ECLI:NL:GHARL:2013:BZ4101
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet wegens werkweigering niet gerechtvaardigd
In deze zaak stond het ontslag op staande voet van appellant centraal, gegeven door geïntimeerde wegens vermeende werkweigering. Appellant was internationaal vrachtwagenchauffeur en had op 2 oktober 2012 geweigerd een rit te rijden vanwege een begrafenis, waarna hij op 3 oktober 2012 geen contact meer opnam.
De kantonrechter wees de vorderingen van appellant af, maar het hof oordeelde dat het spoedeisend belang aanwezig bleef en dat de kans gering was dat het ontslag in een bodemprocedure stand zou houden. Het hof stelde vast dat het niet rijden van de rit op 2 oktober niet als werkweigering kon worden aangemerkt, omdat er een afspraak was dat appellant zich zou beraden. Het stilzwijgen van appellant op 3 oktober was wel onhoffelijk maar onvoldoende duidelijk om een dringende reden te vormen voor ontslag op staande voet.
Het hof mat de wettelijke verhoging tot 15% vanwege het feit dat appellant door het niet reageren het conflict in stand hield. De vordering tot betaling van salaris en vakantiegeld over de periode 3 oktober tot 17 november 2012 werd toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De buitengerechtelijke kosten werden afgewezen omdat deze niet voldoende waren onderbouwd.
Geïntimeerde werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het arrest benadrukt het belang van duidelijke communicatie bij ontslag op staande voet en de terughoudendheid van de rechter bij het aannemen van dringende redenen.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is vernietigd en geïntimeerde is veroordeeld tot doorbetaling van salaris en vakantiegeld met matiging van de wettelijke verhoging.