ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2834
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legaat fideï-commis de residuo en vertering verbouwingskosten
De zaak betreft een hoger beroep in een civiel geschil over een legaat bij wege van een fideï-commis de residuo. De erflater had zijn echtgenote een legaat nagelaten met de bepaling dat het legaat afzonderlijk belegd moest worden en dat de echtgenote niet mocht schenken aan anderen dan de verwachters. Na het overlijden van de erflater heeft de echtgenote in overleg met haar dochter en schoonzoon besloten om de praktijkruimte in hun woning te verbouwen tot een appartement waarin zij zelfstandig kon wonen. Hiervoor werd € 85.000,- opgenomen van het legaat.
Appellant vordert terugbetaling van dit bedrag, stellende dat het onvervreemd en onverteerd van het legaat is achtergelaten en dat de waardestijging van de woning aan de verwachters toekomt. Geïntimeerden betwisten dit en stellen dat de besteding als vertering moet worden aangemerkt. De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigt dit oordeel.
Het hof overweegt dat de verbouwingskosten zijn betaald door de echtgenote zonder dat zij daarvoor een vergoeding of terugbetalingsverplichting heeft gekregen. De investering leidde niet tot zaaksvervanging en de waardevermeerdering van de woning treedt niet in de plaats van het betaalde geld. De besteding van het legaat is derhalve vertering, wat betekent dat het geld is opgebruikt zonder dat er iets voor in de plaats is gekomen.
Verder oordeelt het hof dat de echtgenote vrij was om op het legaat in te teren en niet verplicht was het vermogen in overleg met de verwachters te beleggen, conform de duidelijke bepalingen in het testament. De grieven van appellant falen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de vordering tot terugbetaling van € 85.000,- uit het legaat afwijst en verklaart appellant niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen het tussenvonnis.