Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De vaststaande feiten
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.Slotsom
€ 1.560,-
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellant, vader van een minderjarige, vorderde in hoger beroep dat het hof zou oordelen dat Stichting Bureau Jeugdzorg (BJZ) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld tijdens de ondertoezichtstelling en de begeleiding van een omgangsregeling. De ondertoezichtstelling liep van december 2006 tot maart 2007, waarna de minderjarige op eigen initiatief bij appellant ging wonen.
Het geschil spitste zich toe op de vraag of BJZ tekort was geschoten in haar verplichtingen, onder meer door onvoldoende overleg met appellant, het niet rekening houden met zijn werktijden, en het zonder vooroverleg sturen van stukken naar de Duitse jeugdzorg. De klachtencommissie en Nationale Ombudsman hadden fouten en tekortkomingen bij BJZ vastgesteld, maar het hof oordeelde dat deze gedragingen niet zwaar genoeg waren om onrechtmatig handelen aan te nemen.
Daarnaast stelde appellant schade te hebben geleden, zowel materieel als immaterieel, door het handelen van BJZ. Het hof concludeerde dat de ziekteverzuimperiode van appellant niet aantoonbaar het gevolg was van het handelen van BJZ en dat immateriële schade niet voldoende was onderbouwd. De vorderingen werden daarom afgewezen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Almelo en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende bewijs van onrechtmatig handelen en schade.