Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:987

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
200.351.151/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie en onderzoek contactherstel tussen vader en kinderen

De zaak betreft een geschil tussen ouders over vervangende toestemming voor psychologische evaluatie en behandeling van hun kinderen, contactherstel tussen vader en kinderen, en de hoogte van de kinderalimentatie.

De rechtbank wees verzoeken van de moeder tot vervangende toestemming en hogere alimentatie af, en het verzoek van de vader tot hervatting van de zorgregeling. Beide partijen gingen in hoger beroep. Het hof oordeelt dat onvoldoende zicht is op de situatie van de kinderen en verzoekt de raad een onderzoek te verrichten naar contactmogelijkheden, belemmeringen, en benodigde behandeling. De zaak wordt pro forma aangehouden tot 7 februari 2027.

Ten aanzien van de kinderalimentatie stelt het hof vast dat de vader sinds 15 januari 2026 een vast inkomen heeft in Denemarken. Op basis van draagkrachtberekeningen wijzigt het hof de alimentatie tot €102 per kind per maand vanaf die datum. Er wordt geen zorgkorting toegepast vanwege het ontbreken van omgang sinds september 2023.

De beslissing vernietigt de eerdere beschikking voor zover deze de alimentatie betreft, wijzigt deze en verzoekt de raad een onderzoek uit te voeren. De verdere behandeling wordt aangehouden tot ontvangst van het rapport van de raad.

Uitkomst: Het hof wijzigt de kinderalimentatie per 15 januari 2026 en houdt de zaak pro forma aan voor een raadsonderzoek naar contactherstel en behandeling van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.351.151/01
zaaknummer rechtbank: C/13/756172/ FA RK 24-5946 (HH/ID)
beschikking van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak van
[de moeder],
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.R. Brouwer te Amsterdam,
en
[de vader] ,
verblijvende te [plaats B] (Denemarken),
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. G.G. Kempenaars te Almere .
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt na te noemen minderjarigen:
- [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] );
- [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ).

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over vervangende toestemming voor onder meer een evaluatie bij Child Assessment en een behandeling bij Child Development van [minderjarige 1] (14 jaar) en [minderjarige 2] (10 jaar), de mogelijkheid tot contactherstel tussen de vader en de kinderen en de hoogte van de door de vader te betalen kinderalimentatie voor de kinderen.
De rechtbank heeft beide verzoeken van de moeder ten aanzien van de vervangende toestemming en een hogere kinderalimentatie afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vader ten aanzien van de hervatting van de eerder vastgestelde zorgregeling afgewezen en bepaald dat verder gewerkt wordt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen op geleide van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling.
De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat de vervangende toestemming alsnog moet worden gegeven en een hogere kinderalimentatie moet worden vastgesteld.
De vader is het ook niet eens met de bestreden beschikking en wil dat er concreet zal worden toegewerkt naar contactherstel tussen hem en de kinderen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 13 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 december 2024 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 25 april 2025 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 3 juni 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de moeder van 6 februari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de vader van 12 februari 2026 met bijlagen;
- een bericht van de moeder van 15 februari 2026 met als bijlage de echtscheidingsbeschikking.
2.5
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen) hebben beiden in een brief laten weten wat zij van de zaak vinden. De voorzitter heeft ter zitting een samenvatting van de inhoud van deze brieven gegeven.
2.6
De zitting heeft op 19 februari 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- mr. Brouwer namens de moeder,
- de vader heeft de zitting via een beeld- en geluidverbinding bijgewoond en is bijgestaan door zijn advocaat en C.M. Chaparro, tolk in de Spaanse taal.
- de raad, vertegenwoordigd door A. Touber.
De moeder was niet aanwezig tijdens de zitting.
2.7
Na afloop van de zitting heeft het hof de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de vader van 5 maart 2026;
- een bericht van de moeder van 11 maart 2026.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2011 te [plaats C] , Spanje;
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [plaats C] , Spanje.
De ouders zijn getrouwd geweest tot 19 september 2023 en hebben gezamenlijk gezag over de kinderen.
3.2
De ouders hebben de Spaanse nationaliteit.
