Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de afwijzing door de rechtbank Amsterdam van de verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van betrokkene, geboren in 1990 en verblijvend in een jeugdinrichting.
De jeugdinrichting had aanvankelijk geadviseerd de maatregel met zes maanden te verlengen vanwege paranoïde en sociaal inadequaat gedrag, hechtingsproblematiek en een pervasieve ontwikkelingsstoornis. Later kwam de inrichting tot een ander advies, waarbij verlenging niet werd aanbevolen vanwege het risico op toename van wantrouwen en inadequate coping bij intramurale behandeling, maar benadrukte het belang van langdurige ambulante hulpverlening. De reclassering adviseerde eveneens verlenging vanwege het risico op recidive en het belang van een juridisch kader.
De raadsman van betrokkene voerde aan dat de appelmemorie van het openbaar ministerie te laat was ingediend en dat de reclassering zich niet meer had gemeld na terugplaatsing. Tevens stelde hij dat betrokkene weer bij zijn zus kon wonen en dat de zaak aangehouden moest worden in afwachting van de strafzaak.
Het hof oordeelde dat de late indiening van de appelmemorie geen gevolgen heeft omdat de verdediging tijdig in het bezit was gesteld. Het hof achtte het nieuwe strafbare feit voldoende reden voor verlenging van de maatregel, ongeacht de mate van betrokkenheid. Het verzoek tot schorsing van de behandeling werd afgewezen. De beslissing van de rechtbank werd vernietigd en de maatregel verlengd met negen maanden.