AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Kantoor in bedrijfsverzamelgebouw geen zelfstandig WOZ-object
De zaak betreft een geschil over de waardering van een kantoorruimte in een bedrijfsverzamelgebouw voor de Wet WOZ en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB). De gemeente had de waarde vastgesteld en de aanslag opgelegd, maar belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze aanslag. De rechtbank Almelo verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de WOZ-beschikking en de aanslag.
De gemeente stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof oordeelde dat voor het bestaan van een zelfstandig WOZ-object vereist is dat het gedeelte afsluitbaar is en over essentiële voorzieningen zoals een toilet beschikt. Het kantoor bestond uit één afsluitbare kamer zonder eigen toilet of water, waardoor het niet als zelfstandig gedeelte kon worden aangemerkt.
Het hof verwierp het argument van de gemeente dat de toerekening van gemeenschappelijke voorzieningen aan het kantoor voldoende was. De aanwezigheid van voorzieningen elders in het gebouw maakt het kantoor niet zelfstandig, omdat de gebruiker daarvan meer dan bijkomstig afhankelijk is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de gemeente wordt ongegrond verklaard en het kantoor is geen zelfstandig WOZ-object.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Afdeling belastingrecht
Zittingsplaats Arnhem
nummer 12/00254
uitspraakdatum: 15 januari 2013
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Oldenzaal (hierna: de Ambtenaar).
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 maart 2012, nummer AWB 11/1148 WOZ AQ1 A, in het geding tussen
X te Z (hierna: belanghebbende)
en de Ambtenaar
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1 De Ambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 vanPro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van het object, plaatselijk bekend a-straat 1 te Z (hierna: het kantoor), per waardepeildatum 1 januari 2010, voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op € 73.000. De Ambtenaar heeft daarbij een aanslag onroerende zaakbelasting (hierna: OZB-gebruik) 2011 opgelegd.
1.2 Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 16 september 2011 de vastgestelde waarde, alsmede de aanslag OZB-gebruik gehandhaafd.
1.3 Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Almelo (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en, naar het Hof begrijpt, de WOZ-beschikking en de aanslag OZB-gebruik 2011 vernietigd.
1.4 De Ambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
1.5 Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.
1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2012 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord de Ambtenaar, bijgestaan door A. Belanghebbende is, hoewel uitgenodigd bij brief van de griffier van 6 september 2012, die niet als onbestelbaar ter griffie is terugontvangen, niet verschenen.
1.7 Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2. De vaststaande feiten
2.1 Het kantoor is een enkele afsluitbare kamer in het bedrijfsverzamelgebouw ‘Bentheimerstaete’. In het kantoor is bekabeling voor telefoon en internet aanwezig, alsmede airconditioning. Het kantoor beschikt niet over een eigen water- of toiletvoorziening. Binnen het bedrijfsverzamelgebouw zijn verschillende afsluitbare kamers aanwezig, bij derden eveneens als kantoorruimte in gebruik. De gebruikers van deze afsluitbare kantoorruimtes hebben elk toegang tot deze ruimtes via de centrale voordeur van het bedrijfsverzamelgebouw. Bij deze gemeenschappelijke voordeur is voor elk van de gebruikers een aparte deurbel. Het bedrijfsverzamelgebouw beschikt verder over een gemeenschappelijke, voor iedere gebruiker toegankelijke keuken- en toiletruimte.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1 Tussen partijen is in geschil of het kantoor kan worden aangemerkt als een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, als bedoeld in artikel 16, aanhef, en onderdeel c, van de Wet WOZ (hierna: zelfstandig gedeelte).
3.2 Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vraag ontkennend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
3.3 De Ambtenaar beantwoordt bovenstaande vraag bevestigend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep.
4. Beoordeling van het geschil
4.1 Het Hof stelt voorop dat, voor de beantwoording van de vraag of een deel van een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een zelfstandig gedeelte, op zijn minst vereist is dat dit gedeelte afsluitbaar is.
“Bedoeld worden gedeelten die elk nog als zelfstandige en onafhankelijke eenheid kunnen worden gebruikt. Voor het antwoord op de vraag of een gedeelte van een eigendom blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt, is op zijn minst vereist dat zodanig gedeelte redelijk afsluitbaar is en aldus kan worden gescheiden van de overige gedeelten van het object. (…) Het is duidelijk dat een flatgebouw moet worden gesplitst in evenzovele onroerende zaken als er gedeelten zijn die blijkens hun indeling zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Hetzelfde is het geval bij afzonderlijk te gebruiken bedrijfsruimten in een kantoorgebouw.”
MvT, Kamerstukken II 1992/93, 22 885, nr. 3, bladzijde. 42.
Tussen partijen is niet in geschil dat het kantoor bestaat uit één afsluitbare (kantoor)kamer en dat deze (kantoor)kamer niet beschikt over toiletvoorzieningen of stromend water. Tussen partijen is verder niet in geschil dat, gelet op de inrichting (en dientengevolge het gebruik) van het kantoor als kantoorruimte, de aanwezigheid van dergelijke voorzieningen essentieel is. Ook het Hof acht voor het gebruik als kantoorruimte de aanwezigheid van een toiletvoorziening in het algemeen van wezenlijk belang.
4.2 Het Hof is van oordeel dat de inrichting van het kantoor er niet op wijst dat de ruimte is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Immers, van een ruimte waaraan een voor die ruimte wezenlijk te achten voorziening als een toilet ontbreekt, kan niet worden gezegd dat de gebruiker ervan slechts bijkomstig van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen afhankelijk is (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 23 juli 1984, nummer 22 178, LJN: AW8590).
4.3 De omstandigheid dat zich op een andere plaats in het gebouw toiletruimte(s) en sanitaire voorzieningen bevinden en dat een (onverdeeld deel) daarvan door de Ambtenaar is toegerekend aan het kantoor, is, anders dan de Ambtenaar meent, niet voldoende. Aan een dergelijke toerekening van gemeenschappelijke voorzieningen aan zelfstandige gedeelten kan naar ’s Hofs oordeel eerst worden toegekomen, nadat vast is komen te staan dat sprake is van een zelfstandig gedeelte. Het begrip “elders in het gebouw aanwezige” moet immers, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 oktober 2004, nr. 38 443, LJN: BI8360, worden opgevat als “buiten het afsluitbare gedeelte gelegen”. De enkele toerekening brengt dan ook niet mee dat belanghebbende de beschikking heeft over, door hem af te sluiten ruimten waarin zich toilet- en watervoorzieningen bevinden. In een dergelijk geval is hij immers meer dan bijkomstig afhankelijk is van elders in het gebouw aanwezige voorzieningen.
Slotsom
Gelet op het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.
5. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
6. Beslissing
Het Gerechtshof:
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;
– verstaat dat van de Ambtenaar een griffierecht van € 466 wordt geheven zodra deze uitspraak onherroepelijk zal zijn geworden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2013
De griffier, De voorzitter,
(W.J.N.M. Snoijink) (R.A.V. Boxem)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 15 januari 2013.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.