3.3
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.4
Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 12 december 2022 is een opbouwregeling bepaald waarbij zal worden toegewerkt naar een zorgregeling, waarbij de kinderen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven. Daarnaast is bepaald dat de kinderen iedere dinsdag en om de andere week op vrijdag een videobelcontact hebben met de vader.
3.5
Bij beschikking van de rechtbank van 14 maart 2023 zijn de kinderen voor de duur van zes
maanden onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats] (hierna: de GI). De ondertoezichtstelling is daarna niet verlengd, omdat een verlengingsverzoek per abuis is uitgebleven. De GI was daarna wel betrokken in het vrijwillig kader.
3.6
Bij beschikking van de rechtbank van 9 mei 2023 is de eerder bij beschikking van 12 december 2022 vastgestelde voorlopige zorgregeling tussen de vader en de kinderen beëindigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat onder regie van de GI en Adagio [plaats] verder gewerkt zal worden aan contactherstel tussen de vader en de kinderen en dat er in dat kader ook begeleid contact kan plaatsvinden als dat in het belang van de kinderen wordt geacht.
3.7
Bij de echtscheidingsbeschikking van 4 augustus 2023 heeft de rechtbank bepaald dat de vader € 50,- per maand (totaal) dient te betalen aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna te noemen: kinderalimentatie), met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (19 september 2023).
3.8
De vader heeft de kinderen voor het laatst gezien in september 2023.
3.9
Bij beschikking van de kinderrechter van 19 november 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van zes maanden. Bij beschikking van 8 mei 2025 heeft de kinderrechter het verzoek tot verlenging van deze ondertoezichtstelling afgewezen.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het verzoek van de vader tot hervatting van de bij beschikking van 12 december 2022 vastgestelde zorgregeling afgewezen en bepaald dat verder gewerkt wordt aan contactherstel tussen de vader en de kinderen op geleide en onder regie van de GI in het kader van de op 19 november 2024 uitgesproken ondertoezichtstelling. De rechtbank heeft verder afgewezen het verzoek van de moeder tot verlening van vervangende toestemming om de kinderen psychologisch te laten evalueren bij The Child Assessment Group en om hen na goedkeuring door de gemeente aan te melden en te laten behandelen bij Child Development. De rechtbank heeft de moeder daarnaast niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek betreffende de wijziging van de kinderalimentatie.
Principaal hoger beroep
4.2
De moeder verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de vader vanaf 1 januari 2024 een kinderalimentatie dient te betalen van € 350,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.
De moeder verzoekt daarnaast vervangende toestemming te verlenen om de kinderen psychologisch te laten evalueren bij The Child Assessment Group en om de kinderen (na goedkeuring door de gemeente) aan te melden en te laten behandelen bij Child Development.
4.3
De vader verzoekt deze verzoeken van de moeder af te wijzen.
Incidenteel hoger beroep
4.4
De vader verzoekt, met gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beschikking, een contact- dan wel zorgregeling te bepalen, waarbij sprake zal zijn van een opbouw in het herstel van het contact binnen vier weken na deze beschikking, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor ieder moment dat de moeder niet meewerkt aan deze regeling.
4.5
De moeder verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Principaal en incidenteel hoger beroep
5.1
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.
Vervangende toestemming evaluatie en behandeling kinderen
5.2
De moeder vraagt vervangende toestemming voor een psychologische evaluatie door The Child Assessment Group en een behandeling bij Child Development van beide kinderen. De moeder stelt dat de kinderen nog steeds onverwerkte trauma’s hebben en dat therapie noodzakelijk is. De moeder heeft een passende psycholoog gevonden voor de kinderen die Spaans spreekt en is gespecialiseerd in de ontwikkeling van kinderen. Deze psycholoog werd aanbevolen door de psycholoog op school. De moeder heeft de verzochte psychologische evaluatie nodig, omdat Child Development geen contract heeft met de gemeente [plaats A] . Als zij een evaluatie voegt bij de aanvraag, heeft zij meer kans dat het wordt toegewezen. De moeder is het eens met de rechtbank dat een Spaanse psycholoog voor de kinderen kan worden ingezet door de ouders. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat onduidelijk is waarom de GI dat heeft tegengehouden, omdat dat voor de kinderen helpend kan zijn en er geen enkel beschikbaar alternatief voor handen was en is.
5.3
Volgens de vader gaat het niet goed met de kinderen. [minderjarige 1] is blijven zitten. Hij maakt zich zorgen over de kinderen. De vader wil ook dat de kinderen de nodige hulpverlening krijgen, maar wil hierover wel geïnformeerd worden en met de moeder bespreken wat de verschillende opties zijn. De GI heeft volgens de vader aangegeven dat Child Development niet is gespecialiseerd in contactherstel en dat dit wel kan lopen via Arkin, waar een wachttijd is van negen maanden. De GI heeft aangegeven dat in de tussentijd IHub kan worden ingeschakeld om samen met Child Development te kunnen komen tot contactherstel.
De vader wil voorkomen dat de moeder net als bij Adagio zal aangeven dat de kinderen eerst therapie nodig hebben, voordat het contact kan worden opgebouwd.
De moeder wil volgens de vader alles bepalen en informeert de vader niet of nauwelijks. De moeder heeft zelf aangegeven dat zijzelf en de kinderen een jaar lang individuele therapie hebben gehad bij Adagio. De vader is niet tegen psychische hulp voor de kinderen, maar hij wil wel graag weten waarom dat via een instantie in Den Haag moet gebeuren en wat voor traject dit zou zijn en of er niet via de GI andere, betere alternatieven voorhanden zijn.
Contactregeling
5.4
De vader vraagt op zijn beurt een contact- dan wel een zorgregeling te bepalen, waarbij sprake zal zijn van een opbouw in het herstel van het contact binnen vier weken na het wijzen van de beschikking, met daaraan gekoppeld een dwangsom. Verschillende instanties zijn al jaren van mening dat er omgang moet zijn tussen de vader en de kinderen. De GI heeft gefaald en heeft partijen niet kunnen ondersteunen hierbij. Verschillende vormen van hulpverlening zijn volgens de vader niet van de grond gekomen, omdat de moeder van mening is dat de kinderen eerst moeten worden behandeld.
De vader heeft weinig vertrouwen in het Sociaal Team, waar de moeder het gezin heeft aangemeld en zij op de wachtlijst staan. Dit is hetzelfde Sociaal Team waar de ouders in eerste instantie bij zaten voordat de ondertoezichtstelling er was. Volgens de vader is er sprake van ouderverstoting waar de kinderen schade van ondervinden. De vader staat ervoor open om mee te werken aan de opbouw van het contact op welke manier dan ook. Hij is ermee akkoord als er wordt begonnen met videobellen. Hij vindt het ook goed als er een bijzondere curator of een kindbehartiger betrokken zal zijn.
De vader zou ook graag zien dat de moeder het contact tussen de kinderen en de familie van de vader niet in de weg staat en stimuleert, in die zin dat de kinderen tijdens de feestdagen ook contact hebben met de familie van de vader, meer specifiek met de moeder en de oma van de vader en ze in ieder geval twee keer kunnen zien tijdens hun verblijf in Spanje.
5.5
De moeder acht een contactregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen. De kinderen zijn nog steeds belast met een trauma waar zij tot op heden nog geen behandeling voor hebben gehad. De moeder is van mening dat dit eerst dient te gebeuren om te bezien of contactherstel tot de mogelijkheden behoort. Het verzoek om daar een dwangsom aan te verbinden moet volgens de moeder worden afgewezen. Uit niets blijkt dat zij een gerechtelijke uitspraak niet nakomt.
Het is niet aan de vader om te bepalen wanneer en hoe vaak de kinderen tijdens een vakantie in Spanje contact hebben met hun oom, tante en overgrootmoeder. Het verzoek ten aanzien van oma moet worden afgewezen, omdat dit in ieder geval niet in het belang van de kinderen is. De moeder heeft zich inmiddels aangemeld bij het Sociaal Team, om te kijken wat tot de mogelijkheden zou behoren. Zij staat op dit moment op een wachtlijst.
