Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn appartement, gelegen aan een adres te [Z], die door de gemeente was vastgesteld op €228.000 per 1 januari 2011. Na afwijzing van het bezwaar door de heffingsambtenaar en de rechtbank, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Tijdens de zitting op 20 augustus 2013 werden zowel belanghebbende als de vertegenwoordiger van de heffingsambtenaar gehoord. Het geschil betrof de vraag of de WOZ-waarde terecht was vastgesteld. Belanghebbende voerde aan dat zijn appartement een kleiner woonoppervlak had dan vermeld en dat vergelijkingen met hoekappartementen en oudere verkoopprijzen een lagere waarde rechtvaardigden.
Het hof oordeelde dat de gemeente aannemelijk had gemaakt dat de waarde van €228.000 niet te hoog was, mede op basis van verkoopprijzen van vergelijkbare appartementen rond de waardepeildatum. De verschillen in ligging en oppervlakte werden niet voldoende onderbouwd door belanghebbende om tot een lagere waarde te komen. De zogenaamde meerderheidsregel werd toegepast, waarbij de meeste vergelijkbare appartementen dezelfde waarde hadden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een kostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat nog beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.