De veroordeelde is sinds 20 mei 2013 voortvluchtig en was niet aanwezig bij de openbare raadkamerbehandeling van 29 mei 2013. De rechtbank Oost-Brabant besloot toen de voortzetting van de ISD-maatregel. Het hof bevestigt deze beslissing bij hoger beroep, ondanks het verzoek van de raadsman om tussentijdse beëindiging van de maatregel vanwege vermeende vooruitgang en wens tot ambulante behandeling.
De advocaat-generaal stelde dat de problematiek van de veroordeelde nog niet afdoende is behandeld en dat opheffing van de maatregel zou kunnen leiden tot onveiligheid en overlast. De voortvluchtigheid en het niet nakomen van afspraken door de veroordeelde werden als onwil beoordeeld, waardoor het behandeltraject niet kon worden voortgezet.
Het hof oordeelt dat zolang de tenuitvoerlegging van de maatregel niet is hervat, een nieuwe tussentijdse beoordeling niet past binnen het wettelijke systeem. De termijn van de maatregel loopt niet tijdens ongeoorloofde afwezigheid van de veroordeelde, waardoor de voortzetting van de maatregel gerechtvaardigd blijft.