Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2013:5660

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 juli 2013
Publicatiedatum
30 juli 2013
Zaaknummer
200.120.325
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 RvArt. 353 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zekerheidstelling proceskosten in hoger beroep bij incident

In deze zaak stond een incident tot zekerheidstelling van proceskosten centraal, waarbij appellant [A] in hoger beroep werd geconfronteerd met een vordering van geïntimeerde [B] om zekerheid te stellen voor proceskosten.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 224 Rv Pro de verplichting tot zekerheidstelling in hoger beroep alleen geldt voor appellanten die in eerste aanleg eiser waren. Aangezien [A] in eerste aanleg gedaagde was, bestond geen verplichting tot zekerheidstelling. Bovendien was [A] reeds veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg, waardoor een zekerheidstelling vooraf niet meer aan de orde was.

Het hof wees de vordering van [B] af en veroordeelde [B] in de kosten van het incident. De hoofdzaak werd verwezen naar een latere roldatum voor verdere behandeling. Het arrest werd uitgesproken door het hof in Arnhem op 30 juli 2013.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling van proceskosten wordt afgewezen omdat appellant in eerste aanleg gedaagde was.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.120.325
(zaaknummer rechtbank Almelo 133832)
arrest van de tweede kamer van 30 juli 2013
in het incident tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv Pro
in de zaak van
[A],
wonende te [woonplaats], [land],
appellant,
verweerder in het incident,
hierna: [A],
advocaat: mr. M.A.D. Bol,
tegen:
[B],
handelend onder de naam [C],
wonende te [woonplaats 2], gemeente [gemeente],
geïntimeerde,
eiser in het incident,
hierna: [B],
advocaat: mr. H.C.J. Coumou.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het kort gedingvonnis van 21 december 2012 dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo tussen [A] als gedaagde en [B] als eiser heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
[A] heeft bij exploot van 9 januari 2013 [B] aangezegd van voormeld vonnis van 21 december 2012 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [B] voor dit hof.
2.2
Bij memorie van grieven heeft [A] drie grieven tegen het bestreden vonnis van 21 december 2012 aangevoerd, bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd (naar het hof begrijpt:) dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest [B] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering tot opheffing van het conservatoir beslag op zijn handelsvoorraad, althans deze vordering zal afwijzen, met veroordeling van [B] in de kosten van beide instanties.
2.3
Na het aanvankelijk verleende verstek te hebben gezuiverd, heeft [B] op de roldatum 4 juni 2013 een memorie van incidentele eis tot zekerheidstelling van proceskosten ex artikel 224 Rv Pro genomen. Hij heeft gevorderd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest in het incident:
zal bevelen dat [A] binnen een door het hof te bepalen termijn behoorlijke zekerheid stelt voor de proceskosten tot betaling waarvan hij veroordeeld zou kunnen worden tot een voorlopig begroot bedrag van € 4.500,--;
zal bevelen dat eerst nadat [A] de bevolen zekerheid tijdig en volledig heeft gesteld [B] op een nader te bepalen roldatum in de hoofdzaak zal kunnen antwoorden op de grieven van [A], en
[A] zal veroordelen in de kosten van dit incident.
2.4
Bij memorie van antwoord in het incident heeft [A] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest in het incident [B] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidentele vordering ex artikel 224 Rv Pro, althans hem deze zal ontzeggen, met veroordeling van [B] in de kosten van het incident.
2.5
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest in het incident aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest in het incident bepaald.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep in het incident

3.1
[B] vordert van [A] zekerheidstelling voor de betaling van proceskosten voor € 4.500,-, bestaande voor de eerste aanleg uit € 343,17 aan verschotten, € 816,-- aan salaris en € 131,-- aan nasalaris en voor het hoger beroep uit € 299,- aan griffierecht en, naar schatting, € 2.682,-- ter zake van drie punten maal tarief II conform het liquidatietarief. [A] verzoekt het hof deze vordering af te wijzen, althans slechts toe te wijzen tot een bedrag van € 1.640,--.
3.2
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro zijn allen zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instellen verplicht op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden, tenzij er sprake is van een van de uitzonderingen zoals vermeld in artikel 224 lid 2 Rv Pro.
Artikel 353 Rv Pro beperkt de mogelijkheid om in hoger beroep op grond van artikel 224 Rv Pro zekerheid te eisen voor proceskosten. De regeling van artikel 224 Rv Pro is in hoger beroep uitsluitend van toepassing op appellant en indien deze in eerste aanleg optrad als eiser.
3.3
De door [B] gevorderde zekerheidstelling ziet op de proceskosten van de procedure die hijzelf is gestart, namelijk de procedure tot het opheffen van het conservatoir beslag. Nu [A], appellant, in de procedure in eerste aanleg geen eiser, maar gedaagde was, bestaat de mogelijkheid tot zekerheidstelling voor de betaling van proceskosten in hoger beroep niet. Meer in het bijzonder met betrekking tot de zekerheidstelling voor de betaling van de proceskosten in eerste aanleg overweegt het hof voorts nog dat geen sprake meer kan zijn van een op voorhand te stellen zekerheid, nu [A] als gedaagde (en niet als eiser) reeds is veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg. Het feit dat [A] een grief heeft gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg maakt een en ander niet anders.
3.4
Het hof zal dan ook op grond van het voorgaande de vordering in het incident afwijzen en [B] in de kosten van het incident veroordelen.

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het incident:
wijst de vordering tot zekerheidstelling van de proceskosten af;
veroordeelt [B] in de proceskosten van het incident, welke kosten aan de zijde van [A] tot aan de dag van deze uitspraak worden vastgesteld op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de roldatum 10 september 2013 voor het nemen van een memorie van antwoord aan de zijde van [B];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, K.J. Haarhuis en Th.C.M. Willemse, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de jongste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2013.