Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:996

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
23-002221-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling, poging diefstal met geweld en poging afpersing met deels voorwaardelijke gevangenisstraf

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake mishandeling, poging diefstal met geweld en poging afpersing gepleegd door de verdachte in 2022. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. Het hof bevestigde de bewezenverklaring van de feiten, maar vernietigde de strafoplegging en legde een nieuwe straf op.

De verdachte had zich schuldig gemaakt aan ernstige feiten die langdurige angst en onveiligheid bij de slachtoffers veroorzaakten. Uit een Pro Justitia rapportage bleek dat de verdachte leed aan een autismespectrumstoornis, wat leidde tot verminderd toerekeningsvatbaarheid. Het hof achtte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend, met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor beschermd wonen.

De benadeelde partij had een vordering tot immateriële schadevergoeding van €800,- ingediend, welke het hof toewijst met wettelijke rente vanaf de pleegdatum. De verdachte is gehouden tot betaling, met mogelijkheid tot betaling in termijnen. Het hof bevestigde het vonnis voor het overige en legde de schadevergoedingsmaatregel op om nakoming te bevorderen.

Uitkomst: Het hof legt een gevangenisstraf van 280 dagen op, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, en wijst de immateriële schadevergoeding van €800 toe.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002221-23
datum uitspraak: 27 maart 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2023 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-327770-22 (zaak A) en 13-307067-22 (zaak B) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 maart 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit om die reden bevestigen behalve ten aanzien van de straf -in zoverre zal het vonnis worden vernietigd- en met dien verstande dat het hof:
- de kwalificatie van zaak B subsidiair verbeterd leest als: “poging tot afpersing”;
- in de strafoplegging rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht;
- een beslissing neemt over de vordering van de benadeelde partij.

Oplegging van straf en maatregelen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder feit 1 en feit 2 en zaak B subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en een viertal bijzondere voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder zaak A feit 1 en 2 en zaak B subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 280 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, waarbij als bijzondere voorwaarden – dadelijk uitvoerbaar – worden opgelegd: een meldplicht, ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang.
De raadsman heeft gesteld zich te kunnen vinden in het voorstel van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, een poging diefstal met geweld en een poging afpersing van twee willekeurige slachtoffers. Dit zijn ernstige feiten die langdurig gevoelens van angst en onveiligheid hebben veroorzaakt bij de slachtoffers. Dat de gebeurtenissen grote impact hebben gehad op de slachtoffers blijkt onder meer uit wat namens het slachtoffer van de poging tot afpersing ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht.
Het hof heeft verder kennis genomen van de Pro Justitia rapportage van 22 april 2023 opgemaakt door [deskundige] , GZ-psycholoog. In dit rapport is onder meer vermeld dat de verdachte leidt aan een autismespectrumstoornis. Daardoor heeft de verdachte moeite om situaties op een juiste manier in te schatten, problemen op adequate wijze op te kunnen lossen en zijn gedrag op een functionele manier te sturen. De rapporteur adviseert om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen. Om recidive te voorkomen is de verdachte gebaat bij behandeling gericht op psycho-educatie, het leren inschatten van potentiële risicosituaties, het aanleren van adequate oplossingsvaardigheden en stressregulatie.
Het hof verenigt zich met de conclusies van de deskundige. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten verminderd toerekeningsvatbaar was.
De verdachte heeft inmiddels een dwangbehandeling ondergaan en onlangs is besloten dat er geen reden meer is om de zorgmachtiging van de verdachte te verlengen. Verder is de verdachte na een intake periode begonnen aan een behandeling bij Fivoor en ontvangt hij ambulante begeleiding bij het wonen.
Naast de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd. Gelet daarop en gezien de ernst van de feiten kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet anders worden gereageerd dan met een langdurige gevangenisstraf. Wel is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat het van belang is dat de verdachte zijn behandeling kan voortzetten en zijn woning met ambulante begeleiding kan behouden, waardoor het niet wenselijk is dat de verdachte nog terug de gevangenis in gaat. Verder houdt het hof bij de strafoplegging rekening met het feit dat de redelijke termijn in hoger beroep met een aantal maanden is geschonden.
Alles afwegende, acht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en met aftrek van voorarrest passend en geboden. Aan het voorwaardelijke gedeelte van de straf zal het hof een proeftijd van drie jaren verbinden met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en verblijf in een instelling voor beschermd wonen.
Het hof zal ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg tijdig in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Om onduidelijke redenen heeft de rechtbank bij het vonnis waarvan beroep geen beslissing genomen over de vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep wederom gevoegd met een vordering van € 800,00 volledig bestaande uit immateriële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering, dat de vordering voldoende onderbouwd is en geheel dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman van de verdachte heeft geen verweer gevoerd tegen de vordering, maar benadrukt wel dat de verdachte gelet op zijn draagkracht de vordering slechts in termijnen kan voldoen.
Het hof oordeelt dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 800,00 volledig bestaande uit immateriële schade. De benadeelde partij heeft recht op een billijke vergoeding van zijn immateriële schade indien hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast (artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW). Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen met de Rotterdamse schaal als uitgangspunt, acht het hof het hiervoor genoemde bedrag aan immateriële schade van € 800,00 billijk. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de pleegdatum, zal worden toegewezen. Voor een betaling in termijnen zal de verdachte contact dienen op te nemen met de instantie die de tenuitvoerlegging op zich neemt.
Het hof zal ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 55, 57, 63, 300, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
280 (tweehonderdtachtig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd:
  • de verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.
  • de verdachte laat zich ambulant behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de hele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
  • de verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt.
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-307067-22 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 13-307067-22 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 23 november 2022.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.F. Groos, mr. M.T.C. de Vries en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. R.J.C. Wegerif, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 maart 2026.