Belanghebbende bracht in 2004 en 2005 voorbelasting in aftrek op de bouw van een pand dat deels bestemd was voor verhuur aan de onderneming van zijn echtgenote. De Inspecteur keerde slechts een deel van de voorbelasting uit, omdat hij uitging van een splitsing tussen zakelijk en privégebruik. Nadat het pand eind 2006 geheel voor privédoeleinden in gebruik werd genomen, legde de Inspecteur een naheffingsaanslag omzetbelasting op wegens herziening van de voorbelasting.
Belanghebbende stelde dat de naheffing onterecht was omdat de verhuur geen economische activiteit was en dat de herziening in strijd was met de Btw-richtlijn. De rechtbank wees het beroep af en het hof bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat belanghebbende recht had op aftrek zolang het pand bestemd was voor belaste verhuur, maar dat bij de feitelijke ingebruikneming voor privédoeleinden de voorbelasting moest worden herzien.
De primaire stelling van belanghebbende dat geen economische activiteit plaatsvond werd verworpen omdat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de verhuur aan zijn echtgenote geen economische activiteit was. Ook het subsidiaire beroep op strijdigheid met de Btw-richtlijn faalde. Het hof concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht en tijdig was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond.