ECLI:NL:GHARL:2013:CA0476
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen standplaatsgeldverordening wegens strijd met Gemeentewet en gelijkheidsbeginsel
Belanghebbende exploiteert sinds circa 1992 een verkoopwagen op een standplaats nabij de eendenvijver te L. Voorheen werden leges geheven voor standplaatsvergunningen, maar in 2009 stelde het college een nieuwe Verordening Markt- en standplaatsgelden vast, waarbij standplaatsgeld werd geheven afhankelijk van het aantal dagen per week dat de standplaats werd ingenomen.
De Heffingsambtenaar legde voor 2010 een aanslag standplaatsgeld op die aanzienlijk hoger was dan de eerdere leges. Belanghebbende betwistte de aanslag en stelde onder meer dat de Verordening onverbindend is wegens strijd met artikel 229b van de Gemeentewet, omdat de geraamde baten de lasten overschrijden, en wegens strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof oordeelt dat de Heffingsambtenaar onvoldoende inzicht heeft gegeven in de geraamde kosten en opbrengsten die aan de Verordening ten grondslag liggen, terwijl dit vereist is voor toetsing aan de kostendekkingslimiet. Hierdoor is de Verordening onverbindend en moet de aanslag worden vernietigd.
De overige bezwaren behoeven geen beantwoording meer. Het hof veroordeelt de Heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende en gelast vergoeding van griffierechten. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open.
Uitkomst: De aanslag standplaatsgeld wordt vernietigd wegens strijd met artikel 229b Gemeentewet en onvoldoende inzicht in kostenramingen.