Uitspraak
[appellante],
de curator,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De curator vorderde op grond van artikel 42 en Pro subsidiair artikel 54 Faillissementswet Pro betaling wegens een vermeend tekort in het faillissement van X, verbonden aan de verkoop van de inventaris van diens cafébedrijf. Het hof nam het tussenarrest over waarin de curator was toegelaten tot bewijslevering omtrent de voorspelbaarheid van het faillissement en het tekort.
Tijdens het bewijsproces werden diverse getuigen gehoord, waaronder X zelf, zijn dochter, en betrokken derden zoals A, B en C. Er waren tegenstrijdige verklaringen over de kennis en verwachtingen van X en de curator omtrent de financiële situatie en de omvang van de schulden ten tijde van het sluiten van de verkoopovereenkomst.
Het hof oordeelde dat niet met voldoende zekerheid was komen vast te staan dat X tegenover A had verklaard dat de verkoop van de inventaris hem 'de kop zou kosten' en dat er geen concrete aanwijzingen waren dat appellant ten tijde van de overeenkomst het faillissement en het tekort redelijkerwijs kon voorzien. Hierdoor faalde de primaire grondslag van artikel 42 Fw Pro en daarmee ook de subsidiaire grondslag van artikel 54 Fw Pro.
Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de curator afgewezen. Tevens werd de curator veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag aan appellant en tot vergoeding van de proceskosten in beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van de curator af wegens onvoldoende bewijs dat het faillissement en het tekort met redelijke zekerheid waren te voorzien.