ECLI:NL:GHARL:2013:CA1422
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over geldigheid en nakoming huurovereenkomst bedrijfsruimte
In deze zaak stond de geldigheid en nakoming van een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte centraal. Appellant had een brief ondertekend waarin de huurovereenkomst werd bevestigd, maar stelde in hoger beroep dat hij niet nuchter was bij het tekenen en dat het om een voorlopige overeenkomst ging. De kantonrechter had de vordering van de verhuurder, De Weteringborgh, grotendeels toegewezen.
Het hof oordeelde dat appellant zichzelf vrijwillig in een staat van dronkenschap had gebracht en dat dit geen beroep op wilsgebrek of wilsontbreken rechtvaardigde. De brief van 2 februari 2012 vormde een definitieve overeenkomst, ook al was de verhuurder nog niet definitief vastgesteld. Appellant was daardoor gebonden aan de huurovereenkomst.
Verder werd het beroep van appellant tegen de buitengerechtelijke kosten toegewezen omdat De Weteringborgh onvoldoende had gemotiveerd dat zij deze kosten daadwerkelijk had gemaakt. Het hof vernietigde dit deel van het vonnis en wees de kosten af. De overige vorderingen werden bekrachtigd, waarbij appellant werd veroordeeld tot betaling van huur en servicekosten over de maanden maart tot en met december 2012.
De procedure kende een principaal en incidenteel appel, waarbij het hof ook een gewijzigde eis van de verhuurder toewijsde. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Hiermee werd het vonnis van de kantonrechter grotendeels bekrachtigd met uitzondering van de buitengerechtelijke kosten.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van huur en servicekosten over maart tot en met december 2012, met afwijzing van buitengerechtelijke kosten.