In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de pachter aansprakelijk was voor schade aan de verwarmingsinstallatie van een kas, ontstaan door bevriezing in de winter van 2008-2009. De pachter had de installatie buiten gebruik gesteld en onvoldoende zorg gedragen om bevriezing te voorkomen, wat het hof aansprakelijkheid opleverde.
De procedure omvatte een deskundigenbericht dat de schade nauwkeurig begrootte en onderbouwde. Het hof volgde de deskundige en wees de hogere schadevorderingen van de appellant af wegens onvoldoende onderbouwing. Ook werd een voordeel nieuw voor oud toegepast op het schilderwerk en de revisie van het ketelhuis, waarbij een deel van de schadeposten buiten beschouwing bleef.
De vordering tot vergoeding van leegstand van de kassen werd afgewezen omdat herstel van de schade redelijkerwijs mogelijk was en de appellant al over het grootste deel van het schadebedrag kon beschikken via de bankgarantie. Het hof veroordeelde de pachter tot betaling van het verschil tussen het schadebedrag en de bankgarantie, vermeerderd met wettelijke rente en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten. De overige vorderingen werden afgewezen en de appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.