3.5 Het hof is van oordeel dat zich na het geven van de bestreden beschikking van 1 oktober 2012 nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de rechter in eerste aanleg niet in zijn beoordeling heeft kunnen betrekken, op grond waarvan door de tenuitvoerlegging aan de zijde van de moeder een noodtoestand zal ontstaan, en de onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Gebleken is dat de stichting op 13 december 2012 de kinderrechter heeft verzocht een nieuw forensisch-psychodiagnostisch onderzoek te gelasten naar zowel de ontwikkeling van [het kind] als haar beleving van de situatie, alsook naar de vraag hoe beide ouders zich ten opzichte van deze situatie verhouden en naar hun persoonlijke ontwikkeling. De stichting wil door middel van dit onderzoek zicht krijgen op de beantwoording van de vraag hoe de jarenlange patstelling en strijd rondom de omgang kunnen worden doorbroken. Hiervoor is volgens de stichting zicht op de relatie van [het kind] met beide ouders van groot belang.
Bij beschikking van 9 januari 2013 heeft de kinderrechter het gevraagde deskundigenonderzoek bevolen. In het kader van de door haar verzochte schorsing heeft de moeder gesteld dat dit onderzoek eerst dient te worden afgewacht, waarna pas, indien in het deskundigenrapport omgang wordt geadviseerd, kan worden gekomen tot een verantwoorde omgang tussen [het kind] en de vader. De stichting heeft zich op het standpunt gesteld dat, in afwachting van het deskundigenonderzoek, de omgangsregeling dient te worden voortgezet zodat [het kind] en de vader elkaar regelmatig zien, hetgeen mogelijk ertoe zal leiden dat het interactieonderzoek gedurende de onderzoeksperiode minder geforceerd zal zijn.
Nu de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard op geen enkele wijze zijn medewerking aan het deskundigenonderzoek te zullen geven, is gewenning aan de omgang van [het kind] met haar vader ten behoeve van het onderzoek niet aan de orde.
Het hof acht het op dit moment evenmin in het belang van [het kind] dat de omgangsregeling wordt voortgezet. [het kind] heeft haar vader nu al geruime tijd niet gezien. Voorts is gebleken dat [het kind] in maart 2012 veel weerstand heeft vertoond tegen een omgangsregeling. Bij de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde omgangsregeling vindt contact plaats tussen de vader en de moeder bij het terugbrengen van [het kind]. Gelet op de uiterst gespannen verhouding tussen de ouders, de omstandigheid dat de vader zich afwerend opstelt en niet bereid is tot samenwerking om tot een verantwoorde omgangsregeling te komen, maar zich uitsluitend vasthoudt aan de door rechtbank bepaalde omgangsregeling, is het hof van oordeel dat uitvoering van de omgangsregeling in de huidige situatie in strijd is met het belang van [het kind].
Al deze factoren in onderling verband bezien brengen het hof tot het oordeel dat bij tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking in dit geval een noodtoestand zal ontstaan. Het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking zal dan ook als volgt worden toegewezen.