ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2005

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-00317
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 Wet IB 2001Art. 58 Wfsv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verrekening nageheven loonbelasting en heffingsrente

Belanghebbende was in 2008 werknemer bij A BV, die wel aangifte deed van loonbelasting/premie volksverzekeringen maar deze niet betaalde. Na faillissement van de BV werd de loonbelasting nageheven bij de BV, maar niet voldaan. De Inspecteur weigerde verrekening van deze nageheven loonbelasting als voorheffing. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond.

In hoger beroep stelt belanghebbende dat de nageheven loonbelasting als voorheffing verrekenbaar is. Het Hof overweegt dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen inderdaad is nageheven en niet als eindheffing is geheven, waardoor verrekening mogelijk is. Het feit dat de BV niet betaalde doet hieraan niet af.

Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vermindert de aanslag in overeenstemming met de aangifte van belanghebbende en vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig. Het verzoek om een verdergaand oordeel over het handelen van de Inspecteur wordt afgewezen. Kostenveroordeling wordt niet toegewezen.

Uitkomst: Het Hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en vermindert de aanslag inkomstenbelasting 2008 wegens verrekening van nageheven loonbelasting als voorheffing.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Afdeling belastingrecht
Zittingsplaats Arnhem
nummer 12/00317
uitspraakdatum: 5 februari 2013
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
X te Z (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van rechtbank Arnhem van 1 mei 2012, nummer AWB 11/2897, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/P(hierna: de Inspecteur).
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1. De Inspecteur heeft belanghebbende voor het jaar 2008 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.
1.3. Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4. Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 2 juni 2012 ter griffie ingekomen.
1.5. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Tot de stukken van het geding behoren voorts de tussen partijen gewisselde conclusies van re- en dupliek, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.
1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012 te Arnhem. Belanghebbende is daar verschenen alsmede de Inspecteur. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en afschriften daarvan aan het Hof en aan de wederpartij overgelegd.
2. De vaststaande feiten
2.1. In het onderhavige jaar genoot belanghebbende loon uit dienstbetrekking van A BV.
2.2. Van de over de tijdvakken september tot en met december 2008 verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen heeft de BV wel aangifte gedaan, maar zij heeft deze niet betaald. Ter zake zijn aan de BV naheffingsaanslagen opgelegd. De naheffingsaanslag over het tijdvak september 2008 is gedeeltelijk betaald. De overige vermelde naheffingsaanslagen zijn niet betaald.
2.3. Op 28 mei 2009 is de BV in staat van faillissement verklaard.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
3.1. Tussen partijen is in geschil of de ter zake van het loon van belanghebbende verschuldigde loonbelasting/premie volksverzekeringen als voorheffing verrekenbaar is. Belanghebbende heeft zijn grief dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, ter zitting van het Hof ingetrokken.
3.2. Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.
3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en gegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4. Beoordeling van het geschil
4.1. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001 is voorheffing de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing bij de heffing van premie voor de volksverzekeringen (artikel 58, tweede lid, van de Wfsv).
4.2. Niet in geschil is dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen waarover het geschil gaat, is nageheven van de BV. Derhalve is sprake van geheven loonbelasting/premie volksverzekeringen. De door de Inspecteur gestelde omstandigheid dat de loonbelasting/premie volksverzekeringen niet zou zijn ingehouden, doet daaraan niet af.
4.3. Deze loonbelasting/premie volksverzekeringen is niet als eindheffing geheven (HR 10 april 2009, nr. 08/01345, LJN: BG4142).
4.4. Derhalve is deze loonbelasting/premie volksverzekeringen voorheffing en komt zij voor verrekening in aanmerking, reeds omdat zij is nageheven (HR 26 september 2003, nr. 38.532. LJN: AL2130, r.o. 3.6). Daaraan doet niet af de enkele omstandigheid dat de naheffingsaanslagen, naar de Inspecteur heeft gesteld, niet zijn betaald en vermoedelijk ook niet zullen worden betaald.
4.5. In het midden kan blijven of deze loonbelasting/premie volksverzekeringen is ingehouden en, zo niet, of belanghebbende te goeder trouw mocht menen dat dit wel het geval was.
4.6. Het gelijk is aan belanghebbende. De overige grieven behoeven geen behandeling. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank vernietigen en de aanslag verminderen in overeenstemming met de aangifte van belanghebbende.
4.7. Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is in zoverre slechts gegrond voor zover het de vorenbedoelde vermindering van de in geding zijnde aanslag betreft.
4.8. Het Hof is niet bevoegd te voldoen aan het verzoek van belanghebbende een (verdergaand) oordeel te geven over het handelen van de Inspecteur, de Ontvanger en hun medewerkers.
5. Kosten
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
6. Beslissing
Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- verklaart het beroep bij de Rechtbank gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar;
- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.377, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.871 en onder verrekening van € 44.403 aan voorheffingen;
- vermindert dienovereenkomstig de in rekening gebrachte heffingsrente; en
- gelast de Staat het griffierecht van € 41 ter zake van het beroep bij de Rechtbank en van € 115 ter zake van het hoger beroep aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, J.P.M. Kooijmans en P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op 5 februari 2013 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema) (J. van de Merwe)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.