Uitspraak
de moeder,
[geïntimeerde],
de vader,
Bureau Jeugdzorg Flevoland,
BJZ.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder verzocht in hoger beroep om het hoofdverblijf van haar twee minderjarige kinderen bij haar te bepalen en een zorgregeling vast te stellen waarbij de vader de kinderen een weekend per twee weken en de helft van de vakanties zou zien. Dit verzoek volgde op een eerdere beschikking waarbij co-ouderschap was afgesproken met een woonafstand van maximaal 6 kilometer tussen de ouders.
De moeder was echter in strijd met deze afspraak verhuisd naar een andere plaats, waardoor de afstand tussen de ouders aanzienlijk was toegenomen. De Raad voor de Kinderbescherming voerde een onderzoek uit en concludeerde dat co-ouderschap praktisch niet meer uitvoerbaar was door de afstand en dat continuïteit van de leefomgeving voor de kinderen van groot belang is. De raad adviseerde het hoofdverblijf bij de vader te bepalen, die nog in de echtelijke woning woonde.
Het hof nam het advies van de raad over en oordeelde dat het belang van de kinderen voorop staat. Ondanks de communicatieproblemen tussen de ouders en het loyaliteitsconflict bij de kinderen, is niet gebleken dat wijziging van het hoofdverblijf naar de moeder in het belang van de kinderen is. De ondertoezichtstelling van de kinderen en het opgestelde Plan van Aanpak bieden voldoende waarborgen voor zorg en begeleiding.
Daarom werd het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarbij het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader blijft en een zorgregeling wordt gehandhaafd.
Uitkomst: Het hof bevestigt het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader en wijst het verzoek van de moeder af.