ECLI:NL:GHARL:2013:CA1419

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
1294-12
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 591a SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoekers niet-ontvankelijk in verzoek tot vergoeding rechtsbijstand na termijnoverschrijding

In deze zaak dienden verzoekers een verzoekschrift in tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in een klaagschriftprocedure ex artikel 591a Sv. De klacht betrof de inbeslagname van een geldbedrag tijdens een doorzoeking in de woning van verzoekers. De rechtbank had de klacht ongegrond verklaard. Later bepaalde het gerechtshof dat het geldbedrag aan verzoekers moest worden geretourneerd.

Verzoekers dienden echter hun verzoek tot vergoeding niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na het onherroepelijk worden van de beslissing op het klaagschrift in. De advocaat-generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek. Verzoekers stelden dat de termijn pas moest gaan lopen na het onherroepelijk worden van het arrest in de strafzaak tegen hun zoon.

Het hof oordeelde dat de termijn strikt moet worden toegepast en dat het verzoek daarom niet-ontvankelijk is. De omstandigheid dat het hof later de teruggave van het geldbedrag gelastte, geeft geen nieuwe termijn voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand. Het verzoek werd afgewezen wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het verzoek tot vergoeding van rechtsbijstandkosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
Pkn: 21-004492-11
Avnr: 1294-12
Het hof heeft gezien het op 4 oktober 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker 1],
geboren in 1963,
en
[verzoeker 2],
Geboren in 1963,
beiden wonende te [woonplaats], en
domicilie kiezende te [adres],
ten kantore van hun raadsman,
hierna te noemen verzoekers.
ingediend door [raadsman], advocaat te Utrecht, strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de kosten van rechtsbijstand van de klaagschriftprocedure en voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 4 maart 2013 de advocaat-generaal en namens verzoeker [raadsman], voornoemd. Verzoekers zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal.
OVERWEGINGEN
1. In de strafzaak tegen de zoon van verzoekers, [naam], is tijdens een doorzoeking van de woning van verzoekers op 9 december 2010 een geldbedrag van € 9.495,= in beslag genomen. Verzoekers hebben daarop ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering een klaagschrift ingediend, welk klaagschrift door de rechtbank te Utrecht bij beslissing/beschikking d.d. 7 november 2011 ongegrond is verklaard. Nadien heeft in de strafzaak tegen de zoon van verzoekers het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 22 augustus 2012 beslist dat het voornoemde geldbedrag aan verzoekers dient te worden geretourneerd.
2. De advocaat-generaal heeft ter zitting geconcludeerd dat verzoekers niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun verzoekschrift, nu verzoekers eerst na de termijn van drie maanden een verzoek tot schadevergoeding hebben ingediend na de beschikking in de beklagprocedure d.d. 7 november 2011. Volgens de advocaat-generaal leidt de omstandigheid dat het gerechtshof te Arnhem op 22 augustus 2012 de zoon van verzoekers heeft vrijgesproken en daarbij de teruggave heeft gelast van het bedrag waar de klacht van verzoekers betrekking op had niet er toe dat verzoekers alsnog de mogelijkheid hebben een verzoek tot schadevergoeding ex artikel 591/591a van het Wetboek van Strafvordering in te dienen met betrekking tot de door hen gemaakte kosten voor (de behandeling van) het klaagschrift.
3. De raadsman heeft gepersisteerd bij het verzoek en daaraan toegevoegd dat de advocaat-generaal het begrip ‘zaak’ te beperkt interpreteert en dat nu het beklag niet gegrond is verklaard een redelijke wetstoepassing ertoe dient te leiden dat de termijn van drie maanden pas begint te lopen op het moment dat de strafzaak tegen de zoon van verzoekers onherroepelijk was beëindigd.
4. Nu verzoekers niet binnen 3 maanden nadat de beslissing onherroepelijk was geworden waarbij hun klacht werd afgewezen het onderhavige verzoek hebben ingediend kunnen zij reeds op die grond in hun verzoek niet worden ontvangen, vergelijk HR 3 februari 2009, LJN BG 2191.
BESCHIKKENDE
Het hof:
- verklaart de verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoekschrift.
Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 15 april 2013.