ECLI:NL:GHARL:2013:BZ9779
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Geen voortzetting onderhuur bij beëindiging woonbegeleiding in begeleid wonen project
In deze zaak stond centraal of de onderhuurder, cliënt in een begeleid wonen project, bescherming kon ontlenen aan artikel 7:269 BW Pro nadat de woonbegeleidings- en onderhuurovereenkomst door Lentis waren beëindigd. Lentis had de overeenkomsten opgezegd wegens het niet naleven van voorwaarden door de cliënt, waaronder het weigeren van woonbegeleiding.
De onderhuurovereenkomst was gekoppeld aan een woonbegeleidingsovereenkomst en beide waren aangegaan met dezelfde ingangsdatum en duur, met een uitdrukkelijke onderlinge afhankelijkheid. Het hof oordeelde dat deze overeenkomsten als één samenhangend geheel moeten worden beschouwd, waarbij het beëindigen van de woonbegeleiding ook de kern van het huurgenot raakt.
Hoewel de cliënt stelde dat hij recht had op voortzetting van de onderhuur op grond van artikel 7:269 BW Pro, werd dit beroep verworpen. Het hof vond dat de cliënt niet meer meewerkte aan de woonbegeleiding en dat het beëindigen van de woonbegeleidingsovereenkomst gerechtvaardigd was. De bescherming van artikel 7:269 BW Pro kon daarom niet worden ingeroepen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter en veroordeelde de cliënt in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de bescherming van artikel 7:269 BW niet geldt omdat woonbegeleiding en onderhuur onlosmakelijk verbonden zijn.