De moeder verzocht het hof om de omgangsregeling tussen de vader en hun minderjarige kinderen te vernietigen en de omgang aan de vader te ontzeggen. De rechtbank had eerder bepaald dat de vader eenmaal per maand onder begeleiding omgang mocht hebben. De moeder stelde dat de vader sinds april 2012 geen contact meer had gezocht en geen interesse toonde, waardoor omgang nadelig zou zijn voor de kinderen.
De vader stelde dat hij zijn kinderen miste en dat hij wel contact had geprobeerd te zoeken met het Omgangscentrum, maar niet begrepen werd. Het hof stelde vast dat de vader nauwelijks initiatieven had genomen en niet had meegewerkt aan een raadsonderzoek. De omgang zou onvoorspelbaar en onveilig zijn voor de kinderen.
Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen zwaarder weegt en ontzegde de vader het omgangsrecht. Het hof benadrukte dat ontzegging tijdelijk is en dat ouders moeten werken aan het wegnemen van de gronden voor ontzegging. De moeder werd geadviseerd de kinderen neutraal over hun vader te informeren en hulpverlening in te schakelen indien nodig.