleegmoeder.
Eerder (medio 2022) werd vanwege positieve ontwikkelingen toegewerkt naar thuisplaatsing. De omstandigheden zijn nu minstens zo positief. De kinderen missen de moeder erg en willen graag terug naar huis. De moeder meent dan ook dat de kinderen weer bij haar kunnen wonen en dat de machtiging niet verlengd had moeten worden.
Standpunt GI
5.3
Medio februari 2026 is de GI erachter gekomen dat de kinderen sinds twee à drie maanden buiten de reguliere zorgregeling om in de weekenden bij de moeder verbleven. De moeder en de pleegmoeder hadden dit zelf zonder overleg met de GI (en Levvel) geregeld en hebben de kinderen gevraagd dat voor zich te houden. De pleegmoeder heeft het toch verteld aan de GI en sindsdien is de verstandhouding tussen haar en de moeder weer verslechterd (de pleegmoeder en de moeder hebben dit ter zitting bevestigd). Deze handelswijze baart de GI zorgen. Het is schadelijk voor de kinderen dat zij met geheimhouding werden belast. Daarnaast heeft de moeder er achteraf – anders dan de pleegmoeder - geen verantwoordelijkheid voor genomen. Bovendien maakt dit handelen duidelijk dat de GI niet voldoende zicht heeft op de situatie bij de moeder.
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verder verklaard dat het goed gaat met de kinderen en dat zij hun basis hebben bij de pleegmoeder. Zij biedt hun structuur en stabiliteit. De kinderen ontwikkelen zich goed bij de pleegmoeder en zij krijgen ondersteuning van hulpverleners van Levvel en Multidimensionale Therapeutische Pleegzorg (MTP).
De GI ziet al langere tijd een patroon in het contact met de moeder waarbij de samenwerking moeizaam verloopt. De moeder komt afspraken niet na en regelmatig verschijnt zij niet bij geplande gesprekken. De betrokken MTP-medewerker ziet dit patroon ook, al lukt het haar wel om telefonisch contact met de moeder te krijgen. Doordat de gesprekken onvoldoende plaatsvinden, blijft de draaglast (het hof begrijpt: draagkracht) van de moeder onduidelijk en wordt ook niet genoeg inzichtelijk hoe de contactmomenten eruit kunnen zien. Het feit dat het NIFP-onderzoek niet uitgevoerd kon worden past binnen dit patroon.
De kinderen zien dat de verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder verstoord is en zij weten dat de moeder hen thuis geplaatst wil hebben. Dat zorgt bij de kinderen voor ontregeling van de plaatsing. De kinderen hebben behoefte aan duidelijkheid over waar hun toekomst ligt, waarbij het belangrijk is dat alle betrokkenen zich daaraan conformeren. Voor de kinderen zou het goed zijn als er op korte termijn duidelijkheid komt over hun verblijfplaats die wat de GI betreft bij de pleegmoeder is en blijft.
Advies raad
5.4
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De mogelijkheden voor thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder zijn uitvoerig onderzocht. Hoewel er positieve ontwikkelingen waren, is de moeder er toch herhaaldelijk niet in geslaagd volledig mee te werken aan het krijgen van zicht op haar draagkracht. De kinderen zijn dol op de moeder, maar zij hebben inmiddels vooral duidelijkheid nodig en kunnen daarop echt niet langer wachten. Zij moeten niet langer worden belast met loyaliteitsproblemen. Het is in hun belang dat er duidelijke afspraken komen over ieders rol en dat iedereen zich daaraan bovendien houdt. Pas als die duidelijkheid en rust er zijn, kunnen de kinderen optimaal profiteren van therapie, aldus de raad.
Oordeel hof
5.5
Met de moeder is het hof eens dat zij sinds de uithuisplaatsing van de kinderen positieve stappen heeft gezet. Zij heeft structuur in haar leven aangebracht, heeft geprofiteerd van hulpverlening voor haar agressie- en emotieregulatieproblematiek en de kinderen zijn graag bij haar. De omgang verloopt goed en tussen de moeder en de pleegmoeder is de verstandhouding langere tijd goed geweest. Recentelijk is echter toch weer sprake geweest van achteruitgang. De moeder en de pleegmoeder hebben op eigen initiatief de zorgregeling verder uitgebreid. Dat zij dit hebben achtergehouden voor de hulpverleners en dat zij de kinderen hebben gemaand tot geheimhouding, is weliswaar niet alleen de moeder te verwijten (ook de pleegmoeder), maar het is illustratief voor het patroon dat de moeder door de jaren heen laat zien. Al dan niet vanwege haar wantrouwen jegens de GI en de hulpverleners slaagt zij er niet altijd in om zich te conformeren aan hetgeen de GI van haar verlangt, zoals in dit geval openheid en transparantie. Daarbij komt dat de verstandhouding tussen de moeder en de pleegmoeder ook weer is verslechterd en dat zij nu niet of nauwelijks met elkaar communiceren, hetgeen belastend is voor de kinderen.
Hoewel het hof ziet dat de moeder haar best doet en dat zij zich niet altijd erkend voelt (ook niet door de pleegmoeder), is het voor de kinderen nu vooral van belang dat zij een stabiele, betrouwbare opvoeder hebben die bovendien met hun extra behoeften kan omgaan. Doordat de moeder zich niet altijd aan de afspraken houdt, hetgeen ook weer is gebleken na het gelasten van het NIFP-onderzoek dat uiteindelijk wegens een gebrek aan medewerking door de moeder niet heeft kunnen plaatsvinden, bestaat nog steeds ernstige twijfel of de moeder de kinderen kan bieden wat zij nodig hebben.
