ECLI:NL:GHARL:2013:BZ6065
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming en hoofdverblijfplaats kind bij emigratiegeschil ouders
De moeder verzocht het hof om vervangende toestemming om met het kind naar de Verenigde Staten te emigreren en subsidiair om de hoofdverblijfplaats van het kind bij haar te bepalen. De vader verzette zich tegen deze verzoeken en wilde dat het kind bij hem bleef wonen in Nederland. Het hof hield rekening met het belang van het kind, dat gehecht is aan zijn omgeving in Nederland, met regelmatige contacten met vader en grootouders.
De moeder wilde zich herenigen met haar nieuwe partner in de Verenigde Staten en stelde dat zij een goede basis voor het kind kon bieden, terwijl de vader stelde dat de afstand en leeftijd van het kind het contact ernstig zouden bemoeilijken. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde dat het kind in Nederland moest blijven vanwege de hechting en het belang van contact met de vader.
Het hof concludeerde dat het belang van het kind zwaarder weegt dan het belang van de moeder om te emigreren. De moeder had niet aannemelijk gemaakt dat haar verhuizing onontkoombaar was en dat dit zwaarder woog dan het belang van het kind om in een vertrouwde omgeving met beide ouders op te groeien. Daarom werd het verzoek tot vervangende toestemming afgewezen.
Tegelijkertijd vernietigde het hof het eerdere besluit dat de hoofdverblijfplaats bij de vader lag en bepaalde dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, aangezien de vader geen bezwaar had tegen de hoofdverblijfplaats bij de moeder mits het kind in Nederland blijft. Hiermee werd het subsidiaire verzoek van de moeder toegewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vervangende toestemming voor emigratie af en bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van het kind bij de moeder blijft.