In hoger beroep stond de vraag centraal of tussen [geïntimeerde] en [appellante] een arbeidsovereenkomst bestond. Na een uitgebreid getuigenverhoor, waaronder verklaringen van een achternicht, beleidsmedewerkster en een klusjesman, werd twijfel aan het bestaan van een gezagsverhouding en de verrichte werkzaamheden niet weggenomen.
De verklaringen van de getuigen die namens [appellante] spraken, weerlegden de stellingen van [geïntimeerde] dat zij beleidsplannen had opgesteld, personeelsdossiers had bijgehouden en betrokken was bij gesprekken en de realisatie van een filiaal in Suriname. Ook werd vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst was opgesteld om een lening te verkrijgen, zonder dat daadwerkelijk werkzaamheden waren verricht.
Het hof bevestigde het eerdere voorlopige oordeel dat geen arbeidsovereenkomst bestond en wees de loonvordering af. Tevens werd [geïntimeerde] veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest werd uitgesproken op 24 december 2013 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.