Advies raad
5.6
De raad is tijdens meerdere zittingen aanwezig geweest en heeft ook een ondertoezichtstelling verzocht, omdat er zorgen waren over de kinderen en de situatie. Op dit moment is er onvoldoende zicht op de kinderen om te kunnen constateren dat het beter gaat met de kinderen. De raad vindt het zorgelijk dat de vader sinds halverwege 2023 bijna geen contact heeft gehad met de kinderen. De raad is van mening dat er contact moet zijn tussen de vader en de kinderen. Gelet op hetgeen de kinderen in de kindbrief hebben aangegeven aan het hof, is de raad van mening dat de opbouw van het contact, waaronder het videobellen, moet worden ondersteund door de hulpverlening. De raad vindt het belangrijk dat er eerst meer zicht komt op de hele situatie en adviseert daarom een raadsonderzoek te doen naar de beste manier om het contact te herstellen. Daarbij kan ook worden onderzocht hoe het gaat met de kinderen en welke behandeling zij nodig hebben.
Beoordeling door het hof
5.7
Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de moeder tot het doen plaatsvinden van een psychologische evaluatie van de kinderen afgewezen, omdat de GI betrokken was en binnen het kader van de ondertoezichtstelling en onder regie van de GI gekeken kan worden welke hulp/behandeling/onderzoek noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Inmiddels is duidelijk dat de ondertoezichtstelling niet is verlengd en dat de begeleiding van de GI niet van de grond is gekomen, anders dan dat het gezin gemonitord werd. Doordat de GI niet langer betrokken is bij het gezin, is ook de contactregeling tussen de vader en de kinderen niet opgestart.
5.8
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader aangevoerd dat hij zijn handtekening heeft gezet, zodat kan worden gestart met een diagnosestelling. De moeder heeft naar voren gebracht dat zij voor [minderjarige 1] inmiddels zelf de evaluatie bij Child Assessment Group heeft bekostigd. Volgens de advocaat van de vader heeft zij op 25 oktober 2025 reeds een mail van de advocaat van de moeder gehad waarin stond dat [minderjarige 1] door de psycholoog is getest en dat de kosten
€ 1.800,- bedroegen en dat zij in afwachting is van de resultaten en of zij in aanmerking komt voor therapie en zo ja, welke therapie.
De kosten voor de gesprekken met de psycholoog bedragen volgens de moeder ongeveer € 800,- per maand. De moeder gaat kijken of de gemeente kan bijspringen. In sommige gevallen doet de gemeente dat wanneer het geen gecontracteerde partij is, maar het wel nodig is voor de jeugdige in de gemeente, aldus de moeder. Voor [minderjarige 2] is nog geen evaluatie gestart, vanwege de aanzienlijke kosten.
5.9
Het hof is, met de raad, van oordeel dat er op dit moment onvoldoende zicht is op hoe de kinderen zich ontwikkelen en hoe het met de kinderen gaat, of zij behandeling nodig hebben en hoe het contact met hun vader het beste weer kan worden opgestart. Het hof acht zich daarom op dit moment nog onvoldoende geïnformeerd om een beslissing te kunnen nemen over zowel de opbouw van het contact tussen de vader en de kinderen als de vervangende toestemming voor de evaluatie en behandeling van de kinderen.
Het hof zal de raad daarom verzoeken een onderzoek te verrichten en advies uit te brengen over - in ieder geval - de volgende vragen:
- Welke mogelijkheden zijn er voor een contactregeling tussen de vader en de kinderen?
- Zijn er factoren die de omgang belemmeren? En zo ja, welke?
- Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?
- Hoe dient, in het geval er mogelijkheden zijn voor omgang, deze omgang qua vorm en frequentie, in het belang van de kinderen vormgegeven te worden?
- Hebben de kinderen een behandeling nodig en zo ja welke behandeling is het meest passend en bij welke instantie(s)?
- Zijn er verder omstandigheden die van belang zijn voor de door het hof te nemen beslissingen?
De raad wordt verzocht het hof omtrent de resultaten van het onderzoek schriftelijk te rapporteren en adviseren. In afwachting van het raadsonderzoek zal het hof de behandeling van de zaak voor de duur van negen maanden pro forma aanhouden, te weten tot zondag 7 februari 2027.
5.1
Het hof ziet gelet op deze stand van zaken, ondanks dat [minderjarige 2] heeft aangegeven wel te willen videobellen met de vader, geen mogelijkheid om vooruitlopend op het onderzoek door de raad een start te maken met het contact, middels bijvoorbeeld videobellen. Het hof is met de raad van oordeel dat ook het opstarten van videobellen onder begeleiding van de hulpverlening zal moeten plaatsvinden.
