ECLI:NL:GHARL:2013:9172

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 december 2013
Publicatiedatum
3 december 2013
Zaaknummer
BK 13/00317
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 226 GemeentewetArt. 1 GrondwetArt. 26 IVBPRArt. 1 Twaalfde Protocol EVRMArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging aanslag hondenbelasting gemeente Loppersum 2012

Belanghebbende was houder van één hond in de gemeente Loppersum en kreeg voor 2012 een aanslag hondenbelasting opgelegd van €72. Na afwijzing van het bezwaar door de heffingsambtenaar en het ongegrond verklaren van het beroep door de rechtbank Noord-Nederland, stelde belanghebbende hoger beroep in tegen deze uitspraak.

Het geschil betrof de vraag of de aanslag terecht was opgelegd, waarbij belanghebbende stelde dat de heffing in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur, en dat de heffing geen rechtvaardiging had in de kosten die de gemeente maakt. Het hof verwees naar de wettelijke grondslag in artikel 226 Gemeentewet Pro en het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2013, waarin werd bevestigd dat het onderscheid tussen houders van honden en anderen gerechtvaardigd is en niet in strijd met discriminatieverboden.

Het hof oordeelde dat de heffing binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever valt en dat het ontbreken van een directe relatie tussen de belasting en de kosten voor de gemeente geen bezwaar vormt. De grieven van belanghebbende faalden en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de aanslag hondenbelasting en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht
Locatie Leeuwarden
Nummer 13/00317
uitspraakdatum: 3 december 2013
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 26 februari 2013, nummer AWB LEE 12/1143, in het geding tussen belanghebbende en
de
heffingsambtenaarvan de
gemeente Loppersum(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag hondenbelasting opgelegd ten bedrage van € 72.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Groningen, sinds 1 januari 2013 de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 26 februari 2013 ongegrond verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.
1.6
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2013 te Leeuwarden. Daarbij is verschenen en gehoord namens de heffingsambtenaar mr. drs. [A]. Belanghebbende is met een daartoe strekkend, telefonisch, bericht niet verschenen.
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende is woonachtig in de gemeente Loppersum en is gedurende het kalenderjaar 2012 houder van één hond.
2.2
In de “Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2012” van de gemeente Loppersum (hierna: de Verordening) is onder meer bepaald:
Artikel 1 Belastbaar Pro feit
Onder de naam “hondenbelasting” wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente.
Artikel 2 Belastingplicht Pro
1.
Belastingplichtig is de houder van een hond. (…)”

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1
In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een aanslag hondenbelasting is opgelegd voor het onderhavige jaar.
3.2
Belanghebbende beantwoordt voormelde vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende stelt hiertoe onder meer dat de heffing van hondenbelasting in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur. Het in de Verordening bepaalde is in strijd met artikel 1 van Pro de Grondwet en met internationale verdragen, waaronder het EVRM en het IVBPR. Het heffen van hondenbelasting heeft, aldus belanghebbende, een zuiver fiscaal motief. Belanghebbende onderbouwt zijn stellingen in hoger beroep met de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2013, nr. 12/00228, ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9350.
3.3
De heffingsambtenaar beantwoordt voormelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.4
Partijen hebben voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4.Beoordeling van het geschil

4.1
Op grond van artikel 226, lid 1, van de Gemeentewet, kan een hondenbelasting worden geheven ter zake van het houden van een hond. Van die bevoegdheid heeft de raad van de gemeente Loppersum gebruik gemaakt door in artikel 1 van Pro de Verordening te bepalen dat onder naam “hondenbelasting” een belasting wordt geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente.
4.2
Voor de beantwoording van de in geschil zijnde vraag verwijst het Hof naar het arrest van de Hoge Raad van 18 oktober 2013, nr. 13/01116, ECLI:NL:HR:2013:917. De Hoge Raad heeft in dit arrest, op het beroep in cassatie tegen voormelde uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 januari 2013, overwogen dat het onderscheid dat in de Verordening wordt gemaakt tussen houders van honden en andere personen overeenstemt met het bepaalde in artikel 226, lid 1, van de Gemeentewet en dat dit onderscheid, gelet op artikel 120 van Pro de Grondwet niet kan worden getoetst aan het discriminatieverbod van artikel 1 van Pro de Grondwet. Het onderscheid kan wel worden getoetst aan de discriminatieverboden van artikel 26 van Pro het IVBPR en artikel 1 van Pro het Twaalfde Protocol bij het EVRM. Echter als uitgangpunt heeft te gelden dat aan de wetgever op fiscaal terrein een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. In rechtsoverweging 4.2.2. overweegt de Hoge Raad dienaangaande:
“ De bevoegdheid tot het heffen van hondenbelasting die de wet aan gemeenten geeft, is mede ingegeven door de kosten die voor gemeenten voortvloeien uit de bevuiling van de openbare wegen en plaatsen door honden. De wetgever kon daarbij in redelijkheid uitgaan van de veronderstelling dat gemeenten in het algemeen kosten zullen moeten maken als gevolg van dergelijke bevuiling. Bij andere door mensen gehouden dieren pleegt bevuiling van openbare wegen en plaatsen zich niet of in mindere mate voor te doen. Daarom heeft de wetgever met de regeling in de Gemeentewet over de hondenbelasting, en de raad van de gemeente in navolging daarvan in de Verordening, in redelijkheid een onderscheid kunnen maken tussen houders van honden en andere personen.”.
4.3
Inzake belanghebbendes grief betreffende het ontbreken van een relatie tussen de heffing van de hondenbelasting en de door de gemeente gemaakte kosten verbonden aan het hondenbezit verwijst het Hof naar rechtsoverweging 4.2.3 van voormeld arrest waarin de Hoge Raad overweegt;
“Dit neemt niet weg dat de hondenbelasting is voorzien als een algemene belasting ten behoeve van de verwerving van inkomsten door de gemeente. In het licht daarvan gaat de betekenis van de kosten die voor een gemeente aan bevuiling door honden zijn verbonden niet zo ver, dat een gemeente die hondenbelasting heft voor haar gehele grondgebied, daarbij een relatie zou moeten leggen met de kosten die voor haar worden opgeroepen door het houden van honden binnen haar grenzen in het algemeen of door de hond(en) van de individuele belastingplichtige in het bijzonder (vgl. HR 21 juni 2000, nr. 33816, ECLI:NL:HR:2000:AA6253, BNB 2000/272,). Ook een gemeentelijke wetgever die de heffing van hondenbelasting daar niet op afstemt, blijft binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid (...)”.
4.4
Gelet op het voren overwogene falen de grieven van belanghebbende.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Proceskosten

Nu het hoger beroep ongegrond is, ziet het Hof geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Monsma, voorzitter, mr. P. van der Wal en
mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.
De beslissing is op 3 december
2013in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(H. de Jong)
(J.A. Monsma)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 december 2013
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.