In deze civiele zaak stond de vraag centraal of proceskosten gecompenseerd moesten worden tussen partijen met een affectieve relatie, waarbij appellant was veroordeeld wegens stalking en bedreiging van geïntimeerde.
De feiten betroffen een relatie van drie jaar waarin appellant na ontslag geregeld bij geïntimeerde over de vloer was en kluswerk verrichtte. Geïntimeerde deed meerdere aangiftes wegens stalking, bedreiging en vernieling, waarop appellant ook aangifte deed tegen haar zoon. Appellant werd strafrechtelijk veroordeeld tot een werkstraf wegens belaging en bedreiging.
In eerste aanleg werd appellant een contact- en straatverbod opgelegd en veroordeeld tot betaling van proceskosten. Appellant ging in hoger beroep tegen de kostenveroordeling en verzocht om compensatie van proceskosten vanwege de affectieve relatie en zijn financiële situatie.
Het hof oordeelde dat de rechter discretionaire bevoegdheid heeft om proceskosten te compenseren bij een affectieve relatie, maar dat dit in deze zaak niet opging gezien de aard van de vordering en het strafrechtelijk verleden van appellant. De financiële situatie van appellant deed hier niet aan af. De grieven faalden en het hof bekrachtigde het vonnis met veroordeling van appellant in de proceskosten van het hoger beroep.