Kinderalimentatie
5.11
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Wijziging van omstandigheden
5.12
Op grond van artikel 1:401 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Tussen partijen is in geschil of sprake is van een wijziging van omstandigheden in de zin van voornoemd artikel.
5.13
De rechtbank heeft de door de vader te betalen kinderalimentatie bij de echtscheidingsbeschikking van 4 augustus 2023 vastgesteld op € 50,- per maand (totaal) voor de kinderen, omdat hij op dat moment een WW-uitkering ontving en mogelijk in aanmerking kwam voor een bijstandsuitkering.
5.14
De moeder heeft wijziging van deze kinderalimentatie verzocht, omdat de vader volgens de moeder sinds december 2023 weer werkzaam is. In eerste instantie was de vader werkzaam in Spanje, maar vanaf maart 2024 werkt de vader voor Mitsubishi in [plaats D] .
5.15
Volgens de vader is er niet veel veranderd sinds september 2023. Hij heeft weliswaar een paar maanden via een uitzendbureau gewerkt bij Mitsubishi, maar deze opdracht is beëindigd. De vader is afhankelijk van de financiële steun van zijn moeder om zijn hoge vaste lasten te kunnen blijven betalen. De vader betoogt dat hij nog steeds onvoldoende draagkracht heeft om meer bij te dragen in de kosten van de kinderen.
5.16
Het hof stelt net als de rechtbank vast dat de vader weliswaar enige tijd via een uitzendbureau heeft gewerkt, maar is met de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is vast komen te staan dat dat in financieel opzicht een zodanige verandering heeft opgeleverd ten opzichte van de eerdere beslissing dat die daardoor dient te worden gewijzigd vanaf 1 januari 2024.
In hoger beroep is echter duidelijk geworden dat de vader inmiddels sinds juli 2025 in Denemarken woont. Hij is gaan werken bij een logistieke loods via een uitzendbureau op basis van vraag, zonder een vast contract. Sinds 15 januari 2026 heeft de vader een arbeidscontract bij Bestseller Logistics A/S in Denemarken. Hij werkt 37 uur per week tegen een salaris van omgerekend naar euro’s € 2.367,- netto per maand.
Het hof ziet daarin aanleiding om een wijziging van omstandigheden aan te nemen per 15 januari 2026, omdat vanaf dat moment duidelijk is dat de vader een vast inkomen heeft. Deze wijziging rechtvaardigt een herbeoordeling van de onderhoudsverplichting van de vader richting de kinderen.
Behoefte van de kinderen
5.17
De bij de echtscheidingsbeschikking van 4 augustus 2023 vastgestelde behoefte van € 1.063,- per kind per maand in 2022 is niet in geschil en staat daarmee vast. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.300,- per kind per maand.
Draagkracht van de ouders
5.18
Het hof moet vervolgens beoordelen of de ouders over voldoende draagkracht beschikken om elk hun aandeel in de behoefte van de kinderen te kunnen betalen. Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van beide ouders hun netto besteedbaar inkomen (hierna: NBI) tot uitgangspunt.
Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]. Dit betekent dat op het NBI 30% in mindering wordt gebracht in verband met het forfaitaire woonbudget, dat rekening wordt gehouden met een bedrag van € 1.365,- aan overige lasten en dat wordt uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70.
Draagkracht vader
5.19
De vader is in loondienst werkzaam bij Bestseller Logistics A/S in Denemarken. Uit het arbeidscontract en de salarisspecificatie van de vader van februari 2026 volgt dat hij een netto inkomen heeft van omgerekend naar euro’s € 2.367,- per maand. Het hof zal geen rekening houden met een vakantiegelduitkering, omdat in Denemarken werknemers weliswaar 12,5% van het verdiende salaris opbouwen als vakantiegeld, maar dit bedoeld is om ervoor te zorgen dat werknemers doorbetaald krijgen tijdens hun vakantieverlof van vijf weken.
5.2
De vader stelt in zijn laatste bericht van 5 maart 2026 dat hij in Denemarken hogere kosten heeft, zoals blijkt uit de Big Mac Index. Zo kost een Big Mac in Nederland $ 7,- en in Denemarken $ 7,16. Hij verzoekt deze bedragen te verdisconteren in zijn draagkrachtloos inkomen. Ook stelt hij dat zijn woonlasten hoger liggen dan 30% van zijn inkomen, namelijk € 1.405,- per maand inclusief parkeerplek en € 1.198,- per maand exclusief parkeerplek.