Tegelijkertijd is gebleken dat het goed gaat met de kinderen bij de pleegmoeder. Bij de pleegmoeder hebben zij een goede basis en wordt stabiliteit geboden, wat bijdraagt aan hun positieve ontwikkeling. Dat brengt mee dat het hof, met de kinderrechter, van oordeel is dat de gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de pleegmoeder nog steeds aanwezig zijn.
Onderzoek
5.6
De moeder heeft subsidiair verzocht om een nieuw onderzoek te gelasten. Voordat een vergaande conclusie getrokken wordt dat de kinderen niet meer thuis zullen wonen, moet volgens haar eerst duidelijkheid komen over onder andere de vraag of de kinderen gedragsproblemen en/of een trauma hebben. Pas als duidelijk is wat de kinderen nodig hebben, kan worden beoordeeld of de moeder hun dat kan bieden. Dat het NIFP-onderzoek niet goed van de grond is gekomen, kwam door de timing: de moeder verloor in die periode haar moeder en dat viel haar erg zwaar. De moeder meent dat zonder nader onderzoek niet kan worden vastgesteld dat het perspectief van de kinderen niet meer bij haar ligt, vooral ook niet omdat de kinderrechter in haar beschikking van 20 augustus 2024 nog ervan uitging dat de kinderen binnen een redelijke termijn terug naar huis zouden kunnen. Die redelijke termijn is nog niet verstreken. Een deskundigenonderzoek is daarom aangewezen; dit onderzoek zal niet te veel van de kinderen vergen, aldus de moeder.
5.7
Artikel 810a, tweede lid, Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.8
Naar het oordeel van het hof verzet het belang van de kinderen zich in dit geval tegen een deskundigenonderzoek. Met de GI is het hof van oordeel dat een dergelijk onderzoek te belastend is voor de kinderen, omdat zij nu vooral behoefte hebben aan rust en duidelijkheid. Zeker nu het conflict tussen de moeder en de pleegmoeder weer is opgelaaid, worstelen de kinderen met hun loyaliteitsgevoelens. Daarbij komt dat herhaaldelijk is onderzocht wat de kinderen nodig hadden en of de moeder dat kon bieden. Levvel heeft twee keer een beoordelingsboog ingezet vanuit twee verschillende teams. Tweemaal was de conclusie dat een terugplaatsing niet in het belang van de kinderen is. Levvel concludeerde dat onvoldoende zicht was gekomen op de ontwikkeling van de moeder, omdat zij nauwelijks in positief contact stond met de hulpverlening. Ook het door dit hof gelaste NIFP-onderzoek heeft niet geleid tot zicht op de draagkracht van de moeder en haar geschiktheid als structurele opvoeder en verzorger van de kinderen; de onderzoeker slaagde er niet in om tot een gesprek te komen met de moeder (zie brief drs. A. de Jong van 7 april 2026). De GI beschrijft eveneens een patroon waarbij de moeder niet op afspraken verschijnt of die afzegt waardoor het onvoldoende tot een inhoudelijk gesprek over haar draagkracht komt. Hoewel dit hof in zijn tussenbeschikking van 30 juli 2024 nog overwoog dat er eerst een aantal vragen moest worden beantwoord voordat kon worden beslist over het perspectief en die vragen nog steeds niet zijn beantwoord, ziet het hof geen heil meer in een nieuw onderzoek. Sinds die tussenbeschikking is al bijna twee jaar verstreken en inmiddels weegt voor het hof de duidelijkheid die de kinderen nodig hebben het zwaarst.
Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Perspectief
5.9
Het hof betrekt ook het perspectiefbesluit bij zijn beoordeling. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de rechter een perspectiefbesluit kan beoordelen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. De GI heeft het standpunt ingenomen dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt. De moeder is het daarmee niet eens.
5.1
Zoals hiervoor overwogen, bestaat nog steeds ernstige twijfel of de moeder de kinderen kan bieden wat zij nodig hebben. Sinds de tussenbeschikking van het hof van 30 juli 2024 is al bijna twee jaar verstreken en inmiddels weegt voor het hof de duidelijkheid die de kinderen nodig hebben het zwaarst. Bij de pleegmoeder hebben zij een goede basis en wordt stabiliteit geboden, wat bijdraagt aan hun positieve ontwikkeling.
Het hof onderschrijft het belang dat de GI hecht aan het vormgeven van een betekenisvolle rol van de moeder in het leven van de kinderen en is het daarnaast met de GI eens dat de kinderen bij de pleegmoeder zullen opgroeien en dat niet meer aan terugplaatsing bij de moeder wordt gewerkt. Het opgroeiperspectief van de kinderen ligt niet meer bij de moeder.
Artikel 8 EVRM Pro
5.11
Voor zover de moeder zich beroept op artikel 8 EVRM Pro, overweegt het hof als volgt. Uit het voorgaande blijkt van feiten en omstandigheden die de inbreuk op het familie- en gezinsleven van de moeder en de kinderen, zoals wordt beschermd door artikel 8 EVRM Pro, rechtvaardigen. Daarbij weegt het hof mee dat er nog steeds structureel contact tussen de moeder en kinderen bestaat. De machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk ter bescherming van de ontwikkeling van de kinderen.
5.12
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.