ECLI:NL:GHARL:2013:7060

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 september 2013
Publicatiedatum
24 september 2013
Zaaknummer
ISD P13-0299
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38t SrArt. 38s SrArt. 509aa SvArt. 67 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voortzetting ISD-maatregel ondanks voortvluchtigheid veroordeelde

De veroordeelde is sinds 20 mei 2013 voortvluchtig en was niet aanwezig bij de openbare raadkamerbehandeling van 29 mei 2013. De rechtbank Oost-Brabant besloot toen de voortzetting van de ISD-maatregel. Het hof bevestigt deze beslissing bij hoger beroep, ondanks het verzoek van de raadsman om tussentijdse beëindiging van de maatregel vanwege vermeende vooruitgang en wens tot ambulante behandeling.

De advocaat-generaal stelde dat de problematiek van de veroordeelde nog niet afdoende is behandeld en dat opheffing van de maatregel zou kunnen leiden tot onveiligheid en overlast. De voortvluchtigheid en het niet nakomen van afspraken door de veroordeelde werden als onwil beoordeeld, waardoor het behandeltraject niet kon worden voortgezet.

Het hof oordeelt dat zolang de tenuitvoerlegging van de maatregel niet is hervat, een nieuwe tussentijdse beoordeling niet past binnen het wettelijke systeem. De termijn van de maatregel loopt niet tijdens ongeoorloofde afwezigheid van de veroordeelde, waardoor de voortzetting van de maatregel gerechtvaardigd blijft.

Uitkomst: Het hof bevestigt de voortzetting van de ISD-maatregel tegen de voortvluchtige veroordeelde.

Uitspraak

ISD P13/0299
Beslissing d.d. 12 september 2013(bij vervroeging)
De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
thans zonder bekende verblijfplaats,
ingeschreven op het adres [adres] te [plaats].
Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2013, inhoudende dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel wordt voortgezet.
Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:
  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;
  • de beslissing waarvan beroep;
  • de akte van beroep van de veroordeelde van 4 juni 2013;
  • de brief van 26 juni 2013 van de veroordeelde aan [deskundige], ISD-manager;
  • de evaluatierapportage ISD van 22 augustus 2013, opgemaakt door [deskundige], ISD-manager;
  • de brief van 26 juni 2013 en 3 september 2013 van de veroordeelde.
De veroordeelde, die sinds 20 mei 2013 voortvluchtig is, is niet ter zitting van het hof van
5 september 2013 verschenen. De opgeroepen deskundige, [deskundige], ISD-manager, is - met instemming van het hof - evenmin ter zitting verschenen.
Het hof heeft ter zitting gehoord de raadsman van de veroordeelde, mr F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Oirschot, en de advocaat-generaal mr M.J.M. van der Mark. De raadsman van de veroordeelde heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om de veroordeelde ter zitting te verdedigen.

Overwegingen

Het standpunt van de raadsman van de veroordeelde
De raadsman van de veroordeelde heeft betoogd dat de veroordeelde gemotiveerd was om het ISD-traject op correcte wijze te doorlopen en dat hij alsnog graag een ambulante behandeling wenst te volgen. Hij was voor diverse therapieën op de wachtlijst geplaatst. Verder dan dat kwam het echter niet, terwijl zijn vrijheden al werden uitgebreid zonder dat de veroordeelde over de juiste handvatten beschikte om daarmee om te kunnen gaan. Omdat er geen andere invulling aan de maatregel werd gegeven dan kale detentie, heeft de veroordeelde besloten zich te onttrekken. Mede onder verwijzing naar de brief van de veroordeelde van 3 september 2013 heeft de raadsman gesteld dat het goed gaat met de veroordeelde. De raadsman heeft verzocht om de maatregel tussentijds te beëindigen.
Het standpunt van het openbaar ministerie
Nu de problematiek van veroordeelde thans nog niet afdoende is behandeld, is het volgens de advocaat-generaal te verwachten dat opheffing van de maatregel zal leiden tot onveiligheid, ernstige (drank- of drugs)overlast en verloedering van het publieke domein. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts niet gebleken dat verdere voortzetting van de maatregel niet zinvol is door een omstandigheid die (overwegend) buiten de macht van veroordeelde ligt. De veroordeelde is enkele afspraken niet nagekomen, is teruggevallen in middelengebruik en is reeds een aantal maanden voortvluchtig. Het is derhalve aan de onwil van de kant van de veroordeelde te wijten dat het (behandel)traject niet verder van de grond is gekomen. Gelet op voorgaande heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal de beslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd.
Het hof ziet aanleiding nog het volgende op te merken.
De rechtbank heeft in haar beschikking , waarvan beroep, overwogen dat de raadsman na terugkeer van de veroordeelde naar de [kliniek] in het kader van het ISD-traject een verzoek kan doen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Op grond van artikel 38s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht kan een dergelijk verzoek worden gedaan zes maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing dat voortzetting van de maatregel is vereist.
De raadsman heeft ter zitting van het hof medegedeeld dat de veroordeelde is opgeroepen voor een zitting van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant op 13 september 2013, onder verwijzing naar artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht en artikel 509aa van het Wetboek van Strafvordering. De raadsman heeft een afschrift van die oproeping overgelegd. Ook is een deskundige voor die zitting opgeroepen.
De raadsman heeft meegedeeld, dat de terbeschikkinggestelde na de beschikking van 29 mei 2013 niet heeft verzocht om een tussentijdse beoordeling in verband met de termijn van zes maanden die in artikel 38s, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt genoemd.
Naar het hof begrijpt betreft de oproeping voor 13 september a.s. een ambtshalve toetsing van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. De veroordeelde is echter sinds 20 mei 2013, dus voorafgaande aan de vorige tussentijdse beoordeling, voortvluchtig, en is bij de openbare raadkamerbehandeling van 29 mei 2013 niet aanwezig geweest. Ingevolge artikel 38t van het Wetboek van Strafrecht loopt de termijn van de maatregel niet gedurende de tijd dat de veroordeelde ongeoorloofd afwezig is. Naar het oordeel van het hof past zolang de tenuitvoerlegging van de maatregel niet is hervat een nieuwe tussentijdse beoordeling niet in het systeem van de wet.

Beslissing

Het hof
Bevestigt de beslissing van de rechtbank Oost-Brabant van 29 mei 2013 met betrekking tot de veroordeelde
[veroordeelde].
Aldus gedaan door
mr E.A.K.G. Ruys als voorzitter,
mr Y.A.J.M. van Kuijck en mr A.W.M. Elders als raadsheren,
en dr. L. Kaiser en E.M.M. Mol als raden,
in tegenwoordigheid van mr I.H.A. Bijl als griffier,
en op 12 september 2013 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.