5.21
De moeder verzoekt dit aanvullende verweer ten aanzien van de Big Mac Index van de vader buiten beschouwing te laten. Daarnaast merkt de moeder op dat de salarisspecificaties in het Deens zijn en daarom niet te volgen zijn. Ook wijst zij erop dat de belastingschijf in Denemarken de eerste vijf jaar slechts 32% bedraagt en de vader aanspraak kan maken op huurtoeslag en bovendien geen ziektekosten heeft.
5.22
Het hof zal het verweer van de vader ten aanzien van de Bic Mag Index toelaten, aangezien de vader ter zitting in hoger beroep ook naar voren heeft gebracht dat er in Denemarken sprake is van hoge kosten van levensonderhoud. Het hof ziet echter geen aanleiding om de Big Mac Index toe te passen, omdat daaruit volgt dat er slechts sprake is van een minimaal verschil, te weten $ 7,05 voor een Big Mac in Europa en $ 7,14 in Denemarken. Dit geeft dan ook geen aanleiding om de overige lasten in de in r.o. 5.18 genoemde formule aan te passen.
Het hof is daarnaast van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd waarom het niet redelijk is om uit te gaan van het woonbudget. Los van vraag of de vader in aanmerking kan komen voor huurtoeslag, heeft hij niet gesteld dat hij geen goedkopere woonruimte kan vinden. Het is de keuze van de vader om in de huidige woning te blijven wonen. Het hof zal daarom uitgaan van het woonbudget.
Op grond van de hiervoor onder 5.18 genoemde draagkrachtformule bedraagt zijn draagkracht dan € 204,- per maand, oftewel € 102,- per kind per maand.
Draagkracht moeder
5.23
De moeder is in loondienst werkzaam bij European Medicines Agency (EMA). Uit een bericht van 8 december 2025 van EMA volgt dat het inkomen van de moeder over 2025 € 67.467,-, oftewel € 5.622,- netto per maand bedraagt. Zij is vrijgesteld van belastingheffing. Op grond van de hiervoor onder 5.18 genoemde draagkrachtformule bedraagt haar draagkracht dan € 1.799,- per maand.
De verdeling van de kosten
5.24
De ouders hebben samen een draagkracht van € 2.003- per maand (€ 204,- + € 1.799,-), terwijl de kosten van de kinderen € 2.600,- per maand zijn. Een draagkrachtvergelijking is hier niet nodig, omdat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen. De ouders komen dus samen een bedrag van € 597,- per maand tekort. Zij moeten daarom ieder hun volledige draagkracht gebruiken. Dat betekent dat de vader met € 204,- per maand, oftewel € 102,- per kind per maand moet bijdragen in de kosten van de kinderen.
Zorgkorting
5.25
Gebleken is dat er sinds september 2023 geen omgang plaatsvindt en dat niet te verwachten is dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen, aangezien eerst een raadsonderzoek zal moeten plaatsvinden. Onder die omstandigheden ziet het hof op dit moment geen aanleiding rekening te houden met een zorgkorting aan de zijde van de vader.
Conclusie
5.26
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vader met ingang van 15 januari 2026 een kinderalimentatie voor de kinderen van € 102,- per kind per maand aan de moeder moet betalen.
Het hof heeft een berekening gemaakt van het NBI van de partijen, alsmede een berekening en verdeling van de kosten van de kinderen. Een exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
5.27
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
principaal hoger beroep:
vernietigt de bestreden beschikking voor zover die ziet op de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijzigt de beschikking van de rechtbank van 4 augustus 2023 en bepaalt dat de vader aan de moeder met ingang van 15 januari 2026 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 102,- (zegge: honderdtwee euro) per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
principaal en incidenteel hoger beroep:
en, alvorens verder te beslissen:
verzoekt de raad een onderzoek te verrichten ter beantwoording van de onder 5.9 geformuleerde vragen;
houdt de behandeling van de zaak pro forma aan tot zondag 7 februari 2027, en verzoekt de raad omtrent de resultaten van dit onderzoek zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee weken voor deze datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen en aan het hof te doen toekomen;
bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.M. van Baardewijk en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.