Uitspraak
[appellant],
1.[geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
3. [geïntimeerde 3],
4. [geïntimeerde 4],
5. [geïntimeerde 5],
6. [geïntimeerde 6],
7. [geïntimeerde 7],
[geïntimeerden],
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
Verzoeker wil een bodemprocedure tegen gerekwestreerde aanhangig maken. Met die bodemprocedure wil hij bereiken dat de weilanden niet voor een bedrag van € 335.000,00 verkocht worden, maar voor een bedrag van € 42.500,00/ha, ofwel € 53.000,- méér dan de voorgenomen verkoophypotheek althans voor een door deskundigen te bepalen reële waarde.
grief 3klaagt [appellant] over de hoogte van de opgelegde dwangsom.
grief 4komt [appellant] op tegen zijn veroordeling in de proceskosten. Hij wijst erop dat in familiezaken en erfrechtelijke zaken een kostenveroordeling niet gebruikelijk is. Het feit dat hij een bodemprocedure is gestart en hangende die procedure getracht heeft de levering ingevolge het kortgedingvonnis van 2 mei 2012 te voorkomen, kan naar zijn mening niet als onwil worden uitgelegd. Het hof ziet in het gestelde geen aanleiding de proceskosten in eerste aanleg alsnog te compenseren. De voorzieningenrechter heeft toegelicht waaruit de onwil van [appellant] zoal blijkt (r.o. 4.6 vanaf “Deze onwil blijkt onder meer”). Tegen die overweging komt de grief niet op. Daar komt bij dat [appellant] ook het deelgenootbeslag pas heeft opgeheven nadat hij was gedagvaard. De grief faalt.