ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2349

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
200.101.466/02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 222 RvArt. 220 Rvartikel CIII Wet herziening gerechtelijke kaart
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot voeging van bodemzaak en kort geding over verdeling huwelijksgoederengemeenschap

In deze zaak vordert appellant de voeging van een bodemprocedure over de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap met een kort geding dat betrekking heeft op de executie van het vonnis in die bodemzaak.

Het hof overweegt dat hoewel de bodemzaak al op 7 februari 2012 aanhangig is gemaakt, het verzoek tot voeging pas op 11 september 2012 is ingediend. Het kort geding bevindt zich in een vergevorderd stadium, met een volledige memoriewisseling en zonder mogelijkheid tot het indienen van nieuwe schriftelijke stukken.

Het hof acht voeging niet aangewezen omdat dit tot onaanvaardbare vertraging van het kort geding zou leiden. Bovendien zijn beide zaken administratief al gevoegd, waardoor het procesverloop zoveel mogelijk op elkaar wordt afgestemd.

De incidentele vordering tot voeging wordt afgewezen, terwijl de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor voortprocederen. De beslissing omtrent de kosten van het incident wordt gereserveerd tot de einduitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot voeging van de bodemzaak en het kort geding wordt afgewezen vanwege mogelijke vertraging en het vergevorderde stadium van het kort geding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.101.466/01
(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 135056/HA ZA 07-996)
arrest van de tweede kamer voor burgerlijke zaken in het incident tot voeging ex artikel 222 Rv Pro van 26 februari 2013
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant, eiser in het incident,
in eerste aanleg: eiser,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: S.H. Baas, kantoorhoudende te Baarn,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde, verweerster in het incident,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: H.A. van der Kleij, kantoorhoudende te Zwolle.
De inhoud van de rolbeschikking d.d. 2 oktober 2012 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
Bij voormelde rolbeschikking heeft het hof de beslissingen genomen op de rolzitting van
11 september 2012 gehandhaafd en verstaan dat mr. te Biesebeek zich op 25 september 2012 heeft onttrokken als advocaat aan de zijde van [appellant]. De zaak is verwezen voor het stellen van een nieuwe advocaat aan de zijde van [appellant] en het wijzen van arrest in het voegingsincident.
Op 9 oktober 2012 heeft mr. Baas zich als advocaat aan de zijde van [appellant] gesteld.
Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest in het voegingsincident.
Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.
De verdere beoordeling
De grieven
[appellant] heeft niet van grieven gediend.
In het incident
1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in algehele gemeenschap van goederen.
2. Bij dagvaarding van 2 juli 2007 heeft [appellant] - samengevat weergegeven - gevorderd dat de rechtbank de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap op de door hem voorgestane wijze zal vaststellen.
3. Bij vonnis van 20 april 2011 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad de wijze van verdelen van de tussen partijen bestaande ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld. Het onderhavige appel richt zich tegen dat vonnis.
4. Vervolgens is [appellant] een kort geding onder zaaknummer 192623 / KZ ZA 11-1044 tegen [geïntimeerde] gestart met betrekking tot de executie van het bestreden vonnis van 20 april 2011. [geïntimeerde] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. Bij vonnis in kort geding van 29 december 2011 (zaaknummer 192623 / KZ ZA 11-1044) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle-Lelystad hierop beslist. [geïntimeerde] is van dat vonnis in hoger beroep gekomen. Die procedure is bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.101.399/01.
5. De beide genoemde bij dit hof aanhangige zaken zijn administratief gevoegd.
6. [appellant] heeft voeging ex artikel 222 Rv Pro verzocht van de onderhavige zaak en het kort geding met zaaknummer 200.101.399/01.
7. De incidentele vordering van [appellant] tot voeging ex artikel 222 Rv Pro is gezien het bepaalde in artikel 222 lid 2 Rv Pro in samenhang met artikel 220 lid 2 Rv Pro tijdig gedaan.
8. Op grond van artikel 222 Rv Pro kan voeging worden gevorderd van (onder meer) verknochte zaken die tegelijk voor dezelfde rechter aanhangig zijn. In dit incident dient te worden beoordeeld of de onderhavige zaak kan worden gevoegd met het tevens tussen partijen bij het hof aanhangige kort geding, alle belangen over en weer, waaronder die van de proceseconomie, in aanmerking nemend.
9. Het hof overweegt dat hoewel [appellant] de onderhavige zaak reeds op 7 februari 2012 heeft aangebracht, hij pas op 11 september 2012 voeging met het kort geding heeft gevorderd.
10. Het kort geding met zaaknummer 200.101.399/01 verkeert inmiddels in een vergevorderd stadium. In die procedure heeft een volledige memoriewisseling plaatsgevonden en mogen geen schriftelijke stukken meer worden genomen. Dit terwijl [geïntimeerde] in de onderhavige (bodem)zaak nog de mogelijkheid heeft om in incidenteel appel te gaan.
11. Daarmee bestaat de reële mogelijkheid dat het kort geding met zaaknummer 200.101.399/01 door voeging met de onderhavige zaak een onaanvaardbare vertraging zal oplopen. Reeds daarom acht het hof die voeging niet aangewezen.
12. Daaraan voegt het hof nog toe dat de omstandigheid dat de onderhavige zaak en het kort geding met zaaknummer 200.101.399/01 op de rol zijn gevoegd reeds ertoe leidt dat het procesverloop in beide zaken zo veel mogelijk op elkaar wordt afgestemd. In zoverre wordt reeds aan het door [appellant] gestelde belang bij de voeging ex artikel 222 Rv Pro tegemoet gekomen.
13. De incidentele vordering zal worden afgewezen.
14. De beslissing omtrent de kosten van dit incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.
In de hoofdzaak
15. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor voortprocederen (partijberaad).
De beslissing
Het gerechtshof:
in het incident tot voeging:
wijst de incidentele vordering tot voeging af;
bepaalt dat omtrent de kosten van dit incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 12 maart 2013 voor voortprocederen (partijberaad).
Aldus gewezen door mrs. M.M.A. Wind, voorzitter, I. Tubben en R.A. van der Pol en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag
26 februari 2013 in bijzijn van de griffier.