Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2013:9219

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 december 2013
Publicatiedatum
3 december 2013
Zaaknummer
200.102.139
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:171 BWArt. 217 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot voeging van deelgenoot in hoger beroep over pachtovereenkomst

In deze zaak gaat het om een geschil over de vastlegging van een pachtovereenkomst die was aangegaan met wijlen de vader van de betrokken partijen. De erfgenamen, waaronder de erven, appellant sub 4 en eiser, zijn deelgenoten van een gemeenschap. In eerste aanleg was eiser partij, maar hij stelde geen hoger beroep in. Later verzocht eiser via zijn curator om zich alsnog aan te sluiten bij het hoger beroep van de andere deelgenoten.

Het hof oordeelt dat volgens artikel 3:171 Burgerlijk Pro Wetboek iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen ten behoeve van de gemeenschap. De rechterlijke uitspraak in hoger beroep geldt voor het collectief van de gemeenschap en niet alleen voor de deelgenoten die het beroep hebben ingesteld. Hierdoor was eiser materieel al partij in het hoger beroep, ook al was hij formeel niet genoemd.

De primaire vordering tot tussenkomst van eiser werd afgewezen, maar de subsidiaire vordering tot voeging werd toegewezen. Het hof veroordeelde de wederpartij alleen in zijn eigen kosten van het incident. De hoofdzaak werd verwezen naar een rolzitting voor memorie van antwoord van de wederpartij. Het arrest werd gewezen door vijf rechters en uitgesproken op 3 december 2013.

Uitkomst: Het hof staat toe dat eiser zich voegt aan de zijde van de erven in het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.102.139
(zaaknummer rechtbank Middelburg, locatie Terneuzen, 214953)
arrest in het incident van de pachtkamer van 3 december 2013
inzake

1.[appellant sub 1],

wonende te [woonplaats],
2.
[appellant sub 2],
wonende te [woonplaats],
3.
[appellant sub 3],
wonende te [woonplaats],
4.
[appellant sub 4],
wonende te [woonplaats],
appellanten in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
hierna: appellanten sub 1, 2 en 3 gezamenlijk de erven, appellante sub 4 [appellant sub 4],
advocaat: mr. W.M. Bijloo,
en
mr. Ivan Reyns,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser in het incident,
hierna: mr. Reyns q.q. respectievelijk [eiser],
advocaat: mr. W.M. Bijloo,
tegen:
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.H. van Vliet.

1.Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 6 juli 2011 en 7 december 2011, die de pachtkamer van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, tussen enerzijds de erven, [appellant sub 4] en [eiser] als gedaagden en anderzijds [geïntimeerde] als eiser heeft gewezen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
■ de dagvaarding in hoger beroep van de erven en [appellant sub 4] van 5 januari 2012;
■ de memorie van grieven van de erven;
■ de incidentele memorie tot tussenkomst, althans voeging, tevens memorie van grieven, van mr. Reyns q.q.;
■ de incidentele antwoordconclusie van [geïntimeerde];
■ de memorie van antwoord in het incident van de erven.
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident en heeft het hof arrest bepaald.

3.De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1
In dit incident vordert mr. Reyns q.q. dat het hof hem zal toestaan om tussen te komen in de hoofdzaak tussen de erven en [geïntimeerde], subsidiair om zich aan de zijde van de erven te voegen. [geïntimeerde] heeft zich tegen de incidentele vordering verweerd. De erven hebben zich gerefereerd. [appellant sub 4] heeft geen standpunt ingenomen.
3.2
In eerste aanleg was [eiser], naast de erven en [appellant sub 4], partij in het geding. Door [eiser] is geen hoger beroep ingesteld. Volgens [geïntimeerde] betekent dit dat daardoor het vonnis van 7 december 2011 tussen hem en [eiser] kracht van gewijsde heeft verkregen. In de incidentele vordering van mr. Reyns q.q. ziet hij een ongeoorloofde poging om de gevolgen van een en ander te ontgaan.
3.3
Het hof oordeelt als volgt. De hoofdzaak betreft de vordering van [geïntimeerde] tot vastlegging van een pachtovereenkomst die hij zou zijn aangegaan met wijlen [vader van partijen]. Erfgenamen van [vader van partijen] zijn zijn kinderen, dus – behalve de erven, [appellant sub 4] en [geïntimeerde] zelf – ook [eiser]. Volgens artikel 3:171 Burgerlijk Pro Wetboek is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechtelijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap, wat veronderstelt dat de vervolgens verkregen rechterlijke uitspraak rechtskracht heeft tussen enerzijds (het collectief van) de gemeenschap en anderzijds de wederpartij in de procedure, in het onderhavige hoger beroep [geïntimeerde]. De op het door de erven ingestelde hoger beroep in de hoofdzaak te verkrijgen rechterlijke uitspraak gaat dus (het collectief van) de gemeenschap aan en niet slechts de deelgenoten die dat beroep hebben ingesteld. Dit betekent dat [eiser], in zijn hoedanigheid van deelgenoot van de gemeenschap, materieel steeds partij in het onderhavige hoger beroep is geweest (ook al was hij dat formeel niet, omdat de appeldagvaarding niet mede op zijn naam is uitgebracht). Aan een en ander ziet [geïntimeerde] ten onrechte voorbij. Zijn verweer faalt dus.
3.4
De stellingen van mr. Reyns q.q. in het incident houden niet in dat hij zelf een vordering wil instellen, daargelaten of dat in een geval als dit toelaatbaar zou zijn (de vordering tot tussenkomst wordt in dit geval immers niet door een derde ingesteld, maar door een van de formele procespartijen in eerste aanleg). Uit de bedoelde stellingen van mr. Reyns q.q. volgt dat hij, in verband met zijn belang bij de uitkomst van het geding, het standpunt van de erven slechts wenst te ondersteunen (hij heeft zich geheel aangesloten bij de memorie van grieven van de erven). De primaire vordering tot tussenkomst is dus niet toewijsbaar, de subsidiaire vordering tot voeging wel.
3.5
De slotsom in het incident is dat aan mr. Reyns q.q. zal worden toegestaan om zich te voegen aan de zijde van de erven.
3.6
Er bestaat geen aanleiding om [geïntimeerde], als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten van dit incident, anders dan alleen zijn eigen kosten. De kosten van de incidentele memorie tot tussenkomst althans voeging heeft mr. Reyns q.q. hoe dan ook moeten maken en staat los van het door [geïntimeerde] gevoerde verweer. De memorie van antwoord in het incident van de erven bevat niet meer dan een referte.
3.7
In de hoofdzaak zal het hof de zaak verwijzen naar de rol voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde].

4.De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:
in het incident:
staat aan mr. Reyns q.q. toe om zich te voegen aan de zijde van de erven;
wijst af het meer of anders gevorderde;
veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incident voor zover aan zijn eigen zijde gevallen;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2014 voor memorie van antwoord aan de zijde van [geïntimeerde].
Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en F.J.P. Lock en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.