Belanghebbende en zijn echtgenote oefenden tot eind 1999 een agrarische onderneming uit, waaronder een melkveebedrijf. In 1998 werd het melkquotum verkocht en de opbrengst deels voor privédoeleinden gebruikt. In 2000 trad een BV toe tot de maatschap en werd het melkveebedrijf feitelijk gestaakt. Belanghebbende sloot met de BV lijfrenteovereenkomsten waarbij premies werden verrekend met de koopsom voor overdracht van de onderneming.
De kern van het geschil was of de betaalde lijfrentepremies als persoonlijke verplichting konden worden aangemerkt en dus aftrekbaar waren volgens artikel 45, lid 7, letter a, onder 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het hof oordeelde dat belanghebbende niet voldeed aan zijn bewijslast dat de lijfrente was bedongen als tegenprestatie voor overdracht van een nog bestaande onderneming, mede omdat het melkveebedrijf uiterlijk bij toetreding van de BV was gestaakt.
Het hof verwierp het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn omdat dit niet in eerdere procedures was aangevoerd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.