Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
inspecteurvan de
Belastingdienst Randmeren / Zwolle(hierna: de Inspecteur)
[Z](hierna: belanghebbende)
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
voor de wbr belast met 6% = 63.060
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende verkreeg een melkveebedrijf inclusief landbouwgronden en deed bij de aangifte overdrachtsbelasting een beroep op de cultuurgrondvrijstelling voor een bedrag van €1.648.000. De Inspecteur stelde dat de waarde van de landbouwgronden lager was, namelijk €1.449.000, en beperkte de vrijstelling dienovereenkomstig. De rechtbank oordeelde eerder in het voordeel van belanghebbende en vernietigde de naheffingsaanslag.
In hoger beroep stond de vraag centraal of de waarde van de landbouwgronden correct was vastgesteld. De Inspecteur baseerde zijn standpunt op een taxatierapport en een overzicht van transacties in de regio, maar onderbouwde de waardering van opstallen en niet-cultuurgronden onvoldoende met vergelijkbare transacties. Belanghebbende voerde aan dat de hogere hectareprijs verklaarbaar was gezien gunstige omstandigheden voor de verkoper en dat de verdeling van de koopsom tussen afschrijfbare en niet-afschrijfbare componenten logisch was.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur zijn bewijslast niet had voldaan omdat hij onvoldoende onderbouwing gaf voor de waardering van de opstallen en niet-cultuurgronden. De enkele verwijzing naar de waarde van de cultuurgrond was ontoereikend. Gezien de gunstige omstandigheden waaronder de transactie plaatsvond en het ontbreken van overtuigend bewijs van de Inspecteur, bevestigde het Hof de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
De Inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en het griffierecht werd vastgesteld. De uitspraak werd gedaan door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 10 